< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Geen voorlopige voorziening om verstrijken overdrachtstermijn door corona-maatregelen in Dublinprocedure te voorkomen.

De voorzieningenrechter begrijpt dat verweerder het onwenselijk acht dat hij verantwoordelijk wordt voor de asielaanvraag van verzoeker indien de overdrachtstermijn verloopt. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen of ambtshalve een voorziening of ordemaatregel te treffen. Door de corona-pandemie zijn feitelijke overdrachten thans niet mogelijk. Dit kan tot gevolg hebben dat de overdrachtstermijn van zes maanden na totstandkoming van een claimakkoord ongebruikt verstrijkt. De Dublinverordening voorziet niet in de mogelijkheid voor lidstaten om de overdrachtstermijn te verlengen of te stuiten als ten gevolge van een pandemie de interne grenzen van de Unie zijn gesloten of grensoverschrijdend verkeer feitelijk niet kan plaatsvinden. De Dublinverordening behelst voorts dat de vreemdeling snel duidelijkheid wordt geboden over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Ook dit uitgangspunt van de Dublinverordening verzet zich tegen toewijzing van de voorlopige voorziening zoals verweerder dit thans voorstaat.

De voorzieningenrechter vindt thans steun voor deze redenering in de “Mededeling van de Commissie – COVID-19: Richtsnoeren betreffende de uitvoering van de relevante EU-bepalingen op het gebied van de asiel- en terugkeerprocedures en betreffende hervestiging” van 17 april 2020 (2020/ 126/02). De Commissie overweegt –onder meer- :

“Wanneer een overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd, verschuift de verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de Dublinverordening naar de lidstaat die om de overdracht heeft verzocht. De verordening bevat geen bepaling die toestaat van deze regel af te wijken in een situatie zoals die welke als gevolg van de COVID-19-pandemie is ontstaan.”

De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat het treffen van een voorlopige voorziening om –kort gezegd- te verzekeren dat de corona-crisis de feitelijke overdracht niet belemmert in strijd is met de Dublinverordening en de strekking van de bovenstaande mededeling van de Europese Commissie. Het verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6494

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1992, alias [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1990, van Soedanese nationaliteit, verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.J.P. Lemmen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 1 december 2019 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer NL20.6493.

De zitting zou plaatsvinden op 21 april 2020. De voorzieningenrechter heeft partijen op 14 april 2020 bericht dat zij in verband met de ontwikkelingen rondom het coronacrisis heeft besloten om de zaak schriftelijk voort te zetten en een fysieke zitting achterwege te laten. De voorzieningenrechter heeft hiertoe een verweerschrift opgevraagd. De voorzieningenrechter heeft op 21 april 2020 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, onder meer indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter is verzocht om hangende het beroep met zaaknummer NL20.6493 een voorlopige voorziening te treffen totdat op het beroep is beslist.

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4. Op 16 april 2020 heeft de voorzieningenrechter kennis genomen van het schrijven van verweerder waarin, in plaats van inhoudelijk verweer te voeren, wordt aangegeven dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening en aanhouding van de inhoudelijke behandeling van het beroep. Verweerder heeft dit als volgt gemotiveerd:

“Omwille van een procesmatig efficiënte en pragmatische oplossing voor alle

partijen, alsook om een onevenredige belasting van de rechtbanken en de

Afdeling in de toekomst te voorkomen, en omdat een uitzonderlijke situatie

vraagt om uitzonderlijke maatregelen, neemt de staatssecretaris daarom nu

het volgende standpunt in.

Verweerder verzet zich niet tegen toewijzing van het verzoek om een

voorlopige voorziening en het aanhouden van de inhoudelijke behandeling van

het beroep tot een nader te bepalen tijdstip.”

5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend om te voorkomen dat hij wordt overgedragen alvorens het beroep bij de rechtbank is behandeld. Verweerder verzet zich thans niet tegen toewijzing van dit verzoek. De voorzieningenrechter vermag niet in te zien dat verweerder zich –mede- op dit standpunt stelt om een onevenredige belasting van de rechtbanken in de toekomst te voorkomen. Immers, de voorgestelde werkwijze waarbij de inhoudelijke behandeling van de beroepen wordt uitgesteld, zal nu juist een extra belasting in de toekomst met zich brengen. De zaken, zoals te doen gebruikelijk, op volgorde van binnenkomst agenderen op een zitting en vervolgens de beroepen al dan niet schriftelijk behandelen en binnen de uitspraaktermijn uitspraak doen voorkomt wel een onevenredige belasting van de rechtbanken in de toekomst. Verweerder is bovendien steeds in gelegenheid om zijn inhoudelijke standpunt naar voren te brengen, zodat verweerder geen processuele beperkingen ondervindt bij het laten doorgaan van de inhoudelijke behandeling van Dublinzaken. De voorzieningenrechter merkt overigens op dat verweerder in andere procedures ook geen aanleiding ziet om vanwege de corona-maatregelen reeds genomen besluiten in te trekken of te wijzigen om zo de rechtsgevolgen te schorsen. In bewaringszaken gaat verweerder bijvoorbeeld niet steevast over tot het ambtshalve of op verzoek opheffen van de maatregel en bij zogenaamde statushouders wordt de verplichting om onmiddellijk naar de vergunningverlenende lidstaat te vertrekken ook niet ambtshalve geschorst. Verweerder stelt zich in die procedures steeds op het standpunt dat slechts sprake is van tijdelijke belemmeringen voor uitzetting, overdracht of terugkeer door de corona-maatregelen. Het nu instemmen met het toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening is dan ook niet consistent met het standpunt in overige procedures en beoogt dus enkel de belangen van verweerder, die tegenovergesteld zijn aan de belangen van de vreemdeling, veilig te stellen.

6. De voorzieningenrechter leest in de overige motivering van verweerder de wens om –in alle Dublinzaken- de overdrachtstermijn te stuiten. De voorzieningenrechter stelt vast dat formeel door partijen hetzelfde wordt beoogd, namelijk het schorsen van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Echter de strekking van het verzoek van verzoeker staat haaks op de strekking en motivering van het standpunt van verweerder om zich thans niet te verzetten tegen toewijzing. Om die reden zal de voorzieningenrechter niet aannemen dat partijen het eens zijn over toewijzing van dit verzoek.

7. De voorzieningenrechter begrijpt voorts dat verweerder het onwenselijk acht dat hij verantwoordelijk wordt voor de asielaanvraag van verzoeker indien de overdrachtstermijn verloopt. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen of ambtshalve een voorziening of ordemaatregel te treffen. Door de corona-pandemie zijn feitelijke overdrachten thans niet mogelijk. Dit kan tot gevolg hebben dat de overdrachtstermijn van zes maanden na totstandkoming van een claimakkoord ongebruikt verstrijkt. De Dublinverordening voorziet niet in de mogelijkheid voor lidstaten om de overdrachtstermijn te verlengen of te stuiten als ten gevolge van een pandemie de interne grenzen van de Unie zijn gesloten of grensoverschrijdend verkeer feitelijk niet kan plaatsvinden. De Dublinverordening behelst voorts dat de vreemdeling snel duidelijkheid wordt geboden over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Ook dit uitgangspunt van de Dublinverordening verzet zich tegen toewijzing van de voorlopige voorziening zoals verweerder dit thans voorstaat.

8. De voorzieningenrechter vindt thans steun voor deze redenering in de “Mededeling van de Commissie – COVID-19: Richtsnoeren betreffende de uitvoering van de relevante EU-bepalingen op het gebied van de asiel- en terugkeerprocedures en betreffende hervestiging” van 17 april 2020 (2020/ 126/02). De Commissie overweegt –onder meer- :

“Wanneer een overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd, verschuift de verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de Dublinverordening naar de lidstaat die om de overdracht heeft verzocht. De verordening bevat geen bepaling die toestaat van deze regel af te wijken in een situatie zoals die welke als gevolg van de COVID-19-pandemie is ontstaan.”

9. De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat het treffen van een voorlopige voorziening om –kort gezegd- te verzekeren dat de corona-crisis de feitelijke overdracht niet belemmert in strijd is met de Dublinverordening en de strekking van de bovenstaande mededeling van de Europese Commissie.

10. Overigens heeft de rechtbank heden uitspraak gedaan op het beroep, zodat ook hierom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening bestaat.

11. Het verzoek zal worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.S. Abbing, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op: 21 april 2020

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature