E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBDHA:2020:8750
Rechtbank Den Haag, NL20.14087 en NL20.14088

Inhoudsindicatie:

Verweerder kon de verlenging van de wettelijke beslistermijn in het WBV 2020/12 niet baseren op artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 . Artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 laat geen ruimte voor een andere dan een grammaticale interpretatie. Dit artikellid is naar zijn tekst en zijn bedoeling duidelijk. Er moet sprake zijn van een situatie waarin een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. In dit geval is de oorzaak voor het niet tijdig kunnen beslissen niet gelegen in een toestroom van een groot aantal vreemdelingen dat tegelijk een aanvraag indient. Verweerder heeft de rechtbank er niet van overtuigd dat het gemeenschapsrecht indicaties biedt dat het op een andere wijze moet worden uitgelegd. Artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn lijkt ruimte te bieden voor een overschrijding van de termijn in geval van plotseling optredende beperkingen bij de behandeling van aanvragen, maar van deze bepaling heeft verweerder geen gebruik gemaakt. Dat de Europese Commissie in de richtsnoeren de lidstaten de ruimte geeft om in deze situatie de wettelijke beslistermijn van zes maanden te verlengen op de grond als omschreven in artikel 31, derde lid, derde zin en onder b, van de Procedurerichtlijn, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarmee is de verlenging van de wettelijke beslistermijn niet rechtsgeldig.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie