< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

10 jaar cel voor dodelijke steekpartij Weimarstraat in Den Haag

Een 28-jarige man is vandaag door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar voor een steekpartij met dodelijke afloop in de Weimarstraat op 17 januari 2019. Het slachtoffer, een 25-jarige Hagenaar, kreeg een messteek in zijn hart en overleed de volgende ochtend aan zijn verwondingen in het ziekenhuis.

Achtergrond

Verdachte had kort daarvoor in de Weimarstraat het slachtoffer en een tweetal vrienden ontmoet waar al snel sprake was van duw- en trekwerk. Daarbij heeft de verdachte een mes in zijn hand genomen. Toen een jongen weg rende, ging verdachte hem achterna met het mes in zijn hand. Kort daarna stopte verdachte met rennen, draaide zich om en maakte een stekende beweging richting het bovenlichaam van een jongen, het latere slachtoffer, die vlak achter hem stond.

Wel of geen noodweer (zelfverdediging)?

Deze stekende beweging is als aanvallend gedrag te kwalificeren. Daarom is er geen sprake van een noodweersituatie voor verdachte.

Onvoorwaardelijke celstraf

Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. Gezien de ernst van het feit kan echter niet worden volstaan met een andere straf dan een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Uitspraak



Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842012-19; 09/837358-19

Datum uitspraak: 27 januari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1992 [geboorteplaats] ,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 23 april 2019, 8 juli 2019, 30 september 2019 (alle pro forma), 16 december 2019 (inhoudelijk) en 13 januari 2020 (sluiting).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. G.R. Stolk naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I met parketnummer 09/842012-19

hij op of omstreeks 17 januari 2019 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door deze met (kracht) met een mes in het bovenlichaam te steken, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

Dagvaarding II met parketnummer 09/837358-19

1.

hij op of omstreeks 17 januari 2019 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [vriend slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken en/of een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [vriend slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 17 januari 2019 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [broer slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken en/of een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [broer slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Inleiding

Deze strafzaak betreft een steekincident met dodelijke afloop op 17 januari 2019 rond 20:35 uur in de [adres 2] te Den Haag. Het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] ), is na een steek in zijn hart hevig bloedend in elkaar gezakt op straat. Na een kortdurende reanimatie besloot het ambulancepersoneel hem direct naar het Westeinde ziekenhuis te vervoeren. Daar is hij direct geopereerd. Desondanks is het slachtoffer op 18 januari 2019 om 07:27 uur in het Westeinde ziekenhuis in het bijzijn van zijn familie overleden.

Volgens het sectierapport van het NFI d.d. 19 februari 2019 wordt het intreden van de dood verklaard door de gevolgen van een steekletsel links aan de borstkas. Dit heeft geleid tot verwikkelingen waaronder een reanimatiebehoeftige toestand, noodzaak tot chirurgische interventie, hemodynamische instabiliteit, trekkingen, een sombere prognose en uiteindelijk, één dag later, tot overlijden.

Op aanwijzen van twee getuigen, de broer en een vriend van het slachtoffer, werd verdachte ter plaatse kort na het steekincident in een Chinees/Antilliaans restaurant, [naam restaurant] , aangehouden. Hij was in het bijzijn van zijn moeder. In het restaurant werd op aanwijzen van de eigenaar een bebloed klapmes aangetroffen.

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte degene is die het slachtoffer de dodelijke messteek heeft toegebracht en zo ja, of zijn handelen kan worden gekwalificeerd als doodslag. Voor zover dit het geval zou zijn, komt de vraag naar de strafbaarheid van het feit en de verdachte aan de orde, nu namens verdachte een beroep is gedaan op gerechtvaardigde zelfverdediging (noodweer).

Overwegingen omtrent het bewijs

Op de ter terechtzitting getoonde beelden neemt de rechtbank het volgende waar. Het latere slachtoffer [slachtoffer 1] loopt met [naam 1] achter zich de coffeeshop uit. Ze lopen linksaf de stoep op, kijken naar rechts en draaien zich vervolgens in die richting om. [slachtoffer 1] steekt zijn duim op en beiden lopen de straat op. [slachtoffer 1] loopt in de richting van een geparkeerde auto die in een parkeervak aan de overkant van de weg staat met waarschuwingslichten aan. [naam 1] loopt links van hem achter hem aan. Tegelijkertijd komen verdachte en zijn moeder vanaf links aanlopen op de stoep aan de overkant van de straat. [slachtoffer 1] en [naam 1] buigen vervolgens af naar links in de richting van verdachte en zijn moeder. De moeder van verdachte loopt op dat moment aan de gevelzijde en verdachte aan de straatzijde. [slachtoffer 1] en [naam 1] treffen verdachte en zijn moeder vervolgens op de stoep aan de overkant van de straat. Vanuit de richting van de geparkeerde auto rent iemand, de rechtbank neemt aan: [broer slachtoffer] ), naar de groep. Enkele seconden later rent de groep boven in beeld over de stoep weg en verdwijnt aan de rechterzijde uit beeld. Op beelden gefilmd vanuit een andere camerapositie is de rennende groep aan de overkant van de straat te zien. Een man, de rechtbank neemt aan: [broer slachtoffer] , rent voorop, verdachte daarachter en weer dáár achter [slachtoffer 1] en [naam 1] . [broer slachtoffer] loopt tijdens het rennen uit op verdachte. Verdachte kijkt tijdens het rennen achterom. Op enig moment stopt verdachte met rennen. Hij draait zich om in de richting van [slachtoffer 1] en [naam 1] , brengt zijn linkerarm naar voren en zijn rechterarm naar achteren. [slachtoffer 1] komt als eerste aanrennen en is dan vlakbij verdachte. Direct achter [slachtoffer 1] is [naam 1] . Op dat moment maakt verdachte met zijn rechterarm en -hand een snelle stekende beweging van achteren naar voren richting het bovenlichaam van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] is op dat moment nog in voorwaartse beweging. Verdachte rent vervolgens meteen de straat op en [naam 1] rent achter hem aan.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met zijn moeder in de [adres 2] liep om een simkaart te kopen. Op een gegeven moment zag hij [naam 1] en zei hij tegen zijn moeder “daar gaan we weer”. Toen hij voorbijliep, hoorde hij scheldwoorden achter zich. Hij draaide zich om, zag [slachtoffer 1] en hoorde hem zeggen “kankerflikker, je hebt mijn vriendin geslagen”. Toen ontstond er geduw en getrek, waarbij verdachte tegen een deur of hek werd geduwd door [naam 1] . [naam 1] zei tegen hem “je bent mijn bitch, vandaag ga je zien, vandaag ga je dood”. Verdachte vocht met [slachtoffer 1] met de vuisten. Tijdens dit gevecht pakte verdachte een mes van de grond. Op een gegeven moment kreeg hij een klap van achteren op zijn hoofd. Hij draaide zich om en zag [broer slachtoffer] staan. [broer slachtoffer] rende weg en verdachte rende achter [broer slachtoffer] aan om hem terug te slaan. Hij was op dat moment boos omdat [broer slachtoffer] hem een klap had gegeven. Op het moment dat hij achter [broer slachtoffer] aanrende, had hij het mes in zijn handen. [broer slachtoffer] was te snel voor hem, waarna hij stopte met rennen en zich om draaide. Hij zag [slachtoffer 1] en [naam 1] op hem af komen rennen. Hij strekte zijn arm naar voren met het mes in zijn hand, zodat zij niet dichterbij konden komen. Nadat hij zijn arm had uitgestoken, keerde hij hen de rug toe en rende hij weg. Kort daarna is hij een Chinees restaurant binnengegaan en heeft hij het mes in servetten gedaan en vervolgens aan zijn moeder gegeven.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij een groepje van vijf à zes mensen zag waaronder één vrouw bij een [naam cafe] tegenover zijn woning. Er ontstond een korte stoeipartij, de rechtbank begrijpt: vechtpartij. Vervolgens zag hij dat er één jongen begon te rennen richting de Chinees. Een andere jongen rende achter hem aan met een mes in de rechterhand. Die jongen hield het blad van het mes richting de voorste jongen. De rest van de groep rende achter de eerste twee jongens aan.

[getuige 2] , beveiliger van [naam coffeeshop] in de [adres 2] , heeft verklaard dat er twee jongens uit de coffeeshop kwamen en richting een geparkeerde auto liepen aan de overkant van de straat. Aan de overkant liepen een man en vrouw en het leek alsof beide groepen elkaar begroetten. Toen was er wat lawaai te horen aan de overkant van de straat en werd de verdachte tegen een raam aangeduwd. Vervolgens gingen ze ineens rennen. Getuige is achter het groepje aangerend en bij het Chinese restaurant zagen ze een Javaanse jongen die bloedde.

[getuige 3] heeft verklaard dat hij in de Chinees zat om eten te halen. Er kwam een jongen naar binnen rennen met een mes in zijn hand. Getuige zag dat er bloed aan het mes zat. Die jongen gaf het mes aan zijn moeder en zei in het Papiaments “mama ik heb een jongen geprikt/doorgestoken”.

Op de linkerhand van verdachte is een bloedspoor aangetroffen. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het bloed met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig was van het slachtoffer. Het bloed wat op het lemmet van het in het Chinese restaurant aangetroffen mes zat bleek ook afkomstig van het slachtoffer. Op het heft van dat mes is een DNA-mengprofiel aangetroffen van verdachte en minimaal één andere onbekend gebleven persoon.

Conclusie van de rechtbank

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 1] met een mes in zijn rechterhand een messteek heeft toegebracht in het bovenlichaam. Deze steek heeft het hart geraakt, waardoor [slachtoffer 1] uiteindelijk is overleden. Het met kracht steken met een mes in het bovenlichaam is een handeling die reeds naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op levensberoving dat daarmee de opzet van verdachte op die levensberoving vaststaat. De rechtbank acht de ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer 1] dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Vrijspraak poging doodslag op [broer slachtoffer] en [vriend slachtoffer]

[broer slachtoffer] en [vriend slachtoffer] ) hebben beiden verklaard dat verdachte tijdens de eerste vechtpartij op de stoep met een mes richting hen beiden heeft gestoken dan wel heeft gezwaaid. [vriend slachtoffer] heeft op een later moment aan de politie een foto getoond waarop een scheur in een jas is te zien. De rechtbank kan op grond van deze, vrij globale verklaringen op dit onderdeel zonder ander bewijs evenwel niet vaststellen of deze handelingen van verdachte een aanmerkelijke kans op dodelijk, dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen opleveren. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de poging doodslag op [broer slachtoffer] en [vriend slachtoffer] .

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I met parketnummer 09/842012-19

hij op 17 januari 2019 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door deze met kracht met een mes in het bovenlichaam te steken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en strafbaarheid van verdachte

4.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dan wel verdachte niet strafbaar is, omdat verdachte handelde uit noodweer dan wel noodweerexces.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte op het steekmoment geen geslaagd beroep op noodweer toekomt, omdat zijn handelen – vanaf het moment dat hij met een mes achter [broer slachtoffer] aanrent om hem, naar eigen zeggen, te slaan – in de kern als aanvallend moet worden beschouwd. Vanaf dat moment is er sprake was van een noodweersituatie ten aanzien van [broer slachtoffer] , omdat hij door verdachte werd achtervolgd met een mes. [slachtoffer 1] en [naam 1] komt dan ook een beroep op noodweer toe, omdat zij [broer slachtoffer] moesten verdedigen tegen de aanval van verdachte. Daarnaast komt de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toe omdat sprake is van anterieure verwijtbaarheid. De verdachte heeft de situatie waarin hij zich op noodweer beroept zelf veroorzaakt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk zijn geworden dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan omdat dit geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Bij de beoordeling van het beroep op noodweer, subsidiair noodweerexces gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte die samen met zijn moeder was, is op enig moment ingesloten door twee jongens, te weten [naam 1] en [slachtoffer 1] . Ook was er sprake van duw- en trekwerk, waarbij [naam 1] , zichtbaar voor moeder, een mes had. Verdachte beschikte in deze situatie evenwel ook over een mes dat hij naar eigen zeggen van de grond had geraapt. [broer slachtoffer] heeft, zowel in zijn bij de politie afgelegde verklaringen als zijn verklaring bij de rechter-commissaris, verklaard dat hij een mes in de hand van verdachte zag toen hij uit de auto stapte. Ook heeft [broer slachtoffer] verklaard dat hij de verdachte, na te zijn uitgestapt, beetpakte en hem wegduwde dan wel –trok. Op dat moment maakte de verdachte een zwaaiende dan wel stekende beweging in zijn richting met het mes, waarna [broer slachtoffer] hard wegrende. De rechtbank acht voornoemde verklaringen van [broer slachtoffer] betrouwbaar, nu hij over deze situatie telkens consistent heeft verklaard en zijn verklaring bovendien steun vindt in de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] ziet dat de voorste jongen (de rechtbank begrijpt: [broer slachtoffer] ), in de woorden van [getuige 1] : “voor diens leven rende” en hij zag “doodsangst” in diens ogen. Niet valt in te zien waarom [broer slachtoffer] , die heeft verklaard al eerder een mes bij de verdachte te hebben gezien, zo plotseling en zo hard zou zijn weggerend, indien hier niet een handeling van verdachte met het mes aan vooraf zou zijn gegaan. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte, nadat hij door [broer slachtoffer] werd beetgepakt, een handeling met het mes in de richting van [broer slachtoffer] heeft verricht die tot gevolg had dat [broer slachtoffer] wegrende. Verdachte rent vervolgens achter [broer slachtoffer] aan met het mes in zijn rechterhand. Verdachte heeft zelf van meet af aan bij de politie en ook ter zitting meermalen verklaard dat [broer slachtoffer] hem een klap had gegeven en dat hij uit boosheid achter [broer slachtoffer] aanrende om hem een klap terug te geven. Verdachte hield [broer slachtoffer] echter niet bij, stopte met rennen, draaide zich om en maakt vervolgens de stekende beweging richting het bovenlichaam van [slachtoffer 1] .

Het noodweerverweer van verdachte stuit naar het oordeel van de rechtbank reeds af op de omstandigheid dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien (HR 22 maart 2016, ECLI:NL:2016:456, rechtsoverweging 3.3).

Laatstbedoelde situatie doet zich in dit geval voor. Verdachte heeft verklaard dat [broer slachtoffer] hem een klap gaf en [broer slachtoffer] heeft verklaard dat hij de verdachte beetpakte. Wat daar ook van zij, na fysiek met [broer slachtoffer] te zijn geconfronteerd, heeft verdachte een handeling met het mes in de richting van [broer slachtoffer] verricht en is hij vervolgens, naar eigen zeggen uit boosheid en met dat mes in zijn hand, achter [broer slachtoffer] aangerend. Vanaf het moment dat verdachte een handeling richting [broer slachtoffer] verricht met het mes, is er geen sprake van een noodweersituatie voor verdachte. Hij is dan bevrijd uit de situatie waarin hij was ingesloten en werd aangevallen. Zijn gedrag is vanaf dat moment niet langer verdedigend maar in de kern aanvallend geworden. Vanaf dat moment zou juist aan [broer slachtoffer] en aan [slachtoffer 1] en [naam 1] een beroep op noodweer toekomen. In dit verband is van belang dat [naam 1] heeft van meet af aan verklaard dat zij achter verdachte aanrenden omdat hij met een mes achter [broer slachtoffer] aanging en om [broer slachtoffer] te ontzetten.

Op deze grond dient het beroep op noodweer te worden verworpen. Dat geldt ook voor het subsidiaire beroep op noodweerexces, omdat daarvan slechts sprake kan zijn in het geval de dader zich verdedigt, maar daarin te ver gaat.

De conclusie is dat het feit strafbaar is en verdachte eveneens, nu geen (andere) feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, wordt opgelegd.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat er een lagere gevangenisstraf moet worden opgelegd.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door [slachtoffer 1] met een mes in het hart te steken. Doodslag behoort tot de ernstigste strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft voor dit misdrijf als maximumstraf een gevangenisstraf van 15 jaren vastgesteld. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat iedere zaak uniek is en het in die zin lastig is om zaken met elkaar te vergelijken, wordt doorgaans voor een enkelvoudige doodslag een gevangenisstraf opgelegd van tussen de 8 en 12 jaren. Dat neemt niet weg dat het gedrag dat tot toepassing van deze strafbepaling leidt, vele verschillende vormen kan aannemen, zodat in ieder concreet geval dient te worden nagegaan welke mate van ernst daaraan uit een oogpunt van straftoemeting moet worden toegekend. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft met zijn handelen [slachtoffer 1] het leven ontnomen. Daardoor heeft verdachte de nabestaanden, ouders, familie en vrienden onherstelbaar veel leed aangedaan, zoals de vader en de broer van het slachtoffer in hun slachtofferverklaringen treffend hebben verwoord. De zoon van het slachtoffer zal bovendien zonder zijn vader opgroeien.

De wijze waarop [slachtoffer 1] het leven is verloren, is in meerdere opzichten afschrikwekkend. [slachtoffer 1] zelf heeft immers moeten ervaren hoe hij met een mes is gestoken, veel bloed verloor en vervolgens in elkaar is gezakt op straat voor de ogen van zijn broer en vrienden. Dit is ook voor zijn broer en vrienden die bij het steekincident aanwezig waren en het slachtoffer hevig bloedend hebben zien neervallen een enorm angstige situatie zijn geweest.

Het incident heeft bovendien plaatsgevonden tijdens koopavond in een winkelstraat, waarbij omstanders in de [adres 2] zijn geconfronteerd met het steekincident en de gevolgen daarvan. Het handelen van verdachte heeft bij hen, maar ook bij anderen die daarvan op de hoogte zijn geraakt, zoals bijvoorbeeld de buurtbewoners, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Ook in algemene zin brengt een steekincident met dodelijke afloop voor het grote publiek gevoelens van onveiligheid met zich.

Uit het strafblad van verdachte d.d. 20 november 2019 blijkt dat verdachte met uitzondering van een diefstal met geweld in 2014, niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. In het kader van eerdere veroordelingen voor vermogensdelicten heeft verdachte jarenlang hulp van de reclassering gehad.

De rechtbank heeft verdere acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 28 mei 2019 van drs. R.K.F. Lemmens, klinisch psycholoog. De psycholoog concludeert dat er bij verdachte geen aanwijzingen zijn voor een persoonlijkheids- of psychiatrische stoornis, maar dat de verdachte wel lijdt aan een licht verstandelijke beperking. Ten tijde van het bewezenverklaarde was deze verstandelijke beperking aanwezig en actueel. De psycholoog adviseert dan ook om verdachte het bewezenverklaarde verminderd toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over.

Gezien de aard en ernst van het bewezenverklaarde kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht dit een ernstige vorm van doodslag, maar daar staat tegenover dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Hoewel de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf passend en geboden is, gelet op de ernst van het feit. De rechtbank legt de verdachte daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaren op, met aftrek van het voorarrest.

6 De vordering van de benadeelde partijen

Als benadeelde partijen, met een vordering tot schadevergoeding, hebben zich gevoegd de vader ( [vader slachtoffer] ), de [moeder slachtoffer] ), de broer ( [broer slachtoffer] ) en een vriend [vriend slachtoffer] ) van het slachtoffer.

[vader slachtoffer] heeft een bedrag van € 27.646,28 gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit € 17.500,- aan immateriële schade (affectieschade) en € 10.146,28 aan kosten van de uitvaart.

[moeder slachtoffer] heeft een bedrag van € 19.010,69 gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit€ 17.500,- aan immateriële schade (affectieschade) en € 1.510,69 aan kosten voor een retourticket Suriname – Nederland om bij de uitvaart van haar zoon aanwezig te zijn.

[broer slachtoffer] heeft een bedrag van € 22.500,- aan immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit € 17.500,- aan immateriële schade (affectieschade) en € 5.000,- aan shockschade.

[vriend slachtoffer] heeft een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen voldoende zijn onderbouwd en voor volledige toewijzing in aanmerking komen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat alle vorderingen moeten worden afgewezen vanwege de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair acht de verdediging de vorderingen te belastend voor het strafproces en onvoldoende onderbouwd. Voor de vorderingen tot vergoeding van immateriële schadevergoeding zou een klein voorschot op zijn plaats kunnen zijn, maar voor het overige zouden de benadeelde partijen hun vordering bij de civiele rechter aanhangig moeten maken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [vader slachtoffer]

Affectieschade

Op grond van artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is, indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, die ander verplicht tot vergoeding van een bedrag voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat aan de in het vierde lid van dat artikel genoemde naasten. Onder deze naasten vallen onder meer degenen die ten tijde van het overlijden ouder van de overledene zijn (lid 4 sub c) en andere personen die ten tijde van de gebeurtenis (het overlijden) in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van lid 3 als naasten worden beschouwd (lid 4 sub g).

Het bedrag dat voor toekenning voor vergoeding van deze affectieschade in aanmerking komt wordt bij algemene maatregel van bestuur, in dit geval het Besluit Vergoeding Affectieschade, vastgesteld. Volgens artikel 1 lid 1 van dit Besluit geldt, in het geval van overlijden door een misdrijf, een vergoeding van € 17.500,- voor beide hiervoor genoemde categorieën van naasten.

Het voorgaande betekent dat [vader slachtoffer] , de vader van het slachtoffer, recht heeft op vergoeding van affectieschade van € 17.500.-, zoals hij heeft gevorderd. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.

Kosten uitvaart

Op grond van artikel 6:108 lid 2 BW is de aansprakelijke, in dit geval de verdachte, ook verplicht tot vergoeding van de kosten van lijkbezorging, voor zover deze kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. [vader slachtoffer] heeft gesteld en met bonnen onderbouwd dat zijn schade in dit verband € 10.146,28 (uitvaart en grafmonument) bedraagt. Dit zijn geen ongebruikelijk hoge kosten voor lijkbezorging. De vordering is hiermee voldoende onderbouwd en zal daarom worden toegewezen.

Conclusie:

De rechtbank zal de vordering van [vader slachtoffer] in het geheel toewijzen, inclusief de wettelijke rente met ingang van 17 januari 2019.

Nu de verdachte wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld en naar burgerlijk recht voor de door [vader slachtoffer] geleden schade aansprakelijk is, zal de rechtbank ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Vordering [moeder slachtoffer]

Affectieschade

Voor [moeder slachtoffer] , de moeder van het slachtoffer, bestaat op grond van dezelfde argumenten als hierboven voor [vader slachtoffer] beschreven een recht op vergoeding van affectieschade van € 17.500,-. Nu dit ook het bedrag is dat zij heeft gevorderd zal dit deel van haar vordering in het geheel worden toegewezen.

Vliegtickets

[moeder slachtoffer] heeft gesteld dat zij woonachtig is in Suriname en voor de uitvaart van haar zoon naar Nederland is gekomen. Dit is door de verdediging niet weersproken. Ter onderbouwing van haar vordering heeft zij een kopie van haar vliegticket overgelegd met daarop een bedrag van € 1.510,69. Haar vordering is daarmee voldoende onderbouwd en zal daarom worden toegewezen.

Conclusie:

De rechtbank zal de vordering van [moeder slachtoffer] in het geheel toewijzen, inclusief de wettelijke rente met ingang van 17 januari 2019.

Nu de verdachte wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld en naar burgerlijk recht voor de door [moeder slachtoffer] geleden schade aansprakelijk is, zal de rechtbank ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Vordering [broer slachtoffer]

Affectieschade

is de broer van het slachtoffer. Hij heeft gesteld dat hij en het slachtoffer naast broers ook beste vrienden en sinds een aantal jaar ook huisgenoten waren. Zij gingen samen naar de sportschool en gingen samen op stap. Deze stellingen zijn door de verdediging niet betwist, zodat de rechtbank dit als vaststaand zal aannemen. Naar het oordeel van de rechtbank wijst dit alles op een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene dat uit de eisen van redelijkheid voortvloeit dat [broer slachtoffer] voor de toekenning van een schadevergoeding als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 3 BW moet worden aangemerkt (artikel 108 lid 4 onder g BW ). Ook [broer slachtoffer] heeft om die reden recht op de door hem gevorderde schadevergoeding van € 17.500,-. Dit deel van zijn vordering zal dan ook worden toegewezen.

Shockschade

Op basis van bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden als door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

[broer slachtoffer] was, zoals hierboven vastgesteld, broer, beste vriend en huisgenoot van het slachtoffer en stond om die reden in een nauwe affectieve relatie tot het slachtoffer. Op de bewuste 17 januari 2019 is hij er getuige van geweest hoe zijn broer op enkele meters afstand van hem werd neergestoken. Voorts blijkt uit het dossier dat hij kort hierna bij zijn broer is gebleven en het bloeden heeft proberen te stoppen met zijn sjaal. Korte tijd later is zijn broer overleden. Ter onderbouwing van zijn vordering is een Vastgesteld Behandelplan BasisGGZ van 6 november 2019 overgelegd, waarin de psychische gevolgen van de dood van zijn broer staan beschreven. Er is onder meer sprake van inslaapproblemen, nachtmerries, flash-backs, schrikreacties, verhoogde alertheid, vermijding van situaties en herinneringen en schuldgevoelens. Er is diagnostisch gezien sprake van een posttraumatische stressstoornis. Dit is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [broer slachtoffer] als gevolg van het waarnemen van het tenlastegelegde een hevige emotionele schok heeft moeten ondergaan met geestelijk letsel tot gevolg. De vordering van € 5.000,- is onder de genoemde omstandigheden billijk en zal daarom door de rechtbank worden toegewezen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering van [broer slachtoffer] in het geheel toewijzen, inclusief de wettelijke rente met ingang van 17 januari 2019.

Nu de verdachte wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld en naar burgerlijk recht voor de door [broer slachtoffer] geleden schade aansprakelijk is, zal de rechtbank ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Vordering [vriend slachtoffer]

De vordering van [vriend slachtoffer] tot vergoeding van immateriële schade is gebaseerd op de ten laste gelegde poging tot doodslag/zware mishandeling van [vriend slachtoffer] door de verdachte. Zoals hierboven overwogen wordt de verdachte van dit feit vrijgesproken. Om die reden zal de rechtbank [vriend slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I:

doodslag;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [vader slachtoffer] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [vader slachtoffer] een bedrag van € 27.646,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 27.646,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van benadeelde [vader slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 173 (honderddrieënzeventig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [moeder slachtoffer] een bedrag van € 19.010,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 19.010,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van benadeelde [moeder slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 130 (honderddertig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [broer slachtoffer] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [broer slachtoffer] een bedrag van € 22.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 22.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van benadeelde [broer slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 147 (honderdzevenenveertig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat [vriend slachtoffer] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. A.P. Sno, rechter,

mr. P.G. Salvadori, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Haalem, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2019.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal opgemaakt in onderzoek ‘Vuren’ met het nummer DH2R019007, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 530 + forensisch dossier doorgenummerd p. 1 t/m 128).

Proces-verbaal van bevindingen Westeinde, p.75-76.

Een geschrift, te weten een het NFI rapport d.d. 19 februari 2019 “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood”, p.31 van het forensisch dossier.

Proces-verbaal van aanhouding, p. 400-401.

Proces-verbaal van bevindingen, p.44.

De eigen waarneming van de rechterbank van de compilatie beelden.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 december 2019.

Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , p.207-211.

Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 26 september 2019.

Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] bij de rechter-commissaris d.d. 31 oktober 2019.

Een geschrift, te weten een NFI-rapport d.d. 25 maart 2019 “Rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident gepleegd in ’s-Gravenhage op 17 januari 2019”, p.122-126 van het forensisch dossier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature