E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBDHA:2021:10949
Rechtbank Den Haag, AWB 21/2479

Inhoudsindicatie:

Inreisverbod, terugkeerbesluit, ‘in absentia’-procedure, terugkeertermijn

Wetsartikelen: artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw , paragraaf A4 /2.4.3 Vc

Samenvatting:

Eiseres heeft sinds het moment van opleggen van het terugkeerbesluit altijd procedureel rechtmatig verblijf gehad. Zij mocht immers de door haar ingediende bezwaarschriften en aanvragen in Nederland afwachten. Dit heeft tot gevolg dat de termijn waarbinnen eiseres Nederland diende te verlaten nooit is aangevangen en dat daarmee de vertrektermijn evenmin is aangevangen. Verweerders stelling dat procedureel rechtmatig verblijf een ander karakter heeft en, zo de rechtbank begrijpt, onverlet laat dat de vertrektermijn van het terugkeerbesluit is aangevangen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit standpunt zou immers tot de zich gelijktijdig voordoende, maar elkaar uitsluitende situaties leiden, waarbij de vreemdeling enerzijds procedureel rechtmatig verblijf heeft, maar anderzijds Nederland toch zou moeten verlaten omdat anders niet wordt voldaan aan het terugkeerbesluit en de vreemdeling het risico loopt om een inreisverbod te krijgen. Er is daarom geen sprake van een situatie waarbij eiseres niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn Nederland heeft verlaten. Er is dus niet voldaan aan artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw . Verweerder heeft daarom ten onrecht een inreisverbod opgelegd.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie