< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Asiel, beroep tegen vaststellen bestuurlijke en rechterlijke dwangsom. Verweerder heeft in afwijking van vorige uitspraak hoogte dwangsom vastgesteld. Vernietiging besluit voor zover ziet op best. dwangsom, onbevoegd rechterlijke dwangsom.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.11166 en NL20.11167

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], met V-nummer: [V-nummer], eiser en

[eiseres], met V-nummer: [V-nummer] eiseres hierna gezamenlijk: eisers

(gemachtigde: mr. R. Hijma), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. Reimerink).

Procesverloop

Bij besluiten van 24 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2020 via een beeld- en geluidverbinding ( Skype ). Eisers zijn niet verschenen, maar hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben op 19 september 2018 een asielaanvraag ingediend. Op

26 november 2019 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens zijn eisers op 31 januari 2020 afzonderlijk in beroep gegaan tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft op 20 februari 2020 de beroepen gegrond verklaard (NL20.2712 en NL20.2714). In die uitspraken heeft de rechtbank bepaald dat verweerder binnen acht weken een beslissing moet nemen op de

aanvragen en als hij dit niet doet hij elke dag een dwangsom verbeurt van € 100,- met een maximum van € 15.000,-. Verder heeft de rechtbank in die uitspraken de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vastgesteld op € 1.442,-.

2. Verweerder heeft op 24 april 2020 met afzonderlijke besluiten op de asielaanvraag van eisers beslist. In het besluit op de asielaanvraag van eiser heeft verweerder de verbeurde bestuurlijke dwangsom vastgesteld op € 1.442,-. De verbeurde rechterlijke dwangsom heeft verweerder vastgesteld op € 5.000,-. In de beide besluiten heeft verweerder overwogen dat, omdat de aanvragen en de besluiten daarop inhoudelijk met elkaar samenhangen, er slechts één dwangsom is verbeurd voor eiser en eiseres gezamenlijk.

3. De beroepen zien op de hoogte van de vastgestelde bestuurlijke en rechterlijke dwangsom in de besluiten van 24 april 2020. In hun aanvullende beroepschrift van

4 september 2020 en tijdens de zitting voeren eisers het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte slechts één bestuurlijke en rechterlijke dwangsom toegekend, namelijk alleen aan eiser. Dit is niet in overeenstemming met de rechterlijke uitspraken van 20 februari 2020. In die uitspraken heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan beide eisers een dwangsom verbeurt indien niet tijdig wordt beslist. Verweerder had dus zowel aan eiser als aan eiseres een dwangsom moeten toekennen. Daarnaast voeren eisers aan dat geen sprake is van samenhangende aanvragen. Eisers hebben, voor wat betreft hun asielmotieven, zich beroepen op ‘bekering’ en verweerder heeft deze motieven afzonderlijk beoordeeld. Tot slot verwijzen eisers naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van

16 juli 2020 waarin de rechtbank met vergelijkbare argumenten tot de conclusie kwam dat aan beide eisers afzonderlijk een dwangsom moest worden betaald.

4. Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting het volgende aangevoerd. De bestuursrechter is onbevoegd om een uitspraak te doen over een door een andere bestuursrechter opgelegde dwangsom. Verweerder verwijst daarbij naar twee uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van

22 oktober 2014 1 en 29 april 2020 2. Verweerder stelt verder dat hij niet is gehouden om aan beide eisers afzonderlijk een bestuurlijke dwangsom te betalen. De uitspraken van

20 februari 2020 zijn buiten zitting gedaan. Verweerder stelt dat hij tegen deze uitspraken geen inhoudelijke rechtsmiddelen kan indienen. Er stond verzet open tegen deze uitspraken, maar in verzet kan enkel worden opgekomen tegen het ten onrechte buiten zitting afdoen van de zaak. Verzet is niet bedoeld om op te komen tegen het inhoudelijke oordeel van de rechtbank. Verweerder stelt dat het feit dat hij geen verzet heeft ingediend niet betekent dat hij het eens is met de uitspraken van de rechtbank. Tot slot is verweerder van mening dat de besluiten op goede gronden zijn genomen en dat er sprake is van samenhang tussen de aanvragen van eisers, zodat er slechts één bestuurlijke dwangsom is verbeurd. Verweerder verwijst daarbij naar een uitspraak van de ABRvS van 15 juli 2020 3. Eisers zijn namelijk een echtpaar en zij hebben hun aanvragen gelijktijdig ingediend.

1. ECLI:NL:RVS:2014:3777

2 ECLI:NL:RVS:2020:1152

3 ECLI:NL:RVS:2020:1624, r.o. 5.1.

5. Voor zover het gaat om de rechterlijke dwangsom die is verbeurd overweegt de rechtbank het volgende. Uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de geschiedenis van de totstandkoming 4 ervan volgt dat een dergelijke dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor zover verweerder in het bestreden besluit van eiser de hoogte van de verschuldigde dwangsom heeft vastgesteld, bevat dit besluit daarom geen publiekrechtelijke rechtshandeling. De bevoegdheid tot het nemen van deze beslissing is immers niet aan het publiekrecht ontleend. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de ABRvS 5. In zoverre is het bestreden besluit dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb . Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan alleen tegen een besluit beroep worden ingesteld. Dat betekent dat eisers niet bij de bestuursrechter kunnen procederen over de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter zullen moeten wenden.

6. Voor zover het gaat om de bestuurlijke dwangsom die is verbeurd oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraken van 20 februari 2020 de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom al heeft vastgesteld, namelijk op € 1.442,- voor eiser en op datzelfde bedrag voor eiseres. Die uitspraken staan, nu verweerder daartegen geen verzet heeft ingesteld, in rechte vast. Anders dan verweerder aanvoert stond de weg van verzet ook open indien verweerder het inhoudelijk niet eens is met die uitspraken. In verzet worden namelijk alle omstandigheden bekeken en als blijkt dat de uitspraken niet juist tot stand zijn gekomen en het verzet gegrond is vervalt de uitspraak waartegen het verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond 6. Omdat de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb is vastgesteld door de rechtbank, was er voor verweerder geen ruimte meer om dat nogmaals (en in afwijking van de uitspraken van 20 februari 2020) te doen. Verweerder dient de uitspraken van 20 februari 2020 na te komen. Als verweerder dat niet doet staat voor eisers de weg naar de burgerlijke rechter open.

7. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen voor zover die zien op de vaststelling van (de hoogte van) de verbeurde bestuurlijke dwangsom. Verweerder hoeft geen nieuw besluit te nemen, omdat de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom al is vastgesteld in de uitspraken van de rechtbank van 20 februari 2020.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een wegingsfactor 1). Verder beschouwt de rechtbank deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend (artikel 3 van het Bpb).

4 Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 51

5 ECLI:NL:RVS:2020:1152

6 Artikel 8:55, negende lid, van de Awb

Beslissing

De rechtbank:

vernietigt de bestreden besluiten, voor zover die zien op de vaststelling van (de hoogte van) de verbeurde bestuurlijke dwangsom;

verklaart zich onbevoegd, voor zover het beroep zicht richt tegen de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

13 januari 2021

Mr. G.P. Loman M. Bos

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature