< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Pw. Bestuurlijke boete vanwege (niet gemeld) te lang verblijf in het buitenland + intrekking, terugvordering en brutering vanwege stortingen en bijschrijvingen door derden en nauwelijks uitgaven voor levensonderhoud. Boete: inlichtingenverplichting geschonden. Verminderde verwijtbaarheid. Boete is evenredig en passend. Intrekking, terugvordering en brutering: inlichtingenverplichting geschonden en financiële situatie is onduidelijk gebleven. Geen sprake van dubbele terugvordering over bepaalde periode. Beroepen ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 19/1435 en SGR 19/3368

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2020 in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.C. Blom),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: P.B.L. Willemsen).

Procesverloop

Inzake SGR 19/1435

Bij besluit van 24 oktober 2018 (primair besluit I) heeft verweerder een bestuurlijke boete ter hoogte van € 849,71 aan eiseres opgelegd.

Bij besluit van 15 februari 2019 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen primair besluit I ongegrond verklaard en primair besluit I gehandhaafd, met dien verstande dat de opgelegde boete verlaagd wordt naar € 424,85.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Inzake SGR 19/3368

Bij besluit van 20 november 2018 (primair besluit II) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) vanaf 1 juni 2017 ingetrokken en de over de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 oktober 2018 verstrekte kosten van bijstand ten bedrage van € 14.892,53 van eiseres teruggevorderd.

Bij separaat besluit van 20 november 2018 (primair besluit III) heeft verweerder het over de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 oktober 2018 terug te vorderen bedrag gebruteerd en vastgesteld op € 15.876,76.

Bij besluit van 22 januari 2019 (primair besluit IV) heeft verweerder het op 1 januari 2019 nog openstaande terugvorderingsbedrag gebruteerd en vastgesteld op € 12.733,26.

Bij besluit van 19 april 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiseres gericht tegen de primaire besluiten II, III en IV ongegrond verklaard en deze primaire besluiten gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit II beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Inzake SGR 19/1435 en SGR 19/3368

De beroepszaken zijn gezamenlijk ter zitting behandeld op 19 november 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen het ter zitting overgelegde overzicht ten aanzien van de berekening van de terugvordering voor zover deze ziet op de periode van 21 november 2017 tot en met 12 januari 2018, aan te vullen en van een nadere toelichting te voorzien.

Op 12 december 2019 heeft verweerder een nadere toelichting verstrekt aan de hand van nadere stukken. Eiseres heeft hierop bij brief van 2 januari 2020 gereageerd.

Nadat eiseres toestemming had gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting en verweerder niet binnen de hiervoor gestelde termijn heeft laten weten dat hij opnieuw ter zitting wilde worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

Eiseres ontving sinds 24 januari 2017 een bijstandsuitkering ingevolge de Pw naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 31 oktober 2017 heeft eiseres aan verweerder gemeld dat zij van 23 november 2017 tot en met 23 december 2017 naar het buitenland gaat. Op 20 december 2017 heeft eiseres gemeld dat zij op 21 december 2017 terugkeert naar Nederland.

1.3.

Bij brief van 24 november 2017 heeft verweerder eiseres verzocht om bankafschriften over de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 oktober 2017 te verstrekken. Op 9 december 2017 heeft eiseres de gevraagde bankafschriften verstrekt.

1.4.

Bij brief van 16 januari 2018 heeft verweerder eiseres verzocht om bankafschriften over de periode van 1 november 2017 tot en met 31 december 2017 te verstrekken. Daarnaast wordt eiseres verzocht een verklaring te verstrekken over een aantal stortingen van derden op haar bankrekening. Bij e-mail van 18 januari 2018 heeft eiseres op bovengenoemd informatieverzoek gereageerd. Zij geeft aan stortingen op haar bankrekening ontvangen te hebben vanwege het verkopen van haar oude motor en wat spullen, het splitsen van internetkosten met de buurvrouw en omdat zij nog geld tegoed had van haar vriend en van een opdracht als figurant. Voorts heeft eiseres bankafschriften over de maanden november en december 2017 verstrekt.

1.5.

Bij brief van 15 februari 2018 heeft verweerder eiseres verzocht een bewijs van de duur van haar verblijf in het buitenland te verstrekken. Bij e-mail van 16 februari 2018 heeft eiseres op bovenstaand informatieverzoek gereageerd en een kopie van een ticket verstrekt van een vlucht van [plaats 2] naar [plaats 3] op 23 oktober 2017.

1.6.

Bij brief van 23 februari 2018 heeft verweerder eiseres nogmaals verzocht een bewijsstuk van de datum van terugkomst te verstrekken. Bij e-mail van 28 februari 2018 heeft eiseres gereageerd op bovenstaand informatieverzoek. Zij geeft aan dat zij sinds

12 januari 2018 terug is in Nederland. Zij is, in overleg met haar huisarts, naar Australië gegaan om tot zichzelf te komen en gebeurtenissen uit het verleden af te kunnen sluiten. Eiseres had daarvoor echter langer dan vier weken nodig en is dan ook langer in Australië gebleven dan zij aan verweerder had doorgegeven. Eiseres verwijst naar een bij de e-mail gevoegde verklaring van haar huisarts van 22 februari 2018 en een retourticket van [plaats 1] naar [plaats 2] .

1.7.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 21 augustus 2018 de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 21 november 2017 tot en met 12 januari 2018 herzien en de over deze periode verstrekte bijstand ten bedrage van € 1.699,41 van eiseres teruggevorderd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres langer dan de toegestane vier weken buiten Nederland verblijf heeft gehouden. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 17 december 2018 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze beslissing op bezwaar geen rechtsmiddelen aangewend. Dit betekent dat dit besluit in rechte vaststaat.

1.8.

Bij brief van 10 september 2018 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld voornemens te zijn een bestuurlijke boete op te leggen. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Eiseres heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt en heeft op 12 september 2018 een schriftelijke zienswijze ingediend. Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit I aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 849,71.

1.9.

Daaraan voorafgaand heeft verweerder eiseres bij brief van 24 augustus 2018 verzocht om afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen over de periode van 1 januari 2018 tot en met 24 augustus 2018 te verstrekken. Op 28 augustus 2018 heeft eiseres de gevraagde bankafschriften verstrekt.

1.10.

Bij brief van 14 september 2018 heeft verweerder eiseres verzocht om alle afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen over de periode van 1 februari 2017 tot en met 31 juli 2017 te verstrekken. Eiseres heeft aan dit informatieverzoek voldaan en bankafschriften van haar spaarrekening over de periode van maart tot en met juli 2017 en bankafschriften van haar betaalrekening over de periode van februari 2017 tot en met juli 2017 verstrekt.

1.11.

Naar aanleiding van onduidelijkheden voor wat betreft de eerder door eiseres verstrekte bankafschriften is verweerder op 14 september 2018 tevens een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verstrekte bijstandsuitkering. Dit onderzoek bestond uit het verrichten van dossieronderzoek, het raadplegen van Suwinet, het raadplegen van Facebook, het bestuderen van bankafschriften van de spaarrekening en de betaalrekening van eiseres, het opvragen van het waterverbruik van het uitkeringsadres, Wassenaarsestraat 127 B te Den Haag en het horen van eiseres op 9 oktober 2018. Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het confrontatiegesprek heeft verweerder eiseres bij brief van 31 oktober 2018 verzocht een verklaring te verstrekken over de in de perioden van maart tot en met oktober 2017 en januari tot en met september 2018 ontvangen contante bedragen. Eiseres heeft op 5 november 2018 schriftelijk verklaard dat zij in de eerste periode (contant) geld heeft ontvangen. Eiseres geeft aan dit geld te hebben geleend en, voor zover zij zich kan herinneren, uitgegeven te hebben aan boodschappen en haar reis naar het buitenland. Ter ondersteuning van deze verklaring heeft eiseres een kopie van twee bankafschrijvingen verstrekt. De bevindingen van bovenstaande onderzoeksbevindingen zijn vastgelegd in de rapportage administratief onderzoek van 15 november 2018.

1.12.

Bovenstaande onderzoeksresultaten waren voor verweerder aanleiding om bij primair besluit II, III en IV te nemen.

Inzake SGR 19/1435

2. Bij bestreden besluit I heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de duur van haar verblijf in het buitenland niet juist door te geven. Verweerder is echter van mening dat eiseres, gelet op het bestaan van psychische belemmeringen in die periode, niet met opzet onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Er is dan ook sprake van verminderde verwijtbaarheid. In dat geval is een boete van 25% van het benadelingsbedrag op zijn plaats. Dit resulteert in een boete van € 424,85, zijnde 25% van het benadelingsbedrag (€ 1.699,41). Deze boete is in overeenstemming met de aflossingscapaciteit van eiseres, nu deze boete binnen zes maanden voldaan kan worden. De boete is dan ook terecht en op juiste gronden opgelegd, aldus verweerder.

3. Eiseres voert in beroep aan dat zij op diverse manieren aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan. Zij heeft zowel schriftelijk als telefonisch de duur van haar vakantie aan haar casemanager doorgegeven. Daarnaast heeft zij vanuit het buitenland twee pogingen gedaan om haar vakantieperiode door te geven, echter het was niet mogelijk om met terugwerkende kracht vakantie te registreren. Eiseres had echter een open ticket en kon derhalve geen einddatum doorgeven. Omdat zij desondanks wat wilde doorgeven aan verweerder heeft ze de meldingen gedaan. Na terugkomst in Nederland heeft eiseres veel moeite moeten doen om contact te leggen met verweerder, in welk licht zij zich slachtoffer voelt van een gemeente waarbij verschillende afdelingen niet met elkaar communiceren. Zij is bovendien op advies van betrokken instanties naar het buitenland vertrokken om aan zichzelf te werken, ondanks dat zij ziek was. Het opleggen van een boete, naast de terugvordering over de vakantieperiode, acht eiseres tegen deze achtergrond dan ook onredelijk.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de Pw legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw .

Op grond van het tweede lid van artikel 18a van de Pw wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijke nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

Op grond van het zevende lid van artikel 18a van de Pw kan het college de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid of afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016: 3024) de bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde zwaarder is dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindigd, herziening en intrekking op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering van deswege ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen bijstand. Dit betekent dat verweerder bij boeteoplegging dient aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van artikel 18a van de Pw .

6.2.

Eiseres betwist dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, nu zij meermaals meldingen over haar verblijf in het buitenland gedaan heeft. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Uit de gedingstukken blijkt dat eiseres op 31 oktober 2017 via een digitaal formulier aan verweerder heeft doorgegeven dat zij van 23 november 2017 tot en met 23 december 2017 in het buitenland zal verblijven. Op 20 december 2017 meldt eiseres (eveneens) via een digitaal formulier dat zij op 21 december 2017 terug zal keren naar Nederland. Naar aanleiding van een tweetal informatieverzoeken van verweerder verstrekt eiseres op 16 februari 2018 respectievelijk 28 februari 2018 kopieën van de tickets van de heen- en retourvlucht. Uit deze verstrekte kopieën blijkt dat eiseres op 23 oktober 2017 naar Australië vertrokken is en op 12 januari 2018 weer in Nederland is aangekomen. Niet in geschil is dat de duur van het verblijf van eiseres in Australië afwijkt van hetgeen zij op 31 oktober 2017 en 20 december 2017 aan verweerder heeft doorgegeven. In haar verklaringen van 16 februari 2018 en 28 februari 2018 geeft eiseres in dit licht ook zelf aan dat haar daadwerkelijke verblijf in Australië langer was dan zij had doorgegeven. Voorts geeft eiseres in de verklaring van 28 februari 2018 aan dat zij er niet aan heeft gedacht om de wijziging van de datum van haar terugkeer met verweerder te communiceren. Omdat het eiseres redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat (langdurig) verblijf buiten Nederland van invloed is op het recht op bijstand, heeft zij door onjuiste inlichtingen te verstrekken over de duur van haar verblijf in het buitenland de op haar rustende inlichtingenverplichting weldegelijk geschonden. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiseres zich ten tijde van de eerste melding, waarin zij aangeeft op 23 november 2017 naar het buitenland te zullen vertrekken, reeds een week in het buitenland bevond. Ook tijdens de tweede melding (op

20 december 2017) bevond eiseres zich in het buitenland. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat eiseres ten tijde van het doen van die melding niet op de hoogte was van het feit dat zij pas niet de volgende dag en dus na 21 december 2017 respectievelijk

23 december 2017 zou terugkeren naar Nederland. Voorts blijkt niet uit het dossier dat eiseres telefonisch contact heeft gezocht met haar casemanager. Deze stelling heeft zij verder ook niet onderbouwd aan de hand van objectieve en verifieerbare stukken. Alhoewel de rechtbank begrip kan opbrengen voor het standpunt van eiseres dat de communicatielijnen richting verweerder voor haar niet altijd duidelijk waren, kan de beroepsgrond dat zij heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting, in het licht van het voorgaande, niet slagen.

6.3.

Nu vaststaat dat sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw , was verweerder gehouden om aan eiseres een bestuurlijke boete van ten hoogste het benadelingsbedrag op te leggen op grond van artikel 18a van de Pw .

7.1.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een dergelijke bestuurlijke boete verwijst de rechtbank naar de overwegingen 5.1. tot en met 5.11. van de uitspraak van de CRvB van

11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met dien verstande dat in dit geding de bepalingen van de Pw van toepassing zijn en dat de boete mede moet worden getoetst aan het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit), zoals dat luidt sinds 1 januari 2017.

7.2.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de onder 7.1. genoemde uitspraak van de CRvB, dat het bestuursorgaan de bestuurlijke boete dient af te stemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, waarbij zo nodig rekening kan worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Een beboetbare gedraging leidt bij gewone verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met de door betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Voorts volgt uit de hiervoor genoemde uitspraak dat bij de beoordeling of de boete voldoet aan de eisen van een evenredige sanctie, de mate waarin een boete de betrokkene treft van belang is, en dat de draagkracht van de betrokkene kan leiden tot matiging van de boete.

7.3.

Verweerder is bij de afstemming in het kader van de mate van verwijtbaarheid uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid. De boete is daarom bepaald op 25% van het benadelingsbedrag, zijnde € 424,85. Verweerder heeft daarbij rekening gehouden met de draagkracht van eiseres. Uitgaande van een draagkracht van 10% van de toepasselijke bijstandsnorm kan de opgelegde boete binnen zes maanden voldaan worden, aldus verweerder.

7.4.

In het beroepschrift heeft eiseres tegen de boete geen zelfstandige gronden aangevoerd, afgezien van de stelling dat zij het opleggen van een boete onredelijk acht. De rechtbank ziet geen aanleiding om eiseres op dit punt te volgen. Zij acht de aan eiseres opgelegde boete van € 424,85 evenredig en passend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het opleggen van deze boete immers voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van eiseres. Zo heeft verweerder uitdrukkelijk aandacht gehad voor de situatie dat eiseres stelt naar het buitenland te zijn gegaan om aan zichzelf te werken, terwijl zij ziek was. Verweerder spreekt in dit verband van psychische belemmeringen die eiseres in die periode ondervond. Evenmin is de rechtbank gebleken dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan afgezien moet worden van het opleggen van de boete. Op grond van vaste jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:490) moeten dringende redenen zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van de boete voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. In de eerst ter zitting aangevoerde omstandigheden, namelijk dat de medische situatie van eiseres maakt dat van het opleggen van een boete moet worden afgezien, liggen geen dringende redenen besloten in voornoemde zin. Dat deze omstandigheden onaanvaardbare gevolgen met zich meebrengen, is immers op geen enkele wijze onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens.

7.5.

Gelet op al het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen bestreden besluit I, ongegrond.

Inzake SGR 19/3368

8. Bij bestreden besluit II heeft verweerder de bezwaren van eiseres gericht tegen de primaire besluiten II, III en IV ongegrond verklaard en deze primaire besluiten gehandhaafd.

8.1.

Aan de intrekking en terugvordering heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de financiële situatie van eiseres onduidelijk is gebleven. Uit de verstrekte bankafschriften blijkt dat eiseres nauwelijks geld uitgeeft aan de dagelijkse kosten voor levensonderhoud, echter wel veel geld uitgeeft aan overige zaken. Volgens verweerder blijkt uit de bankafschriften bovendien dat derden veelvuldig bijschrijvingen doen op de bankrekening van eiseres. Eiseres heeft hiervoor geen afdoende verklaring kunnen geven. Ook de stelling dat eiseres contant geld van derden ontvangt is niet onderbouwd. Bovendien heeft eiseres alle bovenstaande omstandigheden niet gemeld bij verweerder, hetgeen een schending van de inlichtingenverplichting oplevert. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij vanaf het moment van toekenning van de bijstandsuitkering, 24 januari 2017, in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het recht op bijstand is derhalve volgens verweerder over de hele bijstandsperiode niet vast te stellen. De afdeling Fraude en Handhaving is echter uitgegaan van 1 juni 2017 als intrekkingsdatum. Derhalve gaat verweerder ook van deze datum uit. Dit betekent dat eiseres over de periode van 1 juni 2017 tot en met

31 oktober 2018 ten onrechte een bedrag van € 14.892,53 aan bijstand heeft ontvangen. Verweerder was dan ook gehouden dit bedrag terug te vorderen. Volgens verweerder is evenmin gebleken van dringende reden op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien.

8.2.

Met betrekking tot de bruteringen stelt verweerder zich op de volgende standpunten. Nu een gedeelte van het terugvorderingsbedrag betrekking heeft op een vorig kalenderjaar, 2017, dient de schuld te worden verhoogd met de belasting en premies die de sociale dienst van de gemeente Den Haag hierover in 2017 aan de Belastingdienst heeft moeten betalen. Dit betreft een bedrag van € 975,23. De totale vordering komt hiermee op € 15.867,76. Op 31 december 2018 bedroeg het saldo van de terugvordering nog € 9.984,82. Per 1 januari 2019 werd dit bedrag verhoogd met het bedrag dat de sociale dienst over 2018 aan de Belastingdienst heeft moeten afdragen, zijnde € 2.748,44. Het nieuwe saldo per 1 januari 2019 bedraagt hierdoor € 12.733,26. Van brutering kan enkel worden afgezien wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en het belanghebbende niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds voldaan is in het kalenderjaar waarop de vordering betrekking heeft. Van een dergelijke situatie is in dit geval volgens verweerder geen sprake. Van brutering hoeft dan ook niet worden afgezien, aldus verweerder.

9. In beroep voert eiseres – kort en zakelijk weergegeven – aan dat het recht op bijstand op basis van al hetgeen eiseres heeft aangevoerd en beantwoord wel degelijk vast te stellen is. Eiseres heeft namelijk voldoende aangetoond hoe zij in haar dagelijkse levensbehoefte voorziet en dat zij in de periode in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Daarbij mag het gegeven dat de levensstijl van eiseres afwijkt van wat verweerder vaak meemaakt, niet leidend zijn en zal door verweerder uitsluitend moeten worden beoordeeld of hetgeen eiseres stelt onaannemelijk is. Dat zij weldegelijk in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, heeft zij in dit verband bovendien voldoende aangetoond aan de hand van haar verklaring tijdens het confrontatiegesprek van

9 oktober 2018 en de door haar verstrekte bankafschriften en schriftelijke verklaringen. Dat eiseres geen vooraf opgemaakte schuldovereenkomsten kan overleggen kan haar niet worden tegengeworpen. In dit verband mogen de bevindingen tijdens het confrontatiegesprek niet ten grondslag gelegd worden aan bestreden besluit II. Het verhoor duurde immers onafgebroken vijf uur, eiseres is ten onrechte niet gewezen op de mogelijkheid om juridische bijstand in te schakelen en is evenmin gewezen op de mogelijke consequenties van haar verklaringen voor haar bijstandsuitkering. Bestreden besluit II is daarmee onzorgvuldig tot stand gekomen en berust niet op een deugdelijke motivering. Daarnaast meent eiseres dat sprake is van een dubbele terugvordering over de periode van 21 november 2017 tot en met 12 januari 2018, nu de bijstandsuitkering van eiseres over deze periode reeds verrekend is vanwege haar verblijf in Australië. De toelichting van verweerder tijdens en na de zitting, hebben dit standpunt niet gewijzigd.

10. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

11. Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw .

Ingevolge artikel 58, achtste lid, van de Pw kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

12. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode van 1 juni 2017 tot en met 31 oktober 2018 loopt.

13. Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:164) dat een besluit tot intrekking of terugvordering van het recht op bijstand een voor de betrokkene, in dit geval eiseres, belastend besluit is. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandsverlenende instantie, in dit geval verweerder. Dit betekent dat verweerder de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan. Blijkens de door eiseres overlegde bankafschriften, heeft zij over de te beoordelen periode een groot aantal stortingen en bijschrijvingen ontvangen. Eiseres betwist niet dat in deze periode meerdere bijschrijvingen en contante stortingen van derden op haar bankrekening hebben plaatsgevonden. Voorts blijkt uit Suwinet dat eiseres sinds 22 januari 2018 een Opel Tigra met een waarde van circa € 1.500,- op haar naam heeft staan. Niet in geschil is dat eiseres van bovenstaande feiten en omstandigheden niet uit eigen beweging melding heeft gemaakt bij verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank had het eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat bovenstaande feiten en omstandigheden van belang konden zijn voor het recht op bijstand. Door hiervan geen melding te maken heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

15. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting had voldaan, over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand zou hebben gehad. De rechtbank verwijst in dit verband onder andere naar de uitspraak van de CRvB van 18 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:331.

16.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hier niet in geslaagd. Uit de door eiseres verstrekte bankafschriften blijkt immers bovendien dat eiseres in de te beoordelen periode nauwelijks geld pint bij supermarkten en daarnaast ook bijna geen contant geld opneemt van haar bankrekening. In de te beoordelen periode van in totaal 17 maanden, heeft eiseres (afgerond) € 146,- gepind bij supermarkten en € 140,- bij overige winkels waar je levensmiddelen kunt kopen en heeft zij in totaal € 640,75 aan contanten opgenomen. Uit de bankafschriften blijkt niet hoe eiseres de brandstof voor haar auto betaald heeft. Wel blijkt uit de bankafschriften dat eiseres vrijwel elke maand hoge bedragen, variërend van € 100,- tot € 1.500,-, overmaakt naar haar spaarrekening en dat zij gelijke bedragen, variërend van € 50,- tot € 1.250.-, ook weer van haar spaarrekening afhaalt. Daarnaast blijkt hieruit dat eiseres regelmatig aankopen doet bij webshops zoals Groupon, Social Deal en Bol.com. Ten slotte blijkt uit de bankafschriften dat eiseres gedurende de gehele periode in geding bijschrijvingen van derden ontvangt op haar bankrekening. Nu uit de bankafschriften daarmee niet blijkt hoe eiseres in haar dagelijkse levensonderhoud voorziet, ligt het op haar weg om hierover duidelijkheid te verschaffen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 24 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:479 en 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB: 2015:3174).

16.2.

Tijdens het confrontatiegesprek op 9 oktober 2018 heeft eiseres verklaard dat zij bijna nooit thuis eet en dat zij zich geen zorgen hoeft te maken om boodschappen. Eiseres eet bijna altijd bij andere mensen en die mensen geven haar vaak het overgebleven eten mee. Eiseres kookt naar eigen zeggen ongeveer één keer per maand zelf. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat zij haar vrienden gevraagd heeft contant geld te geven en geen geld meer op haar bankrekening te storten, omdat verweerder anders gaat vragen om verklaringen voor de bijschrijvingen en stortingen. Voorts heeft eiseres verklaard dat de benzine voor haar auto door haar beste vriend betaald wordt. Ten slotte heeft eiseres verklaard dat zij van meerdere mensen geld heeft ontvangen als vergoeding voor oppaswerkzaamheden en dat zij daarnaast geld heeft ontvangen in verband met het verkopen van haar motor. Anders dan eiseres in beroep heeft aangevoerd, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van door eiseres op 9 oktober 2018 afgelegde verklaring. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3949) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. In dit geval bestaat geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. De verklaring is consistent en gedetailleerd en is door eiseres per pagina ondertekend. Voorts is van belang dat op de op schrift gestelde verklaring is aangekruist dat eiseres de verklaring heeft gelezen, dat de inhoud van de geschreven verklaring overeenkomt met wat zij heeft verklaard en dat zij de verklaring geheel vrijwillig en zonder dwang heeft afgelegd. Weliswaar bestaat discussie over de vraag of de duur van het verhoor tegen de achtergrond van haar psychische belastbaarheid passend was, maar dit maakt niet dat verweerder in beginsel niet mag uitgaan van de juistheid van de inhoud van het verhoor. Dat eiseres ten gevolge van haar psychische belastbaarheid onjuist zou hebben verklaard, is door eiseres in dit licht niet (voldoende) onderbouwd. De rechtbank zal daarom ook deze verklaring bij haar beoordeling bezigen..

16.3.

De op 9 oktober 2018 door eiseres afgelegde verklaring noch de verklaringen waar eiseres in beroep naar verwijst, bieden naar het oordeel van de rechtbank de vereiste duidelijkheid voor wat betreft haar financiële situatie in de te beoordelen periode. In de verklaring van 5 november 2018 verklaart eiseres dat het geld dat zij in de periode van maart 2017 tot en met oktober 2017 ontvangen heeft, geleend geld betreft. Eiseres geeft aan dat ‘voor zover zij zich kan herinneren’ dit geld gebruikt is voor haar reis naar Australië en later voor onder andere boodschappen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft eiseres een kopie van twee overschrijvingen verstrekt. De juistheid van deze achteraf opgestelde verklaring is op geen enkele manier te controleren. Eiseres heeft namelijk geen boekhouding of administratie van deze leningen bijgehouden. Uit de overschrijvingen blijkt enkel dat eiseres op 26 oktober 2018 € 2.000,- naar S. Ojaghi en € 1.000,- naar M.J.H. de Reu-Berrevoets heeft overgemaakt. Hieruit valt echter niet op te maken dat sprake is (het aflossen van) leningen en waarvoor het geleende geld bedoeld was. Ook valt hieruit niet op te maken waarvoor het geld daadwerkelijk aangewend is. In het beroepschrift van

31 juli 2019 voert eiseres aan dat het totaalbedrag van € 3.000,- bedoeld was voor haar reis naar Australië. Naar eigen zeggen is dit bedrag niet volledig besteed aan haar reis en hoefde eiseres het bedrag niet gelijk terug te betalen. Eiseres stelt in de periode na Australië van het overgebleven geld nog regelmatig contante betalingen gedaan te hebben alvorens zij het geleende bedrag weer teruggestort heeft. Naar het oordeel van de rechtbank maakt eiseres ook met deze verklaring nog altijd steeds niet (voldoende) inzichtelijk hoe zij in haar levensonderhoud heeft voorzien in de te beoordelen periode.

16.4.

De combinatie van het ontbreken van aantoonbare uitgaven voor levensmiddelen, de regelmatige uitgaven aan luxeproducten en de vele mutaties op haar lopende rekening, gevoegd bij de weinig concrete en verifieerbare verklaringen van eiseres die bovendien deels tegenstrijdig zijn, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat teveel onduidelijkheid blijft bestaan over de wijze waarop eiseres in haar levensonderhoud heeft voorzien en aldus of eiseres in de periode in geding bijstandbehoevend was.

17. Nu eiseres geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen over haar financiële situatie in de te beoordelen periode en niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij in deze periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Verweerder was daarom op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden om de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 oktober 2018 in te trekken.

18. Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw was verweerder daarom ook gehouden de in de te beoordelen periode te veel uitbetaalde bijstand van eiseres terug te vorderen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat wat betreft de periode van

21 november 2017 tot en met 12 januari 2018 sprake is van een dubbele terugvordering. Zoals reeds in rechtsoverweging 1.7. is opgenomen is bij besluit van 21 augustus 2018 een totaal bedrag van € 1.699,41 teruggevorderd van eiseres. Uit het door verweerder op

12 december 2019 verstrekte overzicht, zoals opgenomen in de e-mail van M. Geeraerts van 9 december 2019, blijkt dat dit bedrag als volgt tot stand is gekomen. Wat betreft de maand november 2017 is een bedrag van € 328,84 teruggevorderd, zijnde een 10/30 deel van de op dat moment geldende bijstandsnorm (€ 986,52). Wat betreft de maand december 2017 is de volledige bijstandsnorm ten bedrage van € 986,52 teruggevorderd. Wat betreft de maand januari 2018 is een bedrag van € 384,05, zijnde 12/31 deel van de op dat moment geldende bijstandsnorm (€ 992,12) teruggevorderd. Als je deze drie bedragen bij elkaar optelt, kom je op een totaalbedrag van € 1.699,41 (€ 328,84 + € 986,52 + € 384,05 = € 1.699,41). Hieruit volgt dat het bij besluit van 21 augustus 2018 teruggevorderde bedrag enkel de periode betreft dat eiseres langer dan de toegestane vier weken in het buitenland verbleef. Ook wordt in voornoemd overzicht uitgelegd hoe het bij primair besluit II teruggevorderde, en bij bestreden besluit II gehandhaafde, totaalbedrag van € 14.892,53 tot stand is gekomen. Uit het overzicht volgt dat wat betreft de maanden juni tot en met oktober 2017 de volledige bijstandsnorm is teruggevorderd. Wat betreft de maand november 2017 is een bedrag van € 657,68, zijnde een 20/30 deel van € 968,52, teruggevorderd. In de maand december 2017 is niets teruggevorderd. In de maand januari 2018 is een bedrag van € 608,07, zijnde 19/31 van € 992,12, teruggevorderd. Vervolgens is in de overige maanden, februari tot en met oktober 2018 opnieuw de volledige bijstandsnorm teruggevorderd. Als je deze bedragen bij elkaar optelt, kom je op een totaalbedrag van € 14.892,53. Hieruit volgt dat wat betreft de periode van 21 november 2017 tot en met 12 januari 2018 geen sprake is van een dubbele terugvordering. Als je de bij besluit van 21 augustus 2018 teruggevorderde bedragen optelt bij de bedragen die over deze periode worden teruggevorderd met de in deze zaak in geschil zijnde terugvordering kom je uit op de voor deze maanden geldende bijstandsnormen, inclusief vakantiegeld. Dit betekent dat niet meer wordt teruggevorderd dan in deze maanden door verweerder aan bijstand is uitbetaald. Het bij brief van 2 januari 2020 ingenomen standpunt dat voor de duur van 28, door eiseres gemelde, dagen een terugvordering niet op zijn plaats is, valt buiten de omvang van dit geding. Het besluit van 21 augustus 2018 is immers, zoals in rechtsoverweging 1.7. overwogen, in rechte onaantastbaar. Tot slot is de rechtbank niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan in dit geval geheel of gedeeltelijk afgezien had moeten worden van terugvordering. In dit verband verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in 7.4. heeft overwogen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

19. Eiseres heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de bruteringen, zodat deel van het bestreden besluit II verder geen bespreking behoeft.

20. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen bestreden besluit II, ongegrond. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit verband nog het volgende op. De rechtbank kan met eiseres mee gaan in haar standpunt dat haar leefwijze afwijkend is van die welke personen die bijstand ontvangen over het algemeen hebben. Ook is de rechtbank zich bewust van het feit dat eiseres zich gedurende de periode in geding in een kwetsbare levensfase bevond. Deze omstandigheden, hoe wezenlijk ook, kunnen echter geen afbreuk doen aan de hiervoor, in rechtsoverweging 17, genomen conclusies.

Inzake SGR 19/1435 en SGR 19/3368

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 15 mei 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

de griffier is niet rechter

in de gelegenheid

deze uitspraak mede

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature