< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verweerder heeft de aanvraag van eiser tot het verlenen van een mvv afgewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn te stellen is. Het is aan eiser om dit aannemelijk te maken door middel van het overleggen van stukken bij de aanvraag. Eiser is hier niet in geslaagd. Gelet op de Gezinsherenigingsrichtlijn mag verweerder daarbij in beginsel een gehoor houden om vast te stellen of sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, indien er geen andere passende en minder beperkende manieren zijn om de relatie aan te tonen. Gelet op wat bij de aanvraag is overgelegd heeft verweerder eiser en referente mogen horen. Het is hiervoor, anders dan eiser aanvoert, niet nodig dat er een gegrond vermoeden bestaat van misbreuk of fraude op grond van indicatieve criteria. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het simultaan gehoor een evenredig middel was om de relatie te onderzoeken, eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er minder beperkende manieren waren dan een gehoor om de gezinsband in dit geval aan te tonen. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat het simultaan gehoor in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft plaatsgevonden, aangezien eiser tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij alles goed heeft begrepen en in staat was gehoord te worden. Dat er sprake was van vertaalproblemen heeft eiser verder niet onderbouwd. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat eiser en referente op essentiële onderdelen tegenstrijdig hebben verklaard waardoor verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 20/2900 (beroep)

AWB 19/10003 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Houben).

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf bij familie en gezin’ afgewezen.

Tegen het primaire besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot verweerder op het bezwaar heeft beslist.

Bij besluit van 16 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Nu verweerder een beslissing op het bezwaar heeft genomen voordat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ter zitting was behandeld, heeft de voorzieningenrechter het gedane verzoek op grond van artikel 8:81, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgevat als strekkende tot een verbod eiser uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Eiser is verschenen en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen [referent] , referent en als tolk [tolk] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Venezolaanse nationaliteit. Eiser en referent zijn op 20 juni 2019 getrouwd. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser verblijft vanaf 1 juni 2018 in Nederland en is nooit in het bezit geweest van een verblijfsvergunning.

Besluitvorming verweerder

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en omdat hij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De weigering om eiser niet vrij te stellen van het mvv-vereiste is niet in strijd met eisers familie,- en privéleven en als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verder is niet gebleken dat referent gemeenschapsonderdaan is en dat eiser rechten kan ontlenen aan het EU-verblijfsrecht. Ten slotte stelt verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule en heeft verweerder eiser erop gewezen dat hij Nederland en de EU binnen 4 weken moet verlaten.

De beoordeling door de rechtbank

Niet in geschil is dat eiser niet beschikt over een geldige mvv. Evenmin is in geschil dat er tussen eiser en referent sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM . In geschil is of verweerder eiser had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste.

Vrijstelling mvv-vereiste omdat referent gemeenschapsonderdaan is?

3. Eiser voert ten eerste aan dat hij moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat referent vanwege zijn Duitse nationaliteit een gemeenschapsonderdaan is en eiser daarom rechten kan ontlenen aan het EU-verblijfsrecht. Verweerder stelt ten onrechte dat dat de familierechtelijke betrekking tussen de referent en zijn Duitse moeder niet is aangetoond door het overleggen van de geboorteakte van referent en het paspoort van zijn Duitse moeder. Net als in Nederland bezit in Duitsland een ieder die geboren is uit een Duitse ouder de Duitse nationaliteit. Referent heeft een Duits paspoort aangevraagd bij het Duitse consulaat in Nederland ter bevestiging van zijn Duitse nationaliteit. Wegens corona is de afspraak gecanceld. Dit kan eiser niet worden tegengeworpen. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat verweerder bij de aanvraag had moeten onderzoeken of referent naast de Nederlandse nog een andere nationaliteit heeft door hier actief naar te vragen in het aanvraagformulier.

3.1

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit de door eiser overgelegde stukken niet ondubbelzinnig blijkt dat referent de Duitse nationaliteit heeft. Verder is niet onderbouwd dat referent al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een Duits paspoort of ander document waaruit ondubbelzinnig de Duitse nationaliteit blijkt, waardoor het beroep op overmacht of bewijsnood niet kan slagen. Uit de overgelegde e-mail van het Duitse consulaat volgt, zoals verweerder terecht stelt, niet dat referent een Duits paspoort heeft aangevraagd. Het betreft een algemene e-mail waaruit kan worden opgemaakt dat alle gemaakte afspraken worden afgezegd. Uit de e-mail kan niet worden afgeleid of referent ook daadwerkelijk een afspraak had ten behoeve van de aanvraag van een Duits paspoort en is onduidelijk aan wie de e-mail is gericht. Daarbij komt dat de e-mail pas in beroep is ingebracht en ook na het bestreden besluit is verzonden, zodat verweerder dit niet heeft kunnen betrekken bij de beoordeling. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat verweerder in het aanvraagformulier dat ziet op de onderhavige aanvraag, specifiek had moeten vragen of referent Unieburger is. In het aanvraagformulier wordt immers gevraagd naar de nationaliteit van referent. Het had op de weg van eiser (en referent) gelegen om, indien sprake is van meer dan één nationaliteit, dit volledig te vermelden. De beroepsgrond slaagt niet.

Vrijstelling mvv-vereiste vanwege familieleven in de zin van artikel 8 EVRM?

4. Eiser voert verder aan dat er objectieve belemmeringen zijn om zijn familieleven met referent in Venezuela uit te oefenen. Eiser heeft niets meer in Venezuela; geen bezittingen, geen vrienden, geen kennissen en geen familie. Zijn hele familie is Venezuela ontvlucht. Daarnaast zijn eiser en referent aan Nederland gebonden nu eiser en referent hier getrouwd zijn, referent de Nederlandse nationaliteit heeft, referent een dienstbetrekking in Nederland heeft, de hele familie van referent in Nederland woont en referent een eigen woning in Nederland bezit.4.1 De rechtbank overweegt als volgt. Zoals volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het priv éleven dan wel familie- en gezinsleven een “fair balance” worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Bij deze afweging komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe.4.2 De rechtbank moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een “fair balance” tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toetsing.4.3 Ten aanzien van eisers familieleven met zijn echtgenoot heeft verweerder overwogen dat eiser vanaf 1 juni 2018 in Nederland is, maar dat hij nooit een verblijfsvergunning heeft gehad. Het betreft dus een eerste toelating waardoor eisers uitgangspositie minder sterk is. De omstandigheid dat referent Nederlands is en dat hij inkomen heeft wegen in eisers voordeel. Verweerder heeft van belang mogen achten dat eiser in Nederland een familieleven met zijn echtgenoot is aangegaan, terwijl hij wist dat hij geen rechtmatig verblijf had. Eiser heeft daarmee de Nederlandse overheid voor een voldongen feit gesteld. De gevolgen van deze keuze komen dan ook voor rekening en risico van eiser. Verder heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat er geen objectieve belemmering bestaat om het familieleven in Venezuela uit te oefenen. Eiser heeft tot juni 2018 zijn gehele leven in Venezuela gewoond zodat van hem verwacht mag worden dat hij zich daar zelfstandig kan handhaven. Ook is niet gebleken dat referent dusdanig gebonden is aan Nederland dat het onmogelijk is om het familieleven in Venezuela uit te oefenen.4.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle door eiser genoemde omstandigheden betrokken bij de afweging van de belangen en heeft verweerder zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM niet wordt geschonden door eiser niet vrij te stellen van het mvv-vereiste.

Moeten de asielgerelateerde gronden worden meegenomen bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM?

5. Tussen partijen is verder in geschil of verweerder de asielgerelateerde gronden dient te betrekken in de beoordeling.5.1 Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat asielgerelateerde gronden alleen in een asielprocedure kunnen worden beoordeeld en dat het nodig zou zijn dat eiser daartoe een asielaanvraag indient. Volgens eiser zou hij bij terugkeer naar Venezuela een onaanvaardbaar risico lopen op het ondergaan van handelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM . In beroep heeft eiser in dit kader een verklaring overgelegd van een maatschappelijk werkster waarin zij heeft verklaard over de situatie in Venezuela en de situatie van eiser. Verweerder heeft deze omstandigheid onbestreden gelaten zodat het verweerder niet vrij staat om eiser een terugkeerbesluit op te leggen. Verweerder dient de omschrijving van deze omstandigheden en zijn beroep op bescherming van de Nederlandse overheid op te vatten als een verzoek om aan hem asiel te verlenen. Indien verweerder zou oordelen dat dit in een asielprocedure zou moeten worden beoordeeld, dan ligt het op de weg van verweerder om het verzoek van eiser door te leiden naar een asielprocedure.5.2 Ten aanzien van het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte de asielgerelateerde gronden niet heeft beoordeeld, overweegt de rechtbank dat uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat asielgerelateerde gronden onder omstandigheden een rol kunnen spelen in het kader van de beoordeling of er een objectieve belemmering bestaat het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. Dit is het geval indien de staatssecretaris een aangevoerde asielrechtelijke grond niet bestrijdt, of indien hij over een aangevoerde asielgerelateerde grond vrij eenvoudig een standpunt kan innemen. In dit geval heeft verweerder geen standpunt ingenomen ten aanzien van de asielgronden en is er nader onderzoek nodig om de asielgerelateerde gronden te kunnen beoordelen. In een dergelijke situatie is de asielprocedure de daarvoor geëigende procedure. Verweerder heeft gelet op het voorgaande niet ten onrechte de asielgerelateerde gronden niet meegenomen bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM .

Handhaving mvv-vereiste

6. Ter zitting heeft eiser ten slotte aangevoerd dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevraagd terug te keren naar Venezuela om daar een mvv aan te vragen, nu aan alle overige voorwaarden voor een verblijfsvergunning op grond van verblijf bij partner is voldaan. Daarbij is volgens eiser van belang dat het vanwege de maatregelen rondom het coronavirus niet duidelijk is binnen welke termijn eiser terug zou kunnen reizen naar Nederland.6.1 De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling omdat uit het bestreden besluit namelijk niet kan worden opgemaakt dat verweerder heeft getoetst of eiser aan de overige voorwaarden voor de verlening voldoet.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

9. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.F. Moison, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

nummer 50435/99, www.echr.coe.int

bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527

zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1623

zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1322


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature