< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vervolgberoep bewaring

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.13669

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser,

V-nummer: [#] ,

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 2 maart 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft op 13 juli 2020 het vooronderzoek in deze zaak gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 mei 2020 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 18 mei 2020 de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. Eiser voert primair aan dat hij sinds 7 januari 2020 in bewaring zit op verschillende grondslagen. De bewaring duurt inmiddels langer dan zes maanden voort. Daarom is verweerder gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken zoals ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 31 januari 2019. Nu verweerder dit heeft nagelaten is de bewaring vanaf 6 juli 2020 onrechtmatig.

4.1

De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in de door eiser aangehaalde uitspraak van 31 januari 2019 overwogen dat verweerder na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring, gehouden is een verzwaarde belangenafweging te maken. Verweerder dient de gehele periode van inbewaringstelling, ook indien de vreemdeling krachtens verschillende grondslagen in bewaring heeft gezeten, bij deze belangenafweging te betrekken. Uit het oogpunt van zowel kenbaarheid als toetsbaarheid dient het dossier stukken te bevatten die uitdrukkelijk blijk geven van het verrichten van deze verzwaarde belangenafweging.

4.2

De rechtbank stelt vast dat eiser op 7 januari 2020 in bewaring is gesteld op de in artikel 6, derde lid, van de Vw bedoelde grondslag. Op 1 februari 2020 is eiser aansluitend in bewaring gesteld op de in artikel 59b van de Vw bedoelde grondslag. Op 2 maart 2020 is eiser opnieuw in bewaring gesteld op de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bedoelde grondslag. Op 5 juli 2020 bevond eiser zich zes maanden aaneengesloten in vreemdelingenbewaring. Verweerder was dus gehouden op die datum een verzwaarde belangenafweging te maken. Die belangenafweging dient in verband met kenbaarheid en toetsbaarheid op schrift te worden gesteld. De rechtbank stelt in dit kader vast dat de voortgangsrapportages van 9 en 10 juli 2020 geen melding maken van een belangenafweging. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder de vereiste verzwaarde belangenafweging niet heeft verricht. Dit heeft tot gevolg dat de inbewaringstelling van eiser vanaf het moment van het verstrijken van de vorengenoemde zesmaandentermijn onrechtmatig is.

4.3

Deze beroepsgrond slaagt.

5. Het beroep is gegrond en de toepassing van de maatregel van bewaring is, zoals hiervoor is overwogen, met ingang van 5 juli 2020 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel al eerder dan vanaf 5 juli 2020 onrechtmatig is geworden. Niet is gebleken dat het zicht op uitzetting op een eerder moment is komen te ontvallen. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder zowel bij de Tanzaniaanse autoriteiten als bij de Keniaanse autoriteiten een lp-procedure (laissez-passer) heeft gestart. Reden hiervoor is dat een taalanalyse heeft uitgewezen dat eiser uit Kenia afkomstig zou zijn, terwijl uit nader onderzoek blijkt dat eiser de Tanzaniaanse nationaliteit zou hebben. Verweerder heeft tot op heden voldoende voortvarend aan eisers uitzetting gewerkt.

6. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw toe te kennen en wel tot een bedrag van € 80,- per dag dat eiser in het huis van bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, in totaal € 1.280,- (16 x € 80).

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 ,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.280,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier.

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van deze uitspraak voor het bedrag van de schadevergoeding en draagt de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op aan eiser € 1.280,- uit te betalen.

Gedaan op 20 juli 2020, door mr. E.J. van Keken, rechter.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet

uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment, voor zover nodig, alsnog gebeuren.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

NL20.10247.

ECLI:NL:RVS:2019:292.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature