< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

de voorzieningenrechter ziet niet zonder meer in dat in verzoekers geval nog sprake is van een actuele bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.

wijst het verzoek toe in die zin dat verzoeker niet zal worden uitgezet tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;

Uitspraak



uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/6605

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [nummer] , gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde: mr. E. Söylemez .

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van verzoeker per 2 april 2020 ingetrokken en hem een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren. Tegen dit besluit heeft verzoeker op

20 april 2020 bezwaar gemaakt.

Verzoeker heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de uitzetting achterwege wordt gelaten totdat op het bezwaar is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft middels telehoren plaatsgevonden op 2 september 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ovenvegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover van belang, kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorzie.ning treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter toetst in dat kader of het bestreden besluit kennelijk rechtmatig dan wel kennelijk onrechtmatig is. Is van zodanige kennelijke (on)rechtmatigheid geen sprake, dan gaat de voorzieningenrechter over tot een belangenafweging. Voor zover deze toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

Relevante feiten en omstandigheden

2.1.

Verzoeker is geboren op [geboortedatum verzoeker] en bezit de XX nationaliteit. Op [-] is verzoeker als minderjarige in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'gezinshereniging bij

(vader)'. De verblijfsvergunning was verleend voor de periode van [-] tot [-]. Bij besluit van 30 juni 2016 is verzoekers aanvraag om verlenging van die vergunning afgewezen en is hem een (nieuwe) verblijfsvergunning verleend voor de periode van [-] tot [-].

2.2.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 21 december 2018 is verzoeker door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, voor het op 20 september 2018 begaan van een poging tot zware mishandeling en een poging tot doodslag (artikel 302, lid l en artikel 287,jo. artikel 45, lid l, van het Wetboek van Strafrecht (WvS)).

Het bestreden besluit

3. Verweerder heeft het bestreden beslui·t - samengevat weergegeven - als volgt gemotiveerd. Omdat verzoeker in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier heeft verweerder bij de intrekking de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) toegepast. Uitgaande van een ononderbroken verblijfsduur van 2 jaar en 5 maanden tot de pleegdatum van het misdrijf (van 20 april 2016 tot

20 september 2018), afgezet tegen de totale duur van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (24 maanden), kon de verblijfsvergunning worden ingetrokken. Verweerder merkt ten overvloede op dat, ook al zou sprake zijn van een verschoonbaar verblijfsgat, de betreffende norm van artikel 3.86 van het Vb nog steeds wordt overschreden.

Voorts heeft verweerder overwogen dat verzoeker verblijfsrecht ontleent aan artikel 7 van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Besluit 1/80). Daarom heeft verweerder getoetst of verzoeker op grond van zijn persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder komt tot de conclusie dat dit het geval is. Verweerder weegt in het voordeel van verzoeker mee dat hij volgens het Selectieadvies Inrichting, opgesteld door casemanager [naam casemanager] , tijdens detentie overwegend positief gedrag heeft vertoond, dat hij deelneemt aan activiteiten en cursussen en dat hij na zijn detentie wil gaan werken en huisvesting wil zoeken. Ten nadele van verzoeker volgt verweerder niet de conclusie van het Reclasseringsadvies Detentie- en Re integratieplan van 26 juli 2019 (reclasseringsadvies), dat het recidiverisico en het risico op letselschade als laag moeten worden ingeschat.

Verweerder acht de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd met het recht op uitoefening van het familie- en privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Nu verzoeker een werkelijke, actuele, en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, is hem volgens verweerder terecht een vertrektermijn onthouden en is hem eveneens terecht een zwaar inreisverbod opgelegd.

Artikel 8 van het EVRM staat aan het opleggen van een inreisverbod niet in de weg.

De gronden van het verzoek

3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker, reeds omdat op 10 september 2020 de uitzetting naar [-] is gepland, een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

Toepassing glijdende schaal I verblijfsgat

4. Verzoeker betoogt dat verweerder bij de toepassing van de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb ten onrechte rekening houdt met het verblijfsgat dat is ontstaan tussen [-] en [-]. Daartoe stelt verzoeker dat volgens paragraaf

8 1/6.2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) een onderbreking in het rechtmatig verblijf wordt afgedekt als aan de daargenoemde voorwaarden is voldaan, hetgeen volgens verzoeker het geval is. Daarom moet volgens hem worden uitgegaan van negen jaar rechtmatig verblijf in Nederland sinds 10 januari 2011. Verzoeker betoogt daarbij, naar de voorzieningenrechter begrijpt, dat voor de duur van het rechtmatig verblijf 2 april 2020, de datum van het besluit , bepalend is en niet de pleegdatum van de feiten, 20 september 2018. Verzoeker wijst er verder op dat hij op l0 januari 2016 reeds een declaratoir verblijfsrecht aan artikel 7 van Besluit 1 /80 ontleende.

4.1.

In artikel 3:86, zesde lid, van het Vb is bepaald dat voor de toepassing van de glijdende schaal onder verblijfsduur wordt verstaan: de duur van het rechtmatig verblijf direct voorafgaand aan het moment waarop het misdrijf is gepleegd of aangevangen . De voorzieninge nrechter ziet geen grond voor het standpunt van verzoeker dat niet dient te worden uitgegaan van het moment waarop het misdrijf werd gepleegd. De voorzieningenrecht er wijst in dat verband op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 29 maart 2013 ( ECLl:NL:RVS:2013: BZ8679). Voor zover verzoeker in dit kader heeft verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HVJ-EU) van 17 april 2018 (inzake B (C-316/16) en Franco Vomero (C-424116)) , leidt dit de

voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Dit arrest ziet op de mate van beschenn ing die wordt verleend aan duurzaam verblijvende burgers van de Unie, meer specifiek op de vraag wanneer sprake is van tien jaar verblijf in een gastland, als bedoeld in artikel 28, derde lid, aanhef en onder a, van Richtlijn 2004 /38/EG (de Verblijfsrichtlijn). De

voorzieningenrechte r verwijst in dit kader voorts naar rechtsoverweging 5.3.

4.2.

Voor zover verzoeker ten aanzien van het ontstane verblijfsgat al verblijfsrecht aan artikel 7 van Besluit 1 /80 zou ontlenen en hij aldus ingevolge artikel 8, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ) (aansluitend) rechtmatig verblijf in Nederland zou hebben gehad, kan dit verzoeker evenwel niet baten. Immers, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft opgemerkt, wordt - ook indien wordt uitgegaan van een periode van rechtmatig verblijf van 10 januari 2011 tot 20 september 2018 - de norm van artikel 3.86 van het Vb , zijnde in dit geval 22 maanden bij een verblijfsduur van tenminste zeven jaar maar minder dan acht jaar rechtmatig verblijf, nog steeds overschreden. Het betoog slaagt daarom niet.

Toepassing glijdende schaal I standstillbepaling

5. Verzoeker voert aan dat de aanscherping van artikel 3.86 na I juli 2012 in strijd is met de standstill- bepaling en het Turks Associatierecht. Onder het beleid zoals dat gold tot 1 juli 2012 kon verzoeker op basis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden niet met een verblijfsbeëindiging worden geconfronteerd , omdat de nonn vóór

1 juli 2012 was bepaald op 36 maanden (thans 22 maanden). Verzoeker merkt daarbij op dat

zijn beroep op het oude artikel 3.8. 6 van het Vb hem niet in een betere positie brengt dan een Unieburger, omdat die zich bij duurz.aam verblijf kan beroepen op artikel 8.18, tweede lid, van het Vb en daardoor eerst kan worden verwijderd als sprake is van ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid. Verzoeker wijst er op dat hij meer dan vijf jaar rechtmatig, en dus duurzaam, verblijf heeft.

5.1.

Ingevolge artikel 13 van Besluit 1/80 mogen de Lid-Staten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

Op grond van artikel 14, eerste lid, van Besluit 1 /80 worden de bepalingen van dit deel toegepast onder voorbehoud van beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid . Op grond van het tweede lid doen zij geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit nationale wetgevingen of uit bilaterale overeenkomsten tussen Turkije en de Lid-Staten van de Gemeenschap, voor zover daarbij voor hun onderdanen een gunstiger regeling is vastgesteld.

5.2.

Niet is in geschil dat verzoeker verblijfsrechtontleent aan artikel 7 van Besluit 1 /80 en daarmee rechten ontleent aan artikel 13 van Besluit 1 /80. Op grond van artikel 14, eerste lid, van Besluit 1 /80 worden de bepalingen van dit deel, waaronder artikel 13, toegepast onder voorbehoud van beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondhe id . Uit vaste rechtspraak van het HvJ-EU1 volgt dat bij de uitleg van artikel 14 van Besluit 1 /80 aansluiting moet worden gezocht bij het openbare orde criterium dat geldt voor burgers van de Unie, zoals neergelegd in artikel 27 en artikel 28, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn.

5.3.

Zoals het HvJ-EU evenwel heeft overwogen in het arrest van 8 december 20112 heeft de beschenning die artikel 14 van Besluit 1 /80 aan Turkse staatsburgers geeft niet dezelfde betekenis en draagwijdte als de beschenning die krachtens artikel 28, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn aan burgers van de Unie wordt verleend, zodat het stelsel van bescherming tegen verwijdering dat voor laatstgenoemde burgers geldt, niet naar analogie op die Turkse staatsburgers kan worden toegepast. Het HvJ-EU heeft in dat verband van belang geacht dat de doelstelling van de Verblijfsrichtlijn om de uitoefening van het recht van vrij verkeer te vergemakkelijken en te versterken, verschilt van de louter economische doelstelling van de Associatieovereenkomst die zich beperkt tot de geleidelijke totstandbrenging van het vrij verkeer van werknemers. Hoewel artikel 13 van Besluit 1 /80 in de weg staat aan de invoering na I december 1980 van nieuwe beperkingen met betrekking tot de toegang van Turkse werknemers tot de Nederlandse arbeidsmarkt, verplicht die standstill-bepaling niet tot toepassing van voor Turkse onderdanen in verhouding tot Unieburgers gunstigere regelgeving. De beschenning van Unieburgers is bovendien pas verdergaand geworden met de komst van de Verblijfsrichtlijn. De voorzieningenrechter ziet dus voorshands geen grond voor het oordeel dat verweerder had moeten beoordelen of sprake is van ernstige redenen van openbare orde als bedoeld in artikel 28 van de Verblijfsrichtlijn en verweerder aldus een onjuist toetsingskader zou hebben gehantee rd, zoals verzoeker heeft betoogd.

1. Z ie onder meer het arrestvan 10 februari 2000, Nazli tegen Duitsland, C-340/97

(www.curia.europa.eu).

2 Het arrest Nural Ziebell tegen Duitsland, C-371/08

5.4.

Dit betekent dat verweerder bevoegd was de verblijfsvergunning van verzoeker in te trekken op grond van de aangescherpte glijdende schaal, mits- gelet op artikel 14 van Besluit 1 /80 - verzoeker een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, zoals ook volgt uit artikel 3.86, vijftiende lid, van het Vb .

Unierechte/ijk openbare ordecrilerium

5.5.

De voorzieningenrechter ziet zich in dat kader voor de vraag gesteld of verweerder voldoende heeft onderzocht en gemotiveerd of het persoonlijke gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. In de uitspraak van 20 november 20153 heeft de Afdeling uit het arrest Z.Zh. en I.O. van 11 juni 20154 afgeleid dat, voor zover thans van belang, verweerder bij zijn beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische omstandigheden moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie tot het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Voorts moet verweerder bij zijn beoordeling in acht nemen dat de hiervoor bedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. Het resultaat van dit onderzoek moet blijken uit de motivering van verweerders besluitvorming. Verder moeten de nationale rechterlijke instanties bij de rechtmatigheidstoetsing van een maatregel tot verwijdering van een Turkse onderdaan ook rekening houden met feiten die zich na het laatste besluit van de bevoegde autoriteiten hebben voorgedaan en die ertoe kunnen leiden dat de actuele bedreiging die het gedrag van de betrokkene voor het betrokken fundamenteel belang zou vormen, verdwijnt of sterk vermindert 5•

5.5.1.

Verweerder heeft zijn standpunt dat het persoonlijke gedrag van verzoeker nog steeds een actuele bedreiging vormt als volgt gemotiveerd. Volgens verweerder is sprake van ernstige delicten, namelijk poging tot zware mishandeling en poging tot doodslag. Verzoeker heeft hiermee een ernstige inbreuk begaan op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, de openbare orde en het gevoel van veiligheid. Temeer nu het delict is gepleegd nabij een religieus gebouw. De ernst van het delict blijkt ook uit de opgelegde gevangenisstraf. Verzoeker verblijft nog steeds in detentie en heeft aldus geen gedragsverbetering kunnen laten zien. Dat verzoeker thans in detentie zit, draagt bij aan het oordeel dat hij een actueel gevaar is. Tegenover zijn overwegend positieve gedrag tijdens detentie staat dat hij driemaal een positieve urinecontrole op cannabis heeft gehad. Daarnaast blijkt volgens verweerder uit het Reclasseringsadvies dat verzoeker beperkte verantwoordelijkheid neemt voor de gepleegde feiten. Hij houdt vol dat zijn gedragingen noodzakelijk waren om zijn vader te verdedigen en ziet de slachtoffers (ook) als daders. Verweerder concludeert hieruit dat verzoeker geen lering heeft getrokken uit zijn straf. Verweerder kan daarom de conclusie van de reclassering dat het recidiverisico op ' laag' moet worden ingeschat niet volgen. Verweerder acht om voornoemde redenen het risico op een nieuw conflict niet uitgesloten. Daarnaast heeft de reclassering volgens verweerder ten onrechte gewicht toegekend aan het vermoeden dat verzoeker licht verstandelijk beperkt is, nu dit vermoeden volgens hem niet met objectieve gegevens wordt gestaafd.

3 ECLl:NL:RVS:2015:3579

4 ECLl:EU:C:2015:377

s Zie het arrest van 11 november 2004, Cetinkaya tegen Duitsland, C-467/02

5.5.2.

De voorzieningenrechter kan verweerder, mede in het licht van de reclasseringsrapportage, niet zonder meer volgen in de stelling dat het persoonlijke gedrag van verzoeker nog een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde. Volgens de richtsnoeren6 bij de Verblijfsrichtlijn kan een eerdere veroordeling slechts ter zake doen indien uit de omstandigheden die tot de veroordeling hebben geleid, het bestaan blijkt van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging vormt, waarbij in het bijzonder van belang is het aantal veroordelingen en de aard en ernst van het strafbare feit. In dit kader is volgens de richtsnoeren het recidivegevaar van doorslaggevend belang en kan niet worden volstaan met het enkele vermoeden van de mogelijkheid tot recidive. Verzoeker is weliswaar voor een ernstig geweldsdelict veroordeeld, maar is behoudens een veroordeling voor rijden onder invloed niet eerder voor een (gewelds)delict vervolgd of veroordeeld geweest. Volgens het reclasseringsadvies van 26 juli 2019 wordt het recidivegevaar in verzoekers geval op 'laag' ingeschat. De reclassering heeft opgemerkt dat de strafbare feiten naar hun n:iening situationeel zijn bepaald, waarbij verzoeker ongelukkige keuzes heeft gemaakt om zijn vader uit een benaderde positie te helpen. De reclassering vermoedt dat naast emoties (het betrof zijn vader) een mogelijk aanwezige licht verstandelijke beperking een rol heeft gespeeld. De reclassering concludeert dat het leven van verzoeker op orde is. Zijn familie vormt een sterk sociaal vangnet, is daarmee (ook) een beschermende factor, verzoeker heeft jarenlang gewerkt in het familiebedrijfen is kort voor zijn aanhouding bij een andere werkgever gaan werken. Verzoeker zal verder zo snel mogelijk gaan trouwen met zijn nicht. De reclassering licht toe dat op grond van hun onderzoek (waaronder een risicoanalyse gebaseerd op een wetenschappelijk onderbouwd risicotaxatieinstrument; RISC) is gebleken dat verzoeker maatschappelijke doelen nastreeft, er geen sprake is van middelenmisbruik en verzoeker zich niet in het criminele circuit bevindt. Dit heeft geleid tot de conclusie dat het risico op recidive wordt ingeschat op 'laag' en het risico op letselschade als 'gemiddeld'.

Dat dit reclasseringsadviesenkel is opgesteld in het kader van de detentiefaseringdoet niet af aan de inhoud van dit rapport. Daarbij neemt dit niet weg dat positief is geadviseerd ten aanzien van het verlof, dat op basis daarvan ook daadwerkelijk tot detentiefasering is besloten en dat verzoeker (naar wordt gesteld en niet is betwist) ook verlof heeft genoten. Hetgeen verzoeker tijdens de hoorzitting bij verweerder heeft verklaard wijkt niet wezenlijk af van wat hij bij de reclassering naar voren heeft gebracht. Dat hij vasthoudt aan de verklaring dat zijn gedragingen noodzakelijk waren om zijn vader te verdedigen, en daarmee in de ogen van verweerder geen inkeer toont, betekent daarom nog niet dat wat betreft het recidivegevaar niet (zonder) meer van het reclasseringsadvies kan worden uitgegaan. Daarbij komt dat door zijn verblijf in detentie verzoeker weliswaar nog geen positieve gedragsverandering heeft kunnen laten zien in de maatschappij, maar uit het Selectieadvies Inrichting wel blijkt dat verzoekers gedrag overwegend positief is. Verzoeker heeft deelgenomen aan diverse activiteiten en cursussen en heeft aangetoond op een constructieve manier bezig te zijn met de periode na de detentie. Zo wil hij eigen huisvesting gaan zoeken en heeft hij inmiddels een concreet werkaanbod gekregen.

5.5.3

Onder deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, ziet de voorzieningenrechter niet zonder meer in dat in verzoekers geval nog sprake is van een actuele bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dit heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter tevens consequenties voor de toetsing aan het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM , nu verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de actuele bedreiging, evenals de ernst van de gepleegde delicten, ook in het

6 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38 van 2 juli 2009, COM (2009)313 (de richtsnoeren)

kader van artikel 8 van het EVRM (privéleven) zwaar in het nadeel van verzoeker hebben meegewogen.

6, De voorzieningenrechter ziet dan ook in het voorgaande aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op€ 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van€ 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek toe in die zin dat verzoeker niet zal worden uitgezet tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;

schorst de rechtsgevolgen van het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.050,-

bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. De uitspraak is gedaan op 8 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is huilen staat. De rechter is verhinderd te tekenen.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 08 SEP 7020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature