< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Intrekking reguliere verblijfsvergunning / zorgvuldigheidsgebrek / zwaar inreisverbod / bijna 30 jaar rechtmatig verblijf / 14 jaar in criminele circuit / meerdere (gewelds)misdrijven / geen bestendige positieve gedragsverandering / geen strijd met de artikelen 3 en 8 EVRM / beroep ongegrond

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.21273

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop Bij besluit van 30 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken met ingang van 21 april 2017. Verweerder heeft tevens bepaald dat eiser Nederland en de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten en heeft aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Omdat eiser niet was aangevoerd, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. Het onderzoek ter zitting is via een Skype -verbinding voortgezet op 27 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Eiser is op [geboortedatum] , hij was toen een [leeftijd] oud, met het gezin van zijn moeder naar Nederland gekomen. Het verzoek om toelating als vluchteling heeft verweerder afgewezen. Aan eiser is een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden verleend. Deze vergunning is met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet ( Vw ) 2000 van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

1.3.

Op 27 augustus 2014 heeft verweerder aan eiser het voornemen bekend gemaakt zijn verblijfsvergunning met ingang van 13 augustus 2012 in te trekken en hem een zwaar inreisverbod van tien jaar op te leggen. Hierover is eiser op 17 november 2014 gehoord. Met een brief van 20 mei 2015 heeft verweerder aan eiser laten weten dat hij gelet op alle bekende feiten en omstandigheden besloten heeft zijn vergunning niet in te trekken en geen inreisverbod op te leggen. Daarbij is eiser erop gewezen dat, mocht hij opnieuw veroordeeld worden voor strafbare feiten, alsnog tot intrekking van zijn vergunning en het opleggen van een inreisverbod kan worden besloten.

1.4.

Verweerder heeft eiser met een brief van 11 augustus 2017 bericht dat hij hem wil horen omdat hij informatie heeft ontvangen waaruit blijkt dat eiser is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. In de brief staat dat dit aanleiding kan geven om zijn verblijfsvergunning in te trekken. Ook is eiser erop gewezen dat hij zich kan laten bijstaan door een advocaat. Eiser is op 29 augustus 2017 gehoord. Op 11 januari 2019 heeft verweerder aan eiser het voornemen bekend gemaakt zijn verblijfsvergunning in te trekken en hem een zwaar inreisverbod van tien jaar op te leggen, omdat hij ernstige misdrijven heeft gepleegd, ten gevolge waarvan hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen, maar eiser heeft hier geen gebruik van gemaakt.

1.5.

Op 30 juli 2019 heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Verweerder heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd. Eiser zit al ruim veertien jaar in het criminele circuit. Eiser is onherroepelijk veroordeeld voor een groot aantal misdrijven. Hij is veroordeeld tot in totaal 34 maanden gevangenisstraf. Hij heeft zich in die tijd schuldig gemaakt aan diverse ernstige misdrijven, waarbij ook geweld is gebruikt. Het gaat daarbij – onder meer – om veroordelingen wegens (medeplegen) ter zake van diefstal met geweld, (winkel)diefstallen, belediging, vernieling, geweld in het openbaar vervoer en het wederrechtelijk binnendringen in een besloten lokaal bij een ander in gebruik. Laatstelijk is eiser door de rechtbank Noord-Holland op 2 mei 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden ter zake van diefstal met geweld. Verweerder heeft toepassing gegeven aan de glijdende schaal als bedoeld in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, zoals die geldt sinds 1 juli 2012. Verweerder heeft in het voorgaande aanleiding gezien de aan eiser verleende verblijfsvergunning in de trekken. Verweerder heeft verder aanleiding gezien om eiser een inreisverbod op te leggen voor de duur van tien jaar. Volgens verweerder vormt eiser een gevaar voor de openbare orde en valt niet uit te sluiten dat hij opnieuw misdrijven zal plegen. De intrekking van de verblijfsvergunning en het opgelegde inreisverbod zijn niet in strijd met artikel 8 van het EVRM . Het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten rechtvaardigt de inmenging in het privéleven van eiser, aldus verweerder. Het inreisverbod is opgelegd omdat eiser een werkelijke, actuele, en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Eiser zal niet worden uitgezet omdat hij in Somalië het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM .

2. In beroep heeft eiser het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. De rechtbank zal hierna eerst de beroepsgronden bespreken die zien op de intrekking en daarna de beroepsgronden die betrekking hebben op het inreisverbod. Ten slotte zal de rechtbank ingaan op de beroepsgronden met betrekking tot de artikelen 3 en 8 van het EVRM en artikel 64 van de Vw 2000 omdat deze zowel op de intrekking als het inreisverbod zien.

De intrekking van de verblijfsvergunning

3.1.

Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat eiser na het schriftelijk voornemen niet meer in persoon is gehoord. Er is daarom geen sprake geweest van een persoonlijk onderhoud als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onder b, van de Procedurerichtlijn. Verweerder is er bij het uitblijven van een reactie op het voornemen ten onrechte vanuit gegaan dat eiser zich niet wenste te verdedigen.

3.2.

De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. Op grond van artikel 45, eerste lid, onder b, van de Procedurerichtlijn moet eiser de kans worden geboden om tijdens een persoonlijk onderhoud of in een schriftelijke verklaring de redenen voor te leggen waarom de internationale bescherming niet mag worden ingetrokken. Op 29 augustus 2017 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gegeven om deze redenen voor te leggen. Daarnaast heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke zienswijze in te dienen op het voornemen om de verblijfsvergunning in te trekken. Het feit dat hij niet ten volle van deze mogelijkheden gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn rekening. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat artikel 45, eerste lid, onder b, van de Procedurerichtlijn niet is geschonden. Ook heeft verweerder niet in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld.

4.1.

Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen aanvullend voornemen heeft uitgebracht. Verweerder betrekt bij zijn besluit het delict gepleegd op 13 november 2018, terwijl dit delict niet is betrokken bij het voornemen. Eiser is zodoende de mogelijkheid ontnomen om hierop met een zienswijze te reageren.

4.2.

De rechtbank volgt eiser in zijn betoog. Door het uitblijven van een aanvullend voornemen is eiser de mogelijkheid ontnomen om in de bestuurlijke fase zijn zienswijze te geven op het feit dat verweerder alsnog ook het gepleegde delict op 13 november 2018 bij de besluitvorming heeft betrokken. Hierdoor is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb , omdat eiser door het uitblijven van een aanvullend voornemen niet in zijn belangen is geschaad. Hij heeft immers in beroep voldoende gelegenheid gehad om te reageren.

5. Eiser betoogt verder, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 juni 2019, dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 21, vierde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. De rechtbank volgt dit betoog niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft de uitspraak van 11 juni 2019 met haar uitspraak van 17 juni 2020 vernietigd. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat artikel 21, vierde lid, van de Vw 2000 niet strekt tot bescherming van de verblijfspositie van tweede-generatie-vreemdelingen indien de desbetreffende vreemdeling, nadat hij van rechtswege een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft verkregen, delicten pleegt die grond bieden om die verblijfsvergunning in te trekken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier in het geval van eiser anders over te oordelen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

6. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn betoog dat zijn verblijfsvergunning niet kan worden ingetrokken, omdat geen sprake is van een ernstig misdrijf. Verweerder heeft het misdrijf gepleegd op 20 juni 2008 (diefstal met geweld gepleegd in vereniging) gekwalificeerd als ernstig misdrijf. Bij vonnis van 4 november 2008 van de rechtbank Rotterdam is eiser hiervoor veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan acht maanden voorwaardelijk. Bij vonnis van 11 november 2010 van de rechtbank Rotterdam is de voorwaardelijke straf van acht maanden tenuitvoergelegd. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat met deze straf ruimschoots de norm van zes maanden, zoals bedoeld in paragraaf C2/7.10.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, wordt overschreden. Verweerder heeft daarbij niet alleen gekeken naar de straf die eiser heeft gekregen. Verweerder heeft ook, onder verwijzing naar het uitgebreid gemotiveerde vonnis van 4 november 2008, bij zijn oordeel betrokken wat voor impact het delict heeft gehad op het slachtoffer (de veroorzaakte schade), dat gebruik is gemaakt van een wapen en de mate van het gepleegde geweld. Verweerder heeft in dit verband onder meer genoemd dat de diefstal is gepleegd door eiser samen met twee anderen en dat de diefstal in de nacht in de woning van het slachtoffer heeft plaatsgevonden. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het slachtoffer is bedreigd met een mes, zij een theedoek in haar mond gedrukt heeft gekregen en dat een mes op haar keel is gezet. Door zo te handelen heeft eiser geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het feit dat hij naar eigen zeggen niet degene was die geweld heeft gebruikt, maakt dit volgens verweerder niet anders omdat volgens het vonnis sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee een voldoende op de zaak en de persoon van eiser toegespitste motivering gegeven als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 september 2018 en de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2020. De rechtbank volgt eisers betoog niet dat verweerder het gedrag van eiser na het plegen van het delict had moeten betrekken bij de beoordeling of sprake is van een ernstig misdrijf. Er is namelijk geen rechtsregel die verweerder hiertoe verplicht. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

Het inreisverbod

7.1.

Eiser voert aan dat hij door zijn persoonlijke gedrag geen daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Eiser heeft momenteel een ISD-maatregel. Daar krijgt hij hulp en daar zal samen met hem aan een toekomstplan worden gewerkt. Uit de brief van de huidige behandelaar van eiser blijkt dat eiser momenteel goede begeleiding krijgt en dat hij dit ook moet behouden wil hij niet terugvallen in het oude patroon. Wanneer eisers verblijfsvergunning wordt ingetrokken zal hij geen hulp meer krijgen.

7.2.

In de uitspraak van 20 november 2015 heeft de Afdeling uit het arrest Z. Zh. en I.O. afgeleid dat, voor zover thans van belang, verweerder bij zijn beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, alle feitelijke en juridische omstandigheden moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie tot het door hem gepleegde strafbare feit, zoals de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Voorts moet verweerder bij zijn beoordeling in acht nemen dat de feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraken van de Afdeling van 2 juni 2016 en

4 juli 2017.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom in het geval van eiser sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, gelet op de aard en de ernst van het misdrijf en de omstandigheden dat eiser een veelpleger is en dat niet valt uit te sluiten dat hij opnieuw misdrijven zal plegen. Daarbij heeft verweerder kunnen meewegen dat eiser al ruim veertien jaar opereert in het criminele circuit en hij zich in die tijd schuldig heeft gemaakt aan een reeks van misdrijven. Het betreft ook misdrijven waarbij geweld is gebruikt. Eiser is daarvoor onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van in totaal 34 maanden. Daarnaast is eiser nog veroordeeld tot diverse taakstraffen. Op 4 november 2008 is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden ter zake het plegen van diefstal met geweld in vereniging. Na deze veroordeling heeft eiser nieuwe misdrijven gepleegd. Daarbij komt ook gewicht toe aan de omstandigheid dat hij een gewaarschuwd man was. Verweerder had in 2014 namelijk al aan eiser kenbaar gemaakt dat hij voornemens was om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken en eiser was al gehoord, waarbij hij zelf had aangegeven dat hij nooit meer in de fout zal gaan. Desondanks heeft eiser daarna diverse misdrijven gepleegd, waaronder een geweldsmisdrijf op 21 april 2017. Volgens de strafrechter heeft eiser zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Niet alleen heeft eiser middels zijn handelen laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendom, maar hij heeft ook geweld gepleegd tegen een winkelmedewerker. Hiermee heeft eiser gevoelens van onrust en onveiligheid gecreëerd. Nadat eiser in 2017 was gehoord in verband met de intrekking van de vergunning, heeft hij ook nog meerdere misdrijven gepleegd. De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat niet is gebleken van een bestendige positieve gedragsverandering bij eiser. Zo heeft eiser in het gesprek met verweerder op 21 augustus 2017 een zeer negatieve houding aangenomen door niet in gesprek te gaan met de gehoorambtenaar en op boze toon tegen de medewerker van verweerder te spreken. Ook heeft verweerder hierbij kunnen betrekken dat ten tijde van het bestreden besluit geen recente stukken van de reclassering of andere hulpverlenende instanties zijn overgelegd waaruit blijkt van een bestendige positieve gedragsverandering bij eiser. Verweerder heeft hierbij ook kunnen betrekken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit was gedagvaard voor het plegen van een zedendelict. Het verslag van de huidige behandelaar van eiser maakt het voorgaande niet anders. Uit het verslag komt een beeld naar voren van een man met verschillende medische problemen die momenteel begeleiding en medicatie krijgt. Hieruit blijkt ook dat het recidivegevaar nog altijd niet is geweken. Het verslag van de behandelaar is naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een bestendige positieve gedragsverandering. Verweerder heeft dan ook op goede gronden aangenomen dat eiser (nog steeds) een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM

8.1.

Eiser voert - kort samengevat - aan dat de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van een zwaar inreisverbod strijd opleveren met artikel 8 van het EVRM , omdat inmenging in zijn priv éleven niet gerechtvaardigd is.

8.2.

De vraag is of verweerder van het bestreden besluit heeft moeten afzien omdat de uitzetting van eiser in strijd is met het recht op eerbiediging van zijn privéleven. Bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM een inmenging in het priv éleven en familie- of gezinsleven rechtvaardigt, moeten volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de ‘guiding principles’ uitdrukkelijk bij de afweging worden betrokken. Bij de afweging van het belang van de staat tegen het persoonlijke belang van eiser moet niet alleen ingegaan worden op de afzonderlijke beoordelingspunten, maar moeten deze ook in hun onderling samenhang worden bezien. Er moet sprake zijn van een juist evenwicht (fair balance) tussen de af te wegen belangen. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2017. De rechtbank dient in het licht van het voorgaande te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in deze belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van eiser bij uitoefening van zijn familie- en gezinsleven en anderzijds het algemene belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf betekent dat de toetsing door de rechtbank enigszins terughoudend dient te zijn.

8.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser al zeer lang in Nederland en een “settled migrant” is. Evenmin is in geschil dat de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van een zwaar inreisverbod inmenging opleveren in het recht op privéleven van eiser. Voordat de rechtbank een oordeel geeft over de vraag of de inmenging in het privéleven van eiser gerechtvaardigd is, wordt hieronder eerst een korte samenvatting gegeven van eisers persoonlijke omstandigheden.

8.4.

Eiser is naar Nederland gekomen toen hij een [leeftijd] oud was. Hij heeft toen samengewoond met zijn moeder, broers en zussen. Eisers vader woont in Saoedi-Arabië. Inmiddels wonen twee oudere zussen in Engeland. Ten tijde van het bestreden besluit had eiser geen contact met zijn familie. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij weer contact heeft met zijn moeder en met zijn in Nederland verblijvende zussen en dat die ook bij behandelgesprekken aanwezig zijn. Eiser worstelde in zijn jeugd erg met zijn homoseksuele geaardheid. Hij kwam naar eigen zeggen terecht in een vriendengroep die totaal niet bij hem paste. Eiser had ook een alcoholverslaving. Door dit alles kon hij niet meer helder denken en is hij overgehaald om misdrijven te plegen. Uit een psychologisch onderzoek uit 2008 blijkt dat bij eiser sprake is van een lichte zwakzinnigheid en een gedragsstoornis, waaraan aanlegfactoren, een onveilige hechting en pedagogische tekorten ten grondslag liggen. In 2016 belandde eiser op straat en moest hij als dakloze zien te overleven. Eiser heeft op verschillende plekken verbleven. Eiser heeft in detentie gezeten en verblijft momenteel in [verblijfplaats] in het kader van een ISD-maatregel. Hier krijgt hij momenteel begeleiding en medicatie. De huidige behandelaar van eiser concludeert dat gesproken kan worden over een beperkte man, die langdurig zorg om hem heen nodig zal hebben om het recidive risico blijvend te verlagen. Momenteel wordt er gekeken of beschermd wonen in de toekomst mogelijk zal zijn of dat eiser langdurige intensieve zorg nodig zal hebben. Wanneer eiser geen zorg ontvangt wordt het risico op recidive als hoog ingeschat.

8.5.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat verweerder alle van belang zijnde feiten en omstandigheden kenbaar bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Deze belangenafweging is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de uitgangspunten die zijn neergelegd in de hiervoor vermelde rechtspraak van het EHRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod niet in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM . Verweerder heeft daarbij sterk in het nadeel van eiser kunnen laten meewegen dat hij ten tijde van het bestreden besluit ruim veertien jaar misdrijven, waaronder twee geweldsmisdrijven, had gepleegd. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt kunnen stellen dat eisers gedrag niet getuigt van respect voor de rechtsorde en dat hij heeft gezorgd voor overlast en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De omstandigheid dat de twee geweldsmisdrijven zijn gepleegd in 2008 en 2017 is weliswaar een factor die moet worden meegewogen, maar dit doet er niet aan af dat eiser ook in de tussenliggende periode misdrijven heeft gepleegd. Daarbij heeft verweerder ook gewicht mogen toekennen aan het feit dat eiser een gewaarschuwd man was, omdat verweerder in 2014 al aan eiser kenbaar had gemaakt dat hij voornemens was om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken. Verweerder heeft verder in het nadeel van eiser mogen meewegen dat hij nauwelijks een positieve bijdrage heeft geleverd aan de Nederlandse maatschappij. Daarnaast heeft verweerder geen groot gewicht hoeven toekennen aan de persoonlijke problematiek van eiser, omdat eiser hiervoor meerdere trajecten zijn aangeboden en geen van deze trajecten heeft geleid tot een bestendige positieve gedragsverandering. Gelet op deze omstandigheden hoefde verweerder geen doorslaggevend belang te hechten aan het feit dat eiser in Nederland is opgegroeid en daar inmiddels bijna 30 jaar verblijft en aan het feit dat hij hier familieleden heeft. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangen van de Nederlandse samenleving bij het intrekken van eisers verblijfsvergunning en het opleggen van het inreisverbod zwaarder wegen dan de belangen van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 3 van het EVRM

9.1.

Eiser betoogt verder dat verweerder geen deugdelijke beoordeling heeft gemaakt in het kader van artikel 3 van het EVRM en beroept zich in dit kader op de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2018.

9.2.

De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit alle relevante belangen meegewogen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet alsnog in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning omdat sprake is van een ernstig misdrijf en een gevaar voor de gemeenschap. Verweerder heeft daaraan toegevoegd dat in het geval van eiser zelfs sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf omdat de opgelegde straf meer dan tien maanden bedraagt. Daarmee heeft verweerder de ernst van de feiten meegewogen bij zijn beoordeling. Verweerder heeft verder terecht opgemerkt dat de omstandigheid dat artikel 3 van het EVRM zich in het geval van eiser verzet tegen uitzetting, niet maakt dat aan hem geen inreisverbod kan worden opgelegd of dat moet worden afgezien van de bevoegdheid tot intrekking van de verblijfsvergunning. Dat eiser niet kan worden uitgezet naar Somalië laat volgens verweerder onverlet dat hij aan zijn vertrekplicht dient te voldoen. Verweerder heeft daarmee inzichtelijk gemaakt hoe hij de rechtsgevolgen van het inreisverbod en de bevoegdheid tot uitzetting heeft afgewogen tegen de algehele veiligheidssituatie in Somalië. Deze beoordelingswijze is in de lijn met de door eiser genoemde uitspraak van 29 maart 2018. Het beroep op dit punt slaagt niet.

Artikel 64 van de Vw 2000

10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder een medisch advies diende op te vragen bij het bureau medische advisering. Eiser heeft in de vorige intrekkingsprocedure diverse medische stukken, die zijn gedateerd in 2012 en 2014, overgelegd waaruit blijkt dat hij onder andere een HIV-1-infectie heeft. Uit deze informatie blijkt dat er op dat moment geen behandelindicatie bestond voor de HIV-1-infectie. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit momenteel anders blijkt. Met verweerder is de rechtbank daarom van oordeel dat niet is gebleken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit onder medische behandeling stond. Verder was daarom niet gehouden om een medisch advies op te vragen. De beroepsgrond slaag niet.

Conclusie

12. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep van eiser geen doel treft. Het beroep is dan ook ongegrond.

13. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten van eiser te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 27 februari 2020 en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 27 augustus 2020, met een waarde per punt van € 525,-, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, dan moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.312,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, en mr. M.M.L.A.T. Doll en

mr. A.J. Dondorp , leden, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Richtlijn 2013/32/EU.

AWB 18/9052 en AWB 18/9053 (niet gepubliceerd).

ECLI:NL:RVS:2020:1384.

Arrest Amed, C-369/17.

ECLI:NL:RVS:2020:226.

ECLI:NL:RVS:2015:3579.

ECLI:NL:RVS:2016:1550.

ECLI:NL:RVS:2017:1725.

EHRM 2 augustus 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300, Boultif tegen Zwitserland, en 18 oktober 2006 ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, Üner tegen Nederland.

Afdeling 13 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3081.

ECLI:NL:RVS:2018:2885.

Zie paragraaf C2/7.10.1 van de Vc 2000.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature