< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

mondelinge uitspraak, vw mocht afzien van horen in bezwaar.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/9034

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2021 in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Procesverloop Bij besluit van 11 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ) afgewezen.

Bij besluit van 4 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser voert in beroep enkel aan dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord.

2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft geconcludeerd dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat daarom van het horen in bezwaar kon worden afgezien. Verweerder mag, gelet op vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter, in principe uitgaan van de juistheid en volledigheid van het BMA-advies uitgaan. De rechtbank stelt vast dat door eiser in bezwaar geen concreet aanknopingspunt is aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht als kennelijk ongegrond kunnen aanmerken en om die reden van het horen in bezwaar kunnen afzien. De stelling van eiser ter zitting dat er ook andere medische klachten spelen, dat deze door zijn financiële situatie niet onderbouwd konden worden en het BMA hem daarom had moeten onderzoeken, is pas in beroep voor het eerst naar voren gebracht en leidt daarom niet tot een ander oordeel.

3. Het beroep is daarom ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Biermann, griffier, op 5 augustus 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie hiertoe bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2017:3290.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature