< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

verblijfsvergunning regulier.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/5827 en AWB20/5828

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 13 januari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘humanitair tijdelijk’, afgewezen.

Bij besluit van 20 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2021. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Het verzoek om vrijstelling van betaling van griffierechten

1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van betaling van de griffierechten wegens betalingsonmacht. Naar aanleiding van de door eiser overgelegde eigen verklaring ter onderbouwing hiervan, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden toegewezen. Eiser hoeft in deze procedure geen griffierecht te betalen.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser heeft de Sierra Leoonse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Eiser heeft een verblijfsvergunning asiel aangevraagd. Verweerder heeft die asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eisers beroep daartegen, met zaaknummer NL20.3331, is ongegrond verklaard bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 6 maart 2020. Het hiertegen ingediende verzet is ongegrond verklaard bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 23 juni 2020.

3. Eiser heeft op 18 februari 2020 bij de politie aangifte van mensenhandel gedaan. Verweerder heeft deze aangifte ambtshalve aangemerkt als een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden. Bij brief van 24 februari 2020 heeft het Openbaar Ministerie (OM) meegedeeld dat er geen vervolging wordt ingesteld, omdat Nederland geen rechtsmacht heeft en dat eisers aanwezigheid in Nederland voor het OM niet langer noodzakelijk is.

Besluitvorming door verweerder

4. Verweerder heeft eisers aanvraag om een verblijfsvergunning bij besluit van 25 februari 2020 afgewezen. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de brief van het OM van 24 februari 2020. Omdat eisers aanwezigheid voor een strafrechtelijk onderzoek in Nederland niet noodzakelijk is, wordt niet voldaan aan de voorwaarden uit artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, c of g van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen die afwijzing ongegrond verklaard.

Beroepsgronden van eiser

5. Eiser voert aan dat zijn aanwezigheid in Nederland wel van belang is. Eiser verwijst naar een voortgangsbrief ‘samen tegen mensenhandel’ van 13 november 2019 en voert aan dat samenwerking op nationaal en internationaal niveau van groot belang is om mensenhandel aan te pakken. Verweerders afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier is hier niet mee in overeenstemming. Dat de afwijzing enkel is gebaseerd op het standpunt dat in Nederland onvoldoende opsporingsindicaties aanwezig zijn is ook niet in overeenstemming met de doelstelling van de Europese Unie (EU). Dit geeft blijk van een onvoldoende samenwerking met andere EU landen en draagt niet bij aan een veilige en rechtvaardige EU. Eiser verwijst naar considerans één van de Richtlijn. Voorts heeft verweerder niet zorgvuldig gehandeld door geen grondig individueel onderzoek te verrichten. Eiser verwijst verder naar een artikel in de krant Trouw . Door enkel de noodzakelijkheid van de aanwezigheid van eiser in Nederland voor het opsporingsonderzoek voor de beoordeling van de aanvraag van belang te achten, vergeet verweerder dat de bescherming en veiligheid van eiser als slachtoffer van mensenhandel ook een aspect is die in de beoordeling meegewogen had moeten worden. Dit aspect is opgenomen in artikel 7, tweede lid, van de Richtlijn. Verder is van belang dat eiser niet terug kan keren naar Itali ë omdat de medische voorzieningen in Italië door de corona-uitbraak verslechterd zijn. Er kan niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Eiser is slachtoffer van mensenhandel, een getraumatiseerde adolescent die als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt. Daarbij verwijst eiser naar het verslag van de GZA-arts van 16 maart 2020. Een overdracht naar Italië is onevenredig, aldus eiser.

Het oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag voor de verblijfsvergunning heeft geweigerd en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

7. Het doel van het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van een aangifte mensenhandel is om een slachtoffer van mensenhandel de mogelijkheid te geven om mee te werken aan een strafrechtelijk onderzoek.

8. In artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a en c van het Vb is bepaald wanneer een vreemdeling die slachtoffer /aangever is van mensenhandel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Een verdere uitwerking hiervan is terug te vinden in paragraaf B8/3.1 van de Vc, waarbij voor Dublinclaimanten aparte regels gelden. Voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergunning is dat er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek en dat het verblijf van de aangever in het belang van dit onderzoek noodzakelijk is. Gelet op de beslissing van het OM van 24 februari 2020 is aan geen van beide voorwaarden voldaan. Het ligt niet op de weg van verweerder om een verdergaande individueel onderzoek te doen naar de noodzakelijkheid van de aanwezigheid van eiser in Nederland. Het is het OM dat in Nederland beslist over de opsporing van strafbare feiten. Dat geen sprake is van een voldoende grondig onderzoek, kan de rechtbank daarom niet volgen.

9. Dat het bestreden besluit in zou druisen tegen de doelstelling van de Richtlijn, volgt de rechtbank ook niet. Italië is namelijk net zoals Nederland gebonden aan de Richtlijn en de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Eiser kan daarom in Italië aangifte doen van de tegen hem in Italië gepleegde strafbare feiten en daar bescherming vragen. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de Italiaanse autoriteiten eiser hiertoe niet in staat zullen stellen.

Daar zal eiser de door hem genoemde bescherming moeten inroepen waar hij volgens de Richtlijn recht op heeft. Het artikel 7, tweede lid, van de Richtlijn heeft voorts geen betrekking op de afgifte van een verblijfsvergunning maar ziet op de procedure daaraan voorafgaand. Eiser zal in Italië op dit artikel een beroep kunnen doen.

10. De gronden die zien op de overdracht van eiser naar Italië, waaronder ook de kwetsbaarheid van eiser, kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Het bestreden besluit bepaalt immers de grenzen van deze zaak en dat besluit gaat niet over de overdracht van eiser. Bovendien heeft de rechtbank daar al over geoordeeld in het kader van de Dublinprocedure, bij uitspraken van 6 maart 2020 en 23 juni 2020.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is uitgesproken op 13 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd de uitspraak De rechter is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Richtlijn:

Artikel 7

Behandeling die verleend wordt voorafgaand aan de afgifte van de verblijfstitel

1. De lidstaten waarborgen de betrokken onderdanen van derde landen die over onvoldoende middelen beschikken, een levensstandaard die hen in staat stelt in hun onderhoud te voorzien, alsmede toegang tot spoedeisende medische behandelingen. Zij voorzien in de bijzondere behoeften van de meest kwetsbare personen, zo nodig en indien het nationale recht hierin voorziet, in de vorm van psychologische bijstand.

2. De lidstaten houden bij de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn naar behoren rekening met de behoeften van de betrokken onderdanen van derde landen op het gebied van veiligheid en bescherming, overeenkomstig het nationale recht.

(…).

Artikel 8

Afgifte en verlenging van de verblijfstitel

1. Wanneer de bedenktijd verstreken is, of eerder indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de betrokken onderdaan inmiddels heeft voldaan aan het in onder b) genoemde

criterium, bekijkt een lidstaat:

a. a) of het voor het onderzoek of de gerechtelijke procedure dienstig is het verblijf van de persoon in kwestie op zijn grondgebied te verlengen, en

b) of deze duidelijk blijk heeft gegeven van zijn bereidheid tot medewerking, en

c) of deze alle banden met de vermoedelijke daders van een of meer van de in artikel 2, onder b ) en c), omschreven strafbare feiten heeft verbroken.

2. Onverminderd redenen die verband houden met de openbare orde of de bescherming van de binnenlandse veiligheid mag de verblijfstitel alleen worden afgegeven als aan de in lid 1 genoemde voorwaarden is voldaan.

(…)

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3:4 8

1. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling die:

a. slachtoffer-aangever is van mensenhandel, voor zover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan;

b. slachtoffer is van mensenhandel, voor zover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit, bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht en het slachtoffer hieraan op andere wijze dan door het doen van aangifte medewerking verleent;

(…).

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf B8

3.1

Beleidsregels

(…)

Ad 2. En 3. De verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel

De IND merkt de kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel (Model M55) ambtshalve aan als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze door de politie of KMar is doorgestuurd naar de IND.

(…)

Vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is

De IND verleent aan een vreemdeling op wie de Dublinverordening van toepassing is op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, c of g Vb louter een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als slachtoffer van mensenhandel dan wel als getuige-aangever nadat het OM heeft bericht dat de aanwezigheid van de vreemdeling noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel.

De IND beslist op een aanvraag ingediend door een vreemdeling op wie de Dublinverordening van toepassing is:

binnen een streeftermijn van 24 uur nadat een bericht is ontvangen van het OM dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel; of

zo snel mogelijk nadat een bericht is ontvangen van het OM dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland niet noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel.

Wanneer de aangifte niet is gedaan binnen een termijn van drie maanden na indiening van de eerste asielaanvraag in Nederland, kan de IND de aanvraag afwijzen zonder het bericht van het OM af te wachten.

Wanneer de vreemdeling te kennen geeft aangifte te willen doen van mensenhandel en geen aangifte heeft gedaan voorafgaand aan de overdracht, kan de DT&V besluiten de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat doorgang te laten vinden.

Kamerbrief 2732082

Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van de EU betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie.

Artikel in Trouw van 30 juli 2019, ‘Staatssecretaris, bescherm slachtoffers van mensenhandel’ van L. Esser.

Artikel in NRC-Handelsblad van 10 maart 2020, ‘Veel ouderen in Bergamo zijn ten dode opgeschreven’.

SFH/OSAR-rapport van 21 januari 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature