< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Pv mondelinge uitspraak. Vovo hangende bezwaar. Familieleven met referent aangenomen maar belangenafweging in nadeel kunnen laten uitvallen. Vovo afgewezen.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/7398

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 januari 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , geboren op [1961] , van Surinaamse nationaliteit, verzoekster

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘verblijf bij partner [partner 1] ’ afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2021. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar partner [partner 1] (referent). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

2. Bij de beoordeling acht de voorzieningenrechter met name van belang of het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag een redelijke kans van slagen heeft.

3. Verzoekster heeft van 14 oktober 2016 tot 16 maart 2017 een vergunning gehad voor ‘verblijf bij partner [partner 2] ’. Bij besluit van 26 april 2017 is de verblijfsvergunning ingetrokken en is een terugkeerbesluit opgelegd. Verzoekster heeft op 26 maart 2020 een aanvraag ingediend voor een vergunning voor ‘verblijf bij partner [partner 1] ’. De vorige verblijfsvergunning is meer dan twee jaar verlopen, waardoor het mvv-vereiste van toepassing is. Verzoekster komt volgens verweerder niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Er is sprake van familieleven met referent, maar de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM valt in het nadeel van verzoekster uit. Verder is er geen sprake van bijzondere omstandigheden waardoor de hardheidsclausule toegepast moet worden. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 maart 2020 volgt dat verweerder niet is gehouden om te beoordelen of verzoekster voldoet aan de materiële vereisten voor gezinshereniging als geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarnaast legt verweerder een inreisverbod op voor de duur van twee jaar. In het verweerschrift schrijft verweerder dat weliswaar wordt aangenomen dat er subjectieve belemmeringen zijn het familie- en gezinsleven in Suriname uit te oefenen maar dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van objectieve belemmeringen.

3. Verzoekster is het daar niet mee eens. Er is voldaan aan de voorwaarden voor de vergunning aangezien er sprake is van gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM . Verzoekster verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 29 maart 2019, waarin wordt gezegd dat als er aan de materiële voorwaarden wordt voldaan en er ook sprake is van bijzondere omstandigheden het mvv-vereiste niet mag worden tegengeworpen. Gelet op de leeftijd van de partners en de huidige situatie met de corona uitbraak is er sprake van bijzondere omstandigheden die objectieve en subjectieve belemmeringen opleveren voor het uitoefenen gezinsleven. Verder blijkt uit de medische gegevens van referent dat hij niet naar Suriname zou kunnen gaan om het familieleven met verzoekster daar uit te oefenen en ook is aangevoerd dat hij sociaal en emotioneel gebonden is aan Nederland.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit familieleven in Nederland met referent aanneemt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de inmenging in het gezinsleven van verzoekster met referent en het privéleven van verzoekster gerechtvaardigd is, en de belangenafweging in het nadeel van verzoekster heeft mogen laten uitvallen. Daarbij heeft verweerder zwaar gewicht mogen toekennen aan het feit dat verzoekster het familieleven is aangegaan terwijl zij niet in het bezit was van een verblijfsvergunning en er een terugkeerbesluit is opgelegd. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat er geen objectieve belemmering is om het familieleven in Suriname, of elders buiten de EU tijdelijk uit te oefenen. De omstandigheid dat referent medische gecontroleerd moet worden maakt niet dat sprake is van een objectieve belemmering. Niet is gebleken dat in Suriname dat niet kan en ook is niet gebleken dat de mentale bijstand van eiseres aan referent niet tijdelijk via communicatiemiddelen kan plaatsvinden. De mogelijkheid dat referent in de toekomst wederom voor zijn jongste dochter – op welke manier dan ook – zal moeten zorgen, maakt ook niet dat sprake is van objectieve belemmeringen. Het staat immers niet vast dat dit aan de orde zal zijn en ook is niet gebleken dat dit niet door iemand anders, bijvoorbeeld de oudste dochter, kan worden gedaan. Verder heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij banden heeft met Nederland die de normale banden overstijgen. Daartoe heeft verweerder onvoldoende mogen vinden dat verzoekster in Nederland werkt, dan wel heeft gewerkt en de Nederlandse taal beheerst. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat verzoekster een substantieel deel van haar leven in Suriname heeft gewoond.

5. De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat verweerder heeft kunnen stellen dat de omstandigheden die zijn aangevoerd, zoals de leeftijd van eiseres en referent in combinatie met corona uitbraak, geen bijzondere omstandigheden zijn waardoor de hardheidsclausule toegepast moet worden. Gelet daarop heeft verweerder niet hoeven te beoordelen of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de verblijfsvergunning. Dit volgt uit de uitspraak van de ABRvS van 16 maart 2020.

6. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat op grond van de nu voorliggende gegevens het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

7. Aangezien ook overigens, gelet op de betrokken belangen, in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat voor het treffen van de gevraagde voorziening, zal het verzoek daarom worden afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

5 januari 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

ECLI:NL:RVS:2020:759.

ECLI:NL:RVS:2019:1001.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature