< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Asiel Marokko, LHBTI geaardheid. Verweerder heeft onvoldoende gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 27 november 2018. Het standpunt van verweerder over de ongeloofwaardigheid van eisers homoseksualiteit kan daarom geen stand houden.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.1328

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noorderloos).

Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.1329, plaatsgevonden op 30 januari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Makaddam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op

[geboortedatum] 1982.

2. Op 25 januari 2018 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 25 oktober 2018 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen voornoemd besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 27 november 2018 (zaaknummer NL18.19906) is het beroep gegrond verklaard.

3. Bij besluit van 28 maart 2019 heeft eiser wederom de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspaak van de rechtbank Den Haag van 30 april 2019 gegrond verklaard.

4. Verweerder heeft gesteld dat eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd dat hij Marokko heeft verlaten vanwege zijn seksuele geaardheid. Eiser heeft verklaard dat hij zich vanaf zijn twaalfde levensjaar aangetrokken heeft gevoeld tot mannen, maar dat hij rond zijn vijftiende levensjaar echt heeft geaccepteerd dat hij homoseksueel is en gewoon zo is geboren. Eiser heeft aangegeven dat hij drie verschillende partners heeft gehad: [A] , [B] en [C] . Eiser heeft verklaard dat zijn broer achter zijn relatie met [C] is gekomen en hem toen met een mes in zijn nek heeft gestoken. Als gevolg hiervan is eiser op de vlucht geslagen en heeft hij tussen 1998 en 2003 geen relaties meer gehad. Ook heeft eiser verklaard dat hij vanwege zijn relatie met [C] gezocht zou worden door de politie. Eiser is toen op de vlucht geslagen en heeft op 24 januari 2018 Marokko verlaten uit angst om vervolgd te worden vanwege zijn seksuele geaardheid. Verder heeft eiser ook aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij als kind, tijdens een schoolexcursie, is verkracht door een begeleider.

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit, herkomst;

- verkrachtingen tijdens jeugd;

- LHBTI geaardheid;

- gezocht door de autoriteiten vanwege relatie met een andere man.

6. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ) kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser tijdens zijn jeugd is verkracht, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit de directe reden is geweest voor zijn vertrek uit Marokko. Verweerder acht echter de homoseksuele geaardheid en de stelling dat eiser door de autoriteiten wordt gezocht vanwege een relatie met een man, niet geloofwaardig.

7. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser stelt dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser ongeloofwaardig heeft verklaard over zijn homoseksuele geaardheid. Verweerder legt ten onrechte de nadruk op bewustwording en zelfacceptatie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de geaardheid van eiser, dit is stereotypisch en in strijd met Werkinstructie 2018/9. Verweerder heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom eiser ongeloofwaardig heeft verklaard over zijn homoseksuele geaardheid en het bijbehorende proces.

Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2018. Anders dan verweerder stelt heeft de rechtbank het relaas van eiser op een aantal punten wel geloofwaardig geacht, althans niet onaannemelijk, dan wel geoordeeld dat verweerder een en ander onvoldoende heeft gemotiveerd.

Zo volgt uit deze uitspraak dat het niet onaannemelijk is dat tussen eiser en [A] een (seksuele) relatie is ontstaan. Verweerder heeft dit punt in de huidige beschikking echter niet van een andere motivering voorzien. Verweerder gaat voorbij aan de verklaringen van eiser op dit punt, omdat een seksuele relatie niet wordt meegewogen. Verweerder gaat er hier echter aan voorbij dat hetgeen eiser aanvoert juist ziet op zijn denkproces van een, op dat moment, 15-jarige, waardoor verweerder juist uitgaat van onjuiste stereotypen en een emotioneel bewustwordingsproces. Eiser verwijst hierbij naar een brief van het COC waarin is gesteld dat het in strijd is met Werkinstructie 2018/9 om een asielzoeker tegen te werpen dat hij teveel over seks en te weinig over emotionele processen zou hebben verklaard.

Verder stelt eiser zich op het standpunt dat hij geloofwaardig heeft verklaard over zijn relatie met [C] . Eiser heeft foto’s overgelegd waarop hij te zien is met [C] . De stelling van verweerder dat het vreemd is dat eiser dergelijke risicovolle foto’s neemt, kan niet in stand blijven nu eiser deze foto’s heeft overgelegd. Ook over de relatie met [B] heeft eiser geloofwaardig verklaard.

Ook blijft verweerder miskennen dat een normaal leven in Marokko als homoseksueel niet mogelijk is en dat eiser actief is in Nederland en zijn weg in de gay community weet te vinden.

Eiser stelt dan ook dat zijn geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, zodat Marokko voor hem geen veilig land van herkomst is.

Tot slot stelt eiser dat hij zich niet kan verenigen met het inreisverbod.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. De twee voorgaande uitspraken die zien op de asielaanvraag van eiser, staan in rechte vast. Voor zover de rechtbank in deze uitspraken een uitdrukkelijk oordeel heeft gegeven, dient daarvan dan ook uit te worden gegaan in de huidige procedure. Eiser heeft gesteld dat verweerder dit juist niet heeft gedaan, omdat verweerder de punten waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat deze onvoldoende gemotiveerd waren, niet van een andere dan wel nadere motivering heeft voorzien. Nu deze punten nog immer onderdeel uitmaken van de integrale beoordeling van het asielrelaas van eiser zal de rechtbank eerst beoordelen of verweerder deze onderdelen, zoals door eiser uitdrukkelijk is betwist, van een voldoende motivering heeft voorzien met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld. Daarbij zal eerst de betreffende rechtsoverweging uit de uitspraak van 27 november 2018 worden aangehaald en vervolgens beoordeeld of verweerder conform het eerder gegeven oordeel heeft gehandeld.

10.1.

In rechtsoverweging 3.1.2 van de uitspraak van 27 november 2018 is geoordeeld dat verweerder niet zonder nadere motivering aan eiser kan tegenwerpen dat hij algemene verklaringen heeft afgelegd over zijn eigen ervaring en persoonlijke beleving van zijn geaardheid. Verweerder heeft voorts volgens de rechtbank niet aangegeven welke verklaringen van eiser te algemeen zouden zijn.

10.2.

Verweerder heeft in het bestreden besluit (p.4), samengevat weergegeven, overwogen dat eiser blijft steken in algemeenheden en derhalve onvoldoende heeft verklaard op welk moment de maat voor hem vol was, hoe hij tot acceptatie is gekomen, wat hij emotioneel gezien heeft doorgemaakt tijdens zijn innerlijke strijd en wat voor hem de acceptatie heeft betekend, zeker nu zijn familie fel gekant is tegen homoseksualiteit. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere persoonlijke ervaringen over de periode van de ontdekking van zijn seksualiteit kunnen benoemen.

10.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee onvoldoende nader heeft gemotiveerd waarom eiser in algemeenheden heeft verklaard over zijn eigen ervaring en persoonlijke beleving van zijn geaardheid. Van belang is daarbij dat de rechtbank in de uitspraak van 27 november 2018 in rechtsoverweging 3.1.1. onder meer het volgende heeft overwogen. Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij heen en weer werd geslingerd tussen twijfel en acceptatie. Dat eiser moeite had om zijn geaardheid compleet te accepteren, omdat hij bang was voor de reacties van zijn familie en de maatschappij. Dat eiser zijn gevoelens niet volledig accepteerde en hij op zijn vijftiende jaar de knoop heeft doorgehakt en volledig geaccepteerd heeft wie en wat hij is.

Rechtsoverweging 3.1.1. ziet weliswaar op het moment van acceptatie en dat dit ten onrechte als tegenstrijdig is aangemerkt, echter dat betekent niet dat hetgeen de rechtbank verder heeft overwogen in deze rechtsoverweging verder niet hoeft te worden betrokken in de vraag of de verklaringen van eiser algemeen zijn. De rechtbank heeft hier namelijk ook overwogen dat het door verweerder gemaakte onderscheid tussen in- en externe acceptatie niet overeenkomt met eisers verklaringen op dit punt.

11.1.

In rechtsoverweging 3.2.2. heeft de rechtbank bij de uitspraak van

27 november 2018 voorts geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het ontstaan van de relatie van eiser en [A] opmerkelijk is, mede nu eiser in de zienswijze heeft verklaard dat hij zich als jongen van vijftien of zestien jaar heeft laten meeslepen door lustgevoelens. Verweerder is in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de mogelijkheid dat eiser, zoals gesteld, zich zou hebben laten meeslepen in een moment van seksuele opwinding. In rechtsoverweging 3.2.4. heeft de rechtbank verder overwogen dat verweerder in het bestreden besluit heeft erkend dat eiser voldoende heeft verklaard over zijn relatie met [A] .

11.2.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat lustgevoelens niet de beoordeling van de geaardheid van eiser betreffen, maar zijn handelen als puber. Deze gevoelens dienen daarom niet betrokken te worden bij de beoordeling van de geaardheid van eiser. Verweerder verwijst hierbij naar Werkinstructie 2019/17 waarin uiteengezet is dat seksuele gevoelens en het handelen daarnaar geen onderdeel uitmaken van een beoordeling van een LHBTI-gerichtheid.

11.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, in het licht van hetgeen de rechtbank heeft overwogen in de uitspraak van 27 november 2018, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het ontstaan van de relatie van eiser en [A] opmerkelijk is. Verweerder is namelijk nog steeds niet gemotiveerd ingegaan op de mogelijkheid dat eiser zich zou hebben laten meeslepen in een moment van seksuele opwinding. Deze verklaring van eiser ziet op het ontstaan van de gestelde relatie met [A] en dient in dat kader door verweerder te worden betrokken bij de beoordeling van het algehele asielrelaas, waar de relatie met [A] onderdeel van uit maakt. Dat deze lustgevoelens zien op seksuele gevoelens en het handelen daarnaar en daarmee dus geen onderdeel uitmaken van een beoordeling van een LHBTI-gerichtheid volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de Werkinstructie. Het betreft hier niet expliciete verklaringen over seksuele handelingen, maar over de wijze waarop de relatie met [A] is ontstaan en welke gevoelens daar een rol bij speelden. De geaardheid van eiser moet worden beoordeeld aan de hand van zijn verklaringen. Dat een verklaring die ziet op het ontstaan van een gestelde relatie niet zou hoeven te worden betrokken bij de beoordeling van de geaardheid, volgt de rechtbank niet.

12.1.

In rechtsoverweging 3.2.7. van de uitspraak van 27 november 2018 is overwogen dat uit de verklaringen van eiser volgt dat hij foto’s en video’s, waarop hij dansend en vrijend te zien is, in de privésfeer heeft gemaakt en dat die beelden dus niet bestemd waren om aan meer mensen te laten zien. Van verweerder mocht dan ook verwacht worden dat hij zou motiveren waarom desondanks van eiser mocht worden verwacht dat hij het maken van dergelijke privéfoto’s en –filmpjes door zijn partner en het bewaren daarvan op de computer van zijn partner niet zou toestaan. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder door niet in te gaan op het privé-aspect van de foto’s en filmpjes zijn besluitvorming op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

12.2.

Verweerder heeft overwogen dat de enkele niet onderbouwde verklaring van eiser dat hij niet bevreesd was, omdat het maken van de foto’s in de privésfeer heeft plaatsgevonden, niet aan te merken is als een aannemelijke verklaring voor het nemen van een dermate groot risico. Immers, hoewel eiser om garanties zou hebben gevraagd van [C] kan van eiser echter in de huidige tijdsgeest en de betreffende Marokkaanse cultuur, waar een taboe heerst op homoseksualiteit, een absolute voorzichtigheid worden verwacht. Niet valt in te zien dat eiser, wetende wat de consequenties van het mogelijk uitkomen van dergelijk beeldmateriaal zijn, er desalniettemin voor zou hebben gekozen om het beeldmateriaal te maken én te (laten) bewaren. Verweerder stelt dan ook dat de overgelegde foto’s niet stroken met het asielrelaas van eiser.

12.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom van eiser verwacht mocht worden dat hij zijn partner niet zou toestaan dat hij belastende foto’s en filmpjes van hem zou maken en bewaren. Dat eiser hiermee een groot risico nam, ook al is het beeldmateriaal in de privésfeer gemaakt, acht de rechtbank in het licht van de overwegingen uit de voorgaande uitspraak, geen deugdelijke nadere motivering.

Daarbij acht de rechtbank verder van belang dat eiser in beroep kleurenfoto’s van hem en, naar zijn eigen zeggen, [C] heeft overgelegd. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat niet duidelijk is of [C] degene is die op de foto’s staat. Echter dit laat onverlet dat eiser wel foto’s heeft overgelegd en dit als een ondersteuning van zijn ingenomen stelling kan worden gezien. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook op dit punt geen deugdelijke nadere motivering heeft gegeven die in lijn is met hetgeen in de eerdere uitspraak is overwogen.

13. De rechtbank concludeert reeds gelet op voornoemde overwegingen dat verweerder onvoldoende gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 27 november 2018. Het standpunt van verweerder over de ongeloofwaardigheid van eisers homoseksualiteit kan daarom geen stand houden. De aanvraag is ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarmee kan het inreisverbod ook geen stand houden. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht . De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.H. van Limpt, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature