< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Tussenuitspraak. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit. Zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van het amv-buitenschuldbeleid is afgewezen. De afwijzing van deze aanvraag houdt tevens een terugkeerbesluit in. Dit brengt mee dat de overwegingen en het oordeel van het Hof in het arrest T.Q. ook gelden voor deze afwijzing. UIt verweerders motivering blijkt niet dat verweerder zelf onderzoek heeft verricht naar de beschikbaarheid van adequate opvang voor eiser in het land waar hij naar moet terugkeren. Evenmin heeft verweerder eiser daarover gehoord. Daarmee voldoet verweerders besluitvorming niet aan het arrest T.Q. Eiser heeft aangevoerd dat hij in aanmerking komt voor schadevergoeding omdat hem als gevolg van de afwijzing ten onrechte een bewaringsmaatregel is opgelegd. De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 71, eerste lid, van de Vw de bestuursrechter in afwijking van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb bij uitsluiting bevoegd is tot behandeling van een verzoek als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb tot vergoeding van de schade die een vreemdeling lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit ten aanzien van deze vreemdeling als zodanig. Als verweerder een nieuw besluit neemt, doent hij hierover een standpunt in te nemen.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/833

tussenuitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Procesverloop

Op 7 juni 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Bij besluit van 28 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Ook is eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Bij besluit van 22 januari 2020 en 18 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, het inreisverbod opgeheven en eiser een verblijfsvergunning verstrekt onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’, met ingang van 2 december 2019 en geldig tot 2 december 2020.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 22 juni 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Verweerder heeft op 15 augustus 2021 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 31 augustus 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. N.C. Blomjous. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze uitspraak over?

1. In geschil is of verweerder op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken (hierna: het amv-beleid) een verblijfsvergunning aan eiser had moeten verstrekken. De verblijfsvergunning die verweerder alsnog bij het bestreden besluit heeft verleend is namelijk niet de vergunning die eiser had aangevraagd. De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet op grond van het amv-beleid voor een verblijfsvergunning in aanmerking komt. Het bestreden besluit heeft daarom een gebrek en de rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. De rechtbank legt hierna uit waarom ze tot deze conclusie is gekomen.

Wat verder speelt rondom deze zaak

2. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2001. Hij is een Sjiitische moslim en behoort tot de Hazara bevolkingsgroep. Hij is geboren in Iran en heeft daar zijn hele leven gewoond. Hij is samen met zijn broertje [naam] uit Iran gevlucht, zijn ouders zijn in Iran achter gebleven.

2.1

Op 3 december 2015 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft bij uitspraak van 15 augustus 2018 het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak 23 januari 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2.2

Bij besluit van 21 augustus 2019 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op diezelfde dag heeft verweerder ook aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ) opgelegd. Bij uitspraak van de rechtbank van 6 september 2019 is het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod gegrond verklaard en het beroep tegen de maatregel ongegrond.

2.3

Op 28 augustus 2019 heeft verweerder het primaire besluit in deze zaak genomen, waarbij hij eisers aanvraag om een verblijfsvergunning regulier op grond van het amv-beleid heeft afgewezen.

2.4

Bij besluit van 28 augustus 2019 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

2.5

Op 3 september 2019 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 10 juni 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 8 oktober 2019 vernietigd.

2.6

Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 3 september 2019 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw opgelegd. Bij uitspraak van 16 september 2019 heeft de rechtbank het beroep tegen de maatregel van 28 augustus 2019 gegrond verklaard en het beroep tegen de maatregel van 3 september 2019 ongegrond.

2.7

Bij uitspraak van 3 oktober 2019 heeft de rechtbank het beroep tegen de voortduring van de maatregel van 3 september 2019 ongegrond verklaard.

2.8

Bij uitspraak van 21 november 2019 heeft de rechtbank het beroep tegen de voortduring van de maatregel van 3 september 2019 gegrond verklaard en geoordeeld dat de maatregel met ingang van 29 oktober 2019 onrechtmatig is. De rechtbank heeft aan eiser een schadevergoeding toegekend van € 880,-.

2.9

Op 22 januari 2020 en 18 februari 2020 heeft verweerder het bestreden besluit in deze zaak genomen, waarbij hij de afwijzing van eisers aanvraag om een verblijfsvergunning regulier op grond van het amv-beleid heeft gehandhaafd maar hem wel een verblijfsvergunning heeft verleend onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’, geldig van 2 december 2019 tot 2 december 2020 en het aan eiser opgelegde inreisverbod heeft opgeheven.

2.10

Bij besluit van 23 december 2020 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning verlengd tot 2 december 2021.

Het oordeel van de rechtbank

3. In paragraaf B8/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals die gold ten tijde van de aanvraag van 7 juni 2019, is het volgende bepaald:

“Op grond van artikel 3.48 van het Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het specifieke buitenschuldbeleid aan een amv als de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

- de vreemdeling is alleenstaand;

- de vreemdeling is (nog) minderjarig;

- de vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar;

- voor de vreemdeling is in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naartoe kan gaan geen adequate opvang of het vertrek kan buiten de schuld van de vreemdeling niet plaatsvinden en hij heeft zich actief ingezet om zijn vertrek te realiseren.”

3.1

In het arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2021, T.Q., staat onder meer:“48. Vanuit dat perspectief bepaalt artikel 10, lid 1, van richtlijn 2008 /115 dat voordat een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige wordt uitgevaardigd, met gepaste aandacht voor het belang van het kind hulp wordt geboden door bevoegde instanties anders dan de autoriteiten die de terugkeer uitvoeren. Artikel 10, lid 2, van die richtlijn bepaalt dat voordat de autoriteiten van een lidstaat een niet-begeleide minderjarige van hun grondgebied verwijderen, zij zich ervan overtuigen dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer.

(…)

55. Uit deze bepalingen vloeit voort dat de betrokken lidstaat, alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen, concreet moet onderzoeken of er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer.

(…)

59. Hieruit volgt dat wanneer de bevoegde nationale autoriteit voornemens is een terugkeerbesluit uit te vaardigen, zij aan de door artikel 5 van richtlijn 2008 /115 opgelegde verplichtingen moet voldoen en zij de betrokkene daarover moet horen. Bovendien volgt uit deze rechtspraak dat de betrokken lidstaat, wanneer deze voornemens is een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige uit te vaardigen, die minderjarige moet horen over de omstandigheden waarin hij in het land van terugkeer kan worden opgevangen.

60. Op grond van het voorgaande moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008 /115, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a), van de ze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de betrokken lidstaat, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet-begeleide minderjarige, de situatie van die minderjarige algemeen en grondig moet toetsen, rekening houdend met het belang van het kind. In dat kader dient die lidstaat zich ervan te overtuigen dat er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer.”

3.2

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser ten tijde van zijn aanvraag op 7 juni 2019 minderjarig en alleenstaand was. Ook was eiser ten tijde van zijn eerste asielaanvraag op 3 december 2015 nog geen vijftien jaar oud. Daarmee voldoet eiser ten tijde van zijn aanvraag aan de eerste drie voorwaarden genoemd in paragraaf B8/6.1 van de Vc.

3.3

De rechtbank overweegt verder dat het rechtsgevolg van het besluit tot afwijzing van de door eiser aangevraagde vergunning is dat eiser niet meer in Nederland mag zijn en dat de terugkeerprocedure op de datum van deze afwijzing is hervat. Verweerder heeft dit ook in het primaire besluit aangegeven. Dit betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag om een verblijfsvergunning regulier op grond van het amv-beleid tevens een terugkeerbesluit inhoudt. Dit brengt mee dat de overwegingen en het oordeel van het Hof van Justitie in het arrest T.Q. ook gelden voor deze afwijzing. Eiser heeft betoogd dat er voor hem bij terugkeer geen adequate opvang is. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het amv-beleid omdat niet is gebleken dat er voor eiser geen adequate opvang in Afghanistan of een ander land is. Volgens verweerder heeft eiser niet onderbouwd dat hij zich niet met zijn ouders kan herenigen in Afghanistan dan wel in Iran, dan wel dat er geen andere familieleden tot in de vierde graad zijn waarmee eiser zich in Afghanistan kan herenigen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze motivering niet dat verweerder zelf onderzoek heeft verricht naar de beschikbaarheid van adequate opvang voor eiser in het land waar hij naar terug moet keren. Evenmin heeft verweerder eiser gehoord over de omstandigheden waarin hij in het land van terugkeer kan worden opgevangen. Daarmee voldoet verweerders besluitvorming bij de afwijzing van eisers aanvraag om een verblijfsvergunning regulier op grond van het amv-beleid niet aan het arrest T.Q.; verweerder heeft daarbij niet voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de Terugkeerrichtlijn. Verweerders standpunt dat eiser dient aan te tonen dat hij zich niet kan herenigen met zijn ouders in Afghanistan of Iran dan wel dat eiser dient aan te tonen dat er geen andere familieleden in Afghanistan zijn die hem adequate opvang kunnen bieden, volgt de rechtbank niet. Uit het arrest T.Q. volgt immers juist dat verweerder zich ervan moet overtuigen dat eiser wordt teruggestuurd naar een familielid of dat er adequate opvangfaciliteiten zijn in het land waarnaar hij wordt teruggestuurd. Dat heeft verweerder dus ten onrechte niet gedaan. Dat het arrest T.Q. van latere datum is dan het primaire besluit betekent niet dat het niet van toepassing is. De verplichtingen op grond van de Terugkeerrichtlijn golden toen ook al. Wat eiser heeft aangevoerd slaagt daarom.

Conclusie

4. Uit de overwegingen hiervoor volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet aanleiding om verweerder de gelegenheid te geven dit gebrek te herstellen. Verweerder dient - binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak - mee te delen of hij van deze gelegenheid gebruik wil maken. Als dat zo is, dient verweerder in het bestreden besluit ook het volgende te betrekken.

4.1

In beroep heeft eiser betoogd dat hij in aanmerking komt voor schadevergoeding, omdat hem als gevolg van het primaire besluit ten onrechte een bewaringsmaatregel is opgelegd. Verweerder meent dat eiser niet in aanmerking komt voor een schadevergoeding omdat artikel 106 van de Vw een exclusieve regeling geeft voor schadevergoeding na opheffing van een vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij komt volgens verweerder dat de rechtmatigheid van de maatregelen van bewaring al is getoetst in de bewaringsprocedures. De rechtbank overweegt echter dat eiser het primaire besluit heeft aangewezen als oorzaak van zijn gestelde schade omdat hem als gevolg daarvan achteraf bezien ten onrechte een bewaringsmaatregel is opgelegd. Het primaire besluit is niet beoordeeld in de bewaringsprocedures. Op grond van artikel 71a, eerste lid, van de Vw is de bestuursrechter in afwijking van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb bij uitsluiting bevoegd tot behandeling van een verzoek als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb tot vergoeding van schade die een vreemdeling lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit ten aanzien van deze vreemdeling als zodanig. Als verweerder een nieuw besluit neemt, dient hij hierover een standpunt in te nemen.

4.2

Als verweerder gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen, dient hij dit binnen acht weken na het verzenden van deze uitspraak te doen.

4.3

Binnen vier weken nadat verweerder heeft bericht op welke wijze hij het gebrek heeft hersteld, kan eiser schriftelijk zijn zienswijze hierover naar voren brengen.

4.4

Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel, dan wel na het ongebruikt verstrijken van de termijn van acht weken voor het herstel, zal de rechtbank binnen zes weken na het verstrijken van de gestelde termijn of het ontvangen van het bericht van verweerder einduitspraak doen. Als verweerder is overgegaan tot herstel, zal de rechtbank einduitspraak doen binnen zes weken na het verstrijken van de termijn van vier weken voor de zienswijze van eiser. Tenzij er aanleiding bestaat anders te beslissen, zal de rechtbank een nader onderzoek ter zitting achterwege laten.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen, onder de voorwaarde dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank te kennen geeft van die gelegenheid gebruik te willen maken;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter, mr. S. Mac Donald en mr. H. Battjes, rechters, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2021.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

RechtsmiddelTegen deze tussenuitspraak kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de nog te wijzen einduitspraak.

NL17.13054 en NL17.13057

201807392/1/V2

NL19.19692 en NL19.19972

NL19.23876

NL19.20267 en NL19.20797

NL19.22455

NL19.25082

ECLI:EU:C:2021:9, C-441/19

Richtlijn 2008/115/EU


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature