< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Door toedoen teveel BW-uitkering ontvangen. Gedeelte bruto-bedrag had netto terugge-vorderd moeten worden. Matiging als gevolg van toezegging niet uitgevoerd. De rechtbank stelt de wijze waarop het totaalbedrag moet worden berekend vast.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2821 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H.E. Wanrooij),

en

de korpschef van de Nationale Politie, verweerder

(gemachtigde: N. Pelzer).

Procesverloop

Met vier besluiten van 25 juli 2016 (de primaire besluiten 1 tot en met 4) heeft verweerder eisers bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (BW-uitkering) op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie (Bbwp) over diverse periodes herzien.

Bij besluit van 26 juli 2016 (het primaire besluit 5) heeft verweerder de over de periode van 3 februari 2014 tot 1 augustus 2016 aan eiser betaalde aanvullende uitkering herzien en een bedrag van € 38.295,73 bruto aan te veel ontvangen uitkering teruggevorderd.

Bij besluit van 22 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder onder meer het bezwaar van eiser gegrond verklaard, in die zin dat het terug te vorderen bedrag wordt vastgesteld op € 36.444,82 bruto. Voor het overige wordt het primaire besluit 5 gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting via Skype heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend. Verweerder heeft een reactie gegeven op vragen van de rechtbank en eiser heeft daarop gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1.1.

Eiser is per 19 januari 2011 werkloos geworden als gevolg van beëindiging van zijn aanstelling bij Politie Haaglanden.

Bij besluit van 6 januari 2012 is eiser namens verweerder door Loyalis Maatwerkadministraties B.V. (LMA), in aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), een BW-uitkering toegekend. Over de periode 19 januari 2011 tot en met 18 maart 2014 betreft dit een aanvullende uitkering en over de periode 19 maart 2014 tot en met

31 mei 2018 betreft dit een aansluitende uitkering. De BW-uitkering is gebaseerd op een arbeidspatroon van 38 uur per week en wordt vastgesteld op bepaalde percentages van het geldend bruto bovenwettelijk dagloon (recht 1).

1.2.

Eiser is sinds 13 augustus 2012 werkzaam geweest gedurende een wisselend aantal uren per week, waarbij hij nieuwe WW-rechten opbouwde. Op 12 februari 2016 heeft eiser LMA gevraagd om toekenning van een BW-uitkering per 21 december 2015 onder toezending van het besluit van het UWV van 4 februari 2016. Naar aanleiding hiervan heeft LMA eiser verzocht om toezending van andere besluiten van het UWV over zijn WW-uitkering. Eiser heeft op 13 maart 2016 het besluit van het UWV van 8 mei 2014 en op

19 juni 2016 de besluiten van het UWV van 15 juni 2016 ingezonden.

1.3.1.

Bij besluit van het UWV van 8 mei 2014 is eiser, nadat hij naast zijn WW-uitkering heeft gewerkt en omdat hij werkloos is geworden, met ingang van

3 februari 2014 een nieuwe WW-uitkering toegekend. De nieuwe uitkering komt per

3 april 2014 voor 32 uur in de plaats van de oudste uitkering naast het resterende recht van zijn per 19 januari 2011 toegekende uitkering (38-32=6 uur).

1.3.2.

Bij besluit van het UWV van 4 februari 2016 is eiser, nadat hij naast zijn WW-uitkering (gebaseerd op 37 uur per week) heeft gewerkt en minder is gaan werken, met ingang van 21 december 2015 een nieuwe WW-uitkering toegekend, berekend naar gemiddeld 24 uur per week werk en onder verrekening met de eerdere uitkeringen.

1.3.3.

Bij besluit 1 van het UWV van 15 juni 2016 is eiser in verband met werkloosheid met ingang van 6 oktober 2014 een WW-uitkering toegekend (gebaseerd op gemiddeld 10/37 uur per week).

1.3.4.

Bij besluit 2 van het UWV van 15 juni 2016 is eiser, nadat hij naast zijn WW-uitkering (gebaseerd op 37 uur per week) heeft gewerkt en minder is gaan werken, met ingang van 27 april 2015 een WW-uitkering toegekend (gebaseerd op gemiddeld 11/27 uur per week).

1.4.1.

Bij het primaire besluit 1 van 25 juli 2016 is namens verweerder door APG meegedeeld dat de BW-uitkering beëindigd had moeten worden, omdat eiser weer is gaan werken. Eiser is weer werkloos geworden. Als gevolg van het besluit van het UWV van

8 mei 2014 is een garantie-uitkering (aanvullende BW-uitkering) toegekend op basis van gemiddeld 32 arbeidsuren per week, die wordt berekend per 3 februari 2014 en 3 april 2014 (recht 2). Recht 1 komt hierdoor voor 6 uur tot uitbetaling, echter vanaf 14 augustus 2015 vanwege een te late aanvraag.

1.4.2.

Bij het primaire besluit 2 van 25 juli 2016 is als gevolg van het besluit 1 van het UWV van 15 juni 2016 een garantie-uitkering toegekend op basis van 37 uur, die wordt berekend per 6 oktober 2014, 6 december 2014 en 26 juli 2016 (recht 3). Recht 1 en 2 komen, gelet op de omvang van recht 3, niet meer tot uitbetaling. Recht 3 komt vanaf

14 augustus 2015 tot uitbetaling vanwege een te late aanvraag.

1.4.3.

Bij het primaire besluit 3 van 25 juli 2016 is als gevolg van het besluit 2 van het UWV van 15 juni 2016 een garantie-uitkering toegekend voor 11 uren per week, die wordt berekend per 27 april 2015, 27 juni 2015 en 26 juli 2016 (recht 4). Recht 4 komt vanaf

14 augustus 2015 tot uitbetaling vanwege een te late aanvraag. Recht 3 is met ingang van

27 april 2015 voor 27 uren beëindigd, waardoor er van dit recht nog 10 uren resteren.

1.4.4.

Bij het primaire besluit 4 van 25 juli 2016 is als gevolg van het besluit van het UWV van 4 februari 2016 een garantie-uitkering toegekend voor 24 uren per week, die wordt berekend per 21 december 2015, 21 februari 2016 en 26 juli 2016 (recht 5).

1.4.5.

Bij het primaire besluit 5 van 26 juli 2016 heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 3 februari 2014 is herzien en dat van hem een bedrag van

€ 38.295,73 bruto aan te veel ontvangen uitkering teruggevorderd over de periode van

3 februari 2014 tot 1 augustus 2016.

1.5.

Eiser heeft bij brief van 24 augustus 2016 bezwaar gemaakt tegen de herziening en terugvordering van zijn BW-uitkering.

1.6.

Na de bezwaarhoorzitting op 5 december 2016 heeft eiser het besluit van het UWV van 23 november 2016 ingezonden, waarbij het primaire besluit van het UWV van

3 februari 2016 is herzien in die zin dat is vastgesteld dat eiser over de periode

13 augustus 2012 tot en met 20 december 2015 te veel voorschot WW-uitkering heeft ontvangen en dat de terugvordering daarvan is verminderd naar € 1.433,08 bruto.

1.7.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 5 gegrond verklaard, in die zin dat het terug te vorderen bedrag wordt vastgesteld op € 36.444,82 bruto. Voor het overige wordt dit primaire besluit gehandhaafd. Voorts wordt een vergoeding van proceskosten toegekend voor de bezwaarprocedure.

1.8.

Bij brief van 3 juni 2021 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat met eiser een aflossingsregeling is getroffen, inhoudende dat hij maandelijks € 50,- aflost op de vordering.

Wat is het standpunt van partijen?

2. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiser hem niet tijdig heeft geïnformeerd over zijn WW-uitkeringsrechten en daarmee zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hierdoor is door zijn toedoen onverschuldigd betaald. Daarnaast heeft verweerder (meer) subsidiaire standpunten vermeld. Het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 5 is gegrond verklaard, in die zin dat het terug te vorderen bedrag, na vergelijking van het bedrag dat eiser heeft ontvangen en het bedrag waar hij recht op heeft, wordt vastgesteld op € 36.444,82 bruto. Voor het overige wordt dit primaire besluit gehandhaafd. Voorts wordt een vergoeding van proceskosten toegekend voor de bezwaarprocedure.

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij recht heeft op de BW-uitkering naast zijn WW-uitkering en hij mocht ervan uitgaan dat deze garantie-uitkering terecht was toegekend. Hij kon niet weten dat hij teveel of ten onrechte uitkering ontving.

Er is sprake is van gewekt vertrouwen door het Hoofd APG cq van de Afdeling Beroep en Bezwaar, de heer [A] . [A] heeft meegedeeld dat, gelet op de lange duur van de bezwaarprocedure, er een voor beide partijen redelijke beslissing zou komen. Dat de vordering is verlaagd naar het huidige bedrag acht eiser niet redelijk. Eiser acht een bruto-terugvordering onzorgvuldig, nu hij alleen nettobedragen uitgekeerd heeft gekregen. Eiser stelt dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 36, zesde lid, van de WW, op grond waarvan terugvordering niet zou mogen plaatsvinden. De terugvordering heeft tot onaanvaardbare medische en sociale consequenties geleid. Eiser heeft door deze aangelegenheid de nodige psychische klachten gekregen. De vordering zal overgaan op zijn dochters. Hij zal zijn huis moeten verkopen. Een afbetalingsregeling helpt hem, gelet op zijn draagkracht, niet en hij zal het bedrag bij leven nooit kunnen aflossen.

Wat is het oordeel van de rechter?

4.1.

Verweerder heeft in het bestreden besluit (pagina 4) expliciet vermeld dat eisers bezwaar is gericht tegen de herziening en terugvordering van de BW-uitkering. De rechtbank stelt, anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, vast dat eisers bezwaar, gelet op de inhoud daarvan, is gericht tegen zowel de herziening van zijn uitkering als de terugvordering. De primaire besluiten 1 tot en met 4 zijn derhalve niet in rechte komen vast te staan. Nu verweerder in het bestreden besluit de herziening uitvoerig heeft gemotiveerd, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat verweerder bij het bestreden besluit ook de primaire besluiten 1 tot en met 4 heeft gehandhaafd.

De rechtbank stelt vast dat de aflossingsafspraak geen onderdeel uitmaakt van dit geschil.

4.2.

De rechtbank overweegt dat uit de systematiek van het Bbwp volgt dat de WW op onderdelen van overeenkomstige toepassing is. De BW-uitkering is een aanvullende uitkering op de WW-uitkering. Anders dan eiser meent, worden de WW-uitkering en de BW-uitkering, niet in volle omvang naast elkaar toegekend. De informatie over de WW-uitkeringsrechten, die gelet op de inlichtingenplicht op grond van de WW door de betrokkene moet worden ingediend in het kader van de BW-uitkering, is dan ook bepalend voor het vaststellen van de hoogte van de BW-uitkering.

4.3.

Verweerder heeft bij brief van 14 september 2020, aangevuld bij brief van

3 juni 2021, een nadere toelichting gegeven op de besluitvorming terzake de herziening van de BW-uitkering. Daarbij is meegedeeld dat bij de primaire besluiten 1 tot en met 4 is meegedeeld dat de BW-uitkering van eiser beëindigd had moeten worden, omdat eiser weer is gaan werken. Er zijn geen beëindigingsbesluiten genomen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij verweerder tijdig geïnformeerd over alle WW-toekenningsbesluiten van het UWV. Dat hij uit eigener beweging het UWV-besluit van 4 februari 2016 heeft toegezonden, kan hier niet aan afdoen. Uit dit besluit bleek dat sprake was van eerdere besluitvorming van het UWV over uitkeringsrechten in eerdere jaren, die niet door eiser was overgelegd. Eiser heeft eerst daarna en op verzoek van verweerder het besluit van 8 mei 2014 ingezonden. Eiser heeft derhalve nagelaten verweerder uit eigen beweging onverwijld te informeren over de wijzigingen van zijn WW-uitkering en de daarover genomen besluiten. Dat geen sprake is van opzet of kwade trouw, zoals verweerder ook erkent, neemt niet weg dat eiser redelijkerwijs kon weten dat die informatie van belang was voor zijn BW-uitkering. Eiser heeft ter zitting meegedeeld dat hij destijds zwaar depressief was, het niet helder heeft kunnen inzien en doorgeven aan verweerder. Hij was het ook vergeten. De rechtbank overweegt dat eiser enkele medische stukken heeft ingezonden, maar hiermee is niet onderbouwd dat hij - in de gehele periode waarover zijn BW-uitkering is herzien – in het geheel niet in staat was om informatie over zijn WW-uitkering aan verweerder te zenden. Nu eiser derhalve de op hem rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen heeft verweerder terecht de aanspraken op de BW-uitkering met terugwerkende kracht herzien. Voorts heeft verweerder op goede gronden aangenomen dat door toedoen van eiser onverschuldigd BW-uitkering betaald. Nu het primaire standpunt van verweerder op dit punt wordt gevolgd, behoeven de (meer) subsidiaire standpunten geen nadere beschouwing. Verweerder was gelet op het vorenstaande gehouden om de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen.

4.4.

Met betrekking tot de onderbouwing van de herziening van de BW-uitkering bij de primaire besluiten 1 tot en met 4 en de hoogte van het bedrag aan onverschuldigd betaalde BW-uitkering volgt de rechtbank verweerders berekening, zoals nader toegelicht en onderbouwd in het schrijven van 14 september 2020. Eiser heeft die onderbouwing ook niet gemotiveerd betwist.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter vindt terugvordering plaats in de vorm van bruto te veel betaalde bedragen indien de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten.

Verweerder heeft over de periode 3 februari 2014 tot 1 januari 2016 op goede gronden bruto teruggevorderd. Bij het primaire besluit 5 van 26 juli 2016, gehandhaafd bij het bestreden besluit, is ook onverschuldigd betaalde BW-uitkering over de periode

1 januari 2016 tot 1 augustus 2016 bruto teruggevorderd. Dit betreft echter het lopende fiscale tijdvak. Verweerder heeft ter zitting erkend dat in dit geval de periode 2016 netto teruggevorderd had moeten worden. De rechtbank is, nu over deze periode 2016 ten onrechte bruto is teruggevorderd, van oordeel dat het bestreden besluit en ook het primaire besluit 5 op dit punt niet in stand kunnen blijven. Het nadere standpunt van verweerder in de brief van 14 september 2020 kan hier niet aan afdoen, omdat de datum van het primaire (terugvorderings)besluit hiertoe bepalend is.

4.6.

Verweerder heeft erkend dat de bezwaarprocedure te lang heeft geduurd. De reden daarvoor was onder meer dat er veel personele wijzigingen zijn geweest onder de behandelaars, deze zaak is overgenomen en het dossier van eiser een tijd zoek is geweest.

Met betrekking tot het gewekte vertrouwen heeft [A] , namens verweerder, de rechtbank in het verweerschrift van 3 juli 2020 meegedeeld dat de vordering is gematigd naar € 36.444,82 en dat uit de toezegging niet kan worden afgeleid dat de vordering nog verder gematigd of helemaal kwijtgescholden wordt.

De rechtbank leidt hieruit af dat er volgens [A] sprake is geweest van een toezegging dat er voor beide partijen een redelijke beslissing zou komen en dat daarom de vordering in het bestreden besluit is gematigd en dat dit voldoende werd geacht. De vermindering van het terug te vorderen bedrag in het bestreden besluit heeft echter niet plaatsgevonden op grond van deze toezegging. Deze vermindering was het gevolg van een herberekening. Verweerder heeft ter zitting erkend dat er een intentie was om de terugvordering te matigen als gevolg van de toezegging maar dat de doorgevoerde matiging inderdaad niet om die reden is gedaan.

Het nadere standpunt van verweerder in de brief van 14 september 2020 dat niets bekend is over een toezegging van [A] acht de rechtbank in het licht van het voorgaande niet geloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank staat genoegzaam vast dat er wel sprake is geweest van de toezegging van [A] dat er, gelet op de lange duur van de bezwaarprocedure, een redelijke beslissing op bezwaar zou volgen en dat die inhield dat er om die reden tot matiging van het terugvorderingsbedrag zou worden overgegaan, hetgeen feitelijk niet is gebeurd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan het bestreden besluit ook op dit punt een gebrek kleeft. Gelet op die toezegging stond het verweerder niet meer vrij om het bestreden besluit te nemen zonder enige matiging van het terug te vorderen bedrag.

4.7.

De rechtbank vindt verder, anders dan verweerder, dat de omstandigheden van het geval wel een dringende redenen vormen om het terug te vorderen bedrag te matigen. Ook de rechtbank vindt dat de bezwarenprocedure buitensporig lang heeft geduurd. De door verweerder gegeven verklaringen voor deze lange duur (zie 4.6.) komen geheel voor rekening van verweerder en kunnen eiser niet worden aangerekend. Eiser heeft daardoor lang in onzekerheid verkeerd. Dat dit een grote impact gehad op eisers psychisch welbevinden, zoals eiser heeft beschreven in de door hem opgestelde en door zijn huisarts mede ondertekende schriftelijke verklaring van 5 mei 2019 en ter zitting nader heeft toegelicht, is de rechtbank voldoende aannemelijk geworden.

Bij eiser is daarnaast inmiddels een levensbedreigende ziekte vastgesteld en zijn situatie gaat hard achteruit.

4.8.

Zoals uit het voorgaande blijkt kleven aan het bestreden besluit meerdere gebreken. Verweerder heeft over 2016 ten onrechte bruto teruggevorderd, heeft ten onrechte de toezegging om het terugvorderingsbedrag te matigen niet gestand gedaan en heeft ten onrechte in de omstandigheden van het geval geen dringende redenen gezien om het terugvorderingsbedrag te matigen.

Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om met het oog op een finale geschillenbeslechting te beslissen als volgt.

Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, voor zover daarbij het terugvorderingsbedrag gewijzigd is vastgesteld op € 36.444,82.

De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit 5 voor wat betreft de hoogte van het terugvorderingsbedrag herroepen en bepalen dat het terugvorderingsbedrag voorover dat ziet op terugvordering van betalingen in 2016 alsnog netto wordt vastgesteld. Het totale terugvorderingsbedrag dat na deze correctie overblijft zal vervolgens met 1/3 worden gematigd, waardoor 2/3 van dit bedrag uiteindelijk verschuldigd blijft.

Eiser heeft inmiddels een groot bedrag betaald aan verweerder. Verweerder dient binnen vier weken na heden met inachtneming van het voorgaande het door eiser uiteindelijk verschuldigde bedrag vast te stellen en te verrekenen met hetgeen eiser heeft voldaan in augustus 2021 en het restant terug te betalen aan eiser. Daarbij dient ook de latere verrekening van het tegoed van € 1.622,74 te worden betrokken.

5. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Verweerder heeft bij het bestreden besluit reeds de in bezwaar gemaakte proceskosten toegekend.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit 5 voor wat betreft de hoogte van het terug te vorderen bedrag en bepaalt dat

a. het terug te vorderen bedrag voorover dat ziet op betalingen in 2016 alsnog netto wordt vastgesteld;

b. het totale terug te vorderen bedrag dat na de correctie onder a overblijft wordt verminderd met 1/3, waardoor 2/3 van dit bedrag uiteindelijk verschuldigd is door eiser;

c. verweerder het onder b. bedoelde bedrag verrekent met het in augustus 2021 door hem betaalde bedrag en het restant terugbetaalt aan eiser;

d. verweerder binnen vier weken na datum van deze uitspraak uitvoering geeft aan

het hiervoor bepaalde bij a, b en c;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2021.

griffier rechter

de griffier is buiten staat om

deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 1 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:892) en van 14 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3323)


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature