< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Trefwoorden: Intrekking verblijfsvergunning, openbare orde, glijdende schaal, 8:84 van de Awb, langdurige ingezetene

Eiser verblijft al 45 jaar rechtmatig in Nederland en is vele malen veroordeeld voor het plegen van misdrijven (ook geweldsmisdrijven) en heeft langdurig in de detentie verbleven. Omdat eiser in 2014 en 2017 opnieuw een misdrijf heeft gepleegd, is de per 2012 gewijzigde glijdende schaal op hem van toepassing, waarbij de eindtermijn is afgeschaft. Dit betekent volgens verweerder dat eisers verblijfsvergunning kon worden ingetrokken en dat aan hem een zwaar inreisverbod kon worden opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat in beginsel aan de vereisten van de glijdende schaal is voldaan, maar dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of hij gebruik moest maken van zijn bevoegdheid om de verblijfsvergunning in trekken. Verweerder heeft namelijk onvoldoende aandacht besteed aan de lange legale verblijfsduur in Nederland, het ontbreken van banden met Marokko en de problematische jeugd van eiser inclusief de uithuisplaatsing vanwege problemen met zijn traditioneel Marokkaanse vader. Ook heeft verweerder niet voldoende aandacht gegeven aan de context waarbinnen de misdrijven zijn gepleegd en de verslavingsproblematiek. Eiser heeft met stukken onderbouwd dat hij bezig is op de goede weg te komen.

Aan het bestreden besluit kleeft daarom een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Bovendien had verweerder eiser na zo’n lange verblijfsduur moeten horen in bezwaar over de intrekking. Het horen in bezwaar is niet hetzelfde als het horen in het kader van het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning.

Het beroep is gegrond en verweerder moet opnieuw op het bezwaar van eiser beslissen.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2682

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1970] , van Marokkaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. C. Chen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy Kovács).

Procesverloop

In het besluit van 7 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken vanaf 19 februari 2014 en aan hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren vanaf de datum dat hij Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Het besluit bevat ook een terugkeerbesluit dat inhoudt dat eiser Nederland meteen moet verlaten.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder in het besluit van 29 maart 2019 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 6 juni 2019 een voorlopige voorziening getroffen die inhoudt dat het primaire besluit en het bestreden besluit worden geschorst tot vier weken na de uitspraak op het beroep.

De zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S. Kahraman, die de zaak waarneemt voor de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

De zaak gaat over de intrekking van de verblijfvergunning van eiser omdat hij diverse misdrijven heeft begaan en over het daaropvolgende besluit van verweerder om hem gedurende een periode van tien jaar niet toe te laten tot Nederland. Eiser woont al ruim 45 jaar in Nederland maar hij heeft de Marokkaanse nationaliteit. Verweerder vindt dat eiser in Marokko kan gaan wonen. De hoofdvraag die de rechtbank moet beoordelen is of verweerder voldoende gemotiveerd heeft dat de ernst van de inbreuk op de openbare orde in dit geval zwaarder weegt dan het belang van eiser om in Nederland te mogen verblijven en waarom in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat intrekking van de verblijfsvergunning overeenkomstig de beleidsregels in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) niet onevenredig is in verhouding tot het met de beleidsregels gediende doel, namelijk bescherming van de openbare orde. Voordat de rechtbank aan deze beoordeling toekomt zal zij eerst een processueel punt over het griffierecht bespreken. Vervolgens zal zij de voor deze zaak relevante feiten noemen de artikelen noemen waar verweerder zijn bevoegdheid aan ontleent en vervolgens kort haar oordeel geven. Vervolgens zal de rechtbank de criteria weergeven die verweerder bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid moet betrekken en motiveren waarom de rechtbank aan de hand van die criteria tot haar oordeel is gekomen.

Eiser heeft zijn beroep op het rechtszekerheidsbeginsel tijdens de zitting ingetrokken, dus dat punt hoeft geen bespreking meer.

Het beroep op betalingsonmacht

3. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Tijdens de zitting heeft eiser verklaard dat hij weer over voldoende geld beschikt om het griffierecht te kunnen betalen. Daarom is het verzoek om vrijstelling ingetrokken en is eiser in de gelegenheid gesteld het griffierecht alsnog te voldoen. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser het griffierecht na de zitting heeft voldaan.De feiten

4. Eiser heeft sinds 25 februari 1974 rechtmatig verblijf in Nederland en heeft vanaf 14 juli 1988 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (JDD) blijkt dat eiser heel vaak is veroordeeld voor het plegen van misdrijven. Op 19 februari 2014 heeft hij zich schuldig gemaakt aan diefstal uit een woning (inbraak) en is hij veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Door deze veroordeling kon verweerder de verblijfsvergunning van eiser intrekken, omdat werd voldaan aan de per 1 juli 2012 gewijzigde wetgeving. Verweerder heeft op 9 mei 2016 een voornemen uitgebracht om de verblijfsvergunning in te trekken en eiser een inreisverbod op te leggen, maar hij heeft hier bij nader inzien toch van afgezien, gelet op de door eiser naar voren gebrachte informatie. Verweerder heeft eiser wel gewaarschuwd dat als hij opnieuw onherroepelijk zou worden veroordeeld voor een misdrijf, verweerder opnieuw zou bekijken of dit gevolgen zou hebben voor zijn recht op verblijf.

4.1.

Eiser heeft op 28 oktober 2017 een woninginbraak gepleegd. Hij is hiervoor veroordeeld tot 150 dagen gevangenisstraf, waarvan elf dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarom heeft verweerder de verblijfsvergunning nu wel ingetrokken en aan eiser een inreisverbod opgelegd. De bevoegdheid van verweerder

5. Verweerder kan de verblijfsvergunning van een houder daarvan - kort samengevat - wegens het plegen van misdrijven intrekken met toepassing van artikel 22, tweede lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ) in samenhang met de artikelen 3.98 en 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), de zogenoemde glijdende schaal. Verweerder trekt de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in als zich een omstandigheid voordoet als genoemd in artikel 22, tweede lid, van de Vw en als de artikelen 3.97 en 3.98 Vb hierop geen uitzondering maken. Dit beleid staat in paragraaf B12/2.8 van de Vc en verweerder heeft daar in dit geval naar gehandeld.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder in dit geval de bevoegdheid heeft om op grond van de hiervoor genoemde wet- en regelgeving en het beleid de verblijfsvergunning van eiser in te trekken. Uit het JDD blijkt dat eiser vele malen is veroordeeld voor misdrijven en dat daaronder ook misdrijven zijn als bedoeld in artikel 22b van het WvSr die maken dat de uitzondering van artikel 3.86, tiende lid, van het Vb voor eiser niet geldt. Verweerder heeft eiser tegen kunnen werpen dat hij onder andere is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. De kern van eisers beroep is dat verweerder weliswaar bevoegd was om de verblijfsvergunning in te trekken, maar dat hij hier in dit geval, vanwege de aangevoerde omstandigheden, geen gebruik van heeft mogen maken.Het oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken, omdat de besluitvorming - gelet op de aangevoerde bijzondere omstandigheden - gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt onvoldoende dat verweerder alle relevante aspecten zorgvuldig heeft afgewogen.

Welke aspecten moet verweerder bij de beoordeling betrekken?

8. Voor 1 januari 2012 gold er een eindtermijn waardoor na een langdurige periode van rechtmatig verblijf (in de regel 20 jaar en in sommige gevallen, waarbij de vreemdeling in Nederland was geboren of hier op zeer jonge leeftijd was gekomen, zoals eiser, 15 jaar) niet meer tot intrekking van de verblijfsvergunning kon worden overgegaan. Deze eindtermijn is echter afgeschaft. In dit kader heeft de Minister criteria genoemd die op grond van jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens een rol spelen bij de beoordeling van verblijfsbeëindiging na langdurig verblijf.(…)“In de uitspraak Maslov t. Oostenrijk, (…), is bepaald dat verblijfsbeëindiging mogelijk is voor diegenen die in het land van verblijf geboren zijn of zich op zeer jonge leeftijd heeft gevestigd, indien er zeer ernstige redenen voor zijn. Daarbij moet wel worden gelet op de aard en ernst van de misdrijven, de duur van verblijf, de verstreken tijd tussen de misdrijven en de maatregel, en het gedrag van de vreemdeling gedurende deze periode en de stevigheid van de sociale, culturele en familiebanden met het land van verblijf en het land waarnaar de vreemdeling wordt uitgezet (r.o. 71). Daarnaast kan de leeftijd van de vreemdeling een rol spelen, en de vraag of hij deze misdrijven op jeugdige leeftijd pleegde (r.o. 72). Bij de aard en ernst van de gepleegde misdrijven weegt de vraag of er sprake is van een gewelddadig misdrijf zwaar. Het EHRM erkent expliciet dat een maatregel tot uitzetting een legitiem doel dient, namelijk het voorkomen van wanordelijkheden en criminaliteit (r.o. 67).Toepassing van de glijdende schaal kan na langer dan tien jaar verblijf slechts leiden tot verblijfsbeëindiging bij zeer ernstige gewelds- en zedenmisdrijven. Onder het huidige recht is dit beperkt tot drugs- en geweldsmisdrijven. Dit kabinet is van mening dat zedenmisdrijven zeker zo ernstig zijn te achten als drugs- en geweldsmisdrijven. De lichamelijke integriteit van het slachtoffer wordt geschonden en de maatschappelijke onrust die dergelijke misdrijven veroorzaken is vaak groot.Hierom acht het kabinet het gerechtvaardigd om de mogelijkheid te openen om dergelijke misdrijven tegen te werpen bij een langdurig verblijf, ook indien er sprake is van vreemdelingen die vanaf zeer jonge leeftijd in Nederland heeft verbleven. Daarbij zij opgemerkt dat in alle gevallen een individuele toetsing plaatsvindt, waarbij elk van de hierboven genoemde criteria worden meegewogen.”(…)De beoordeling van deze zaak aan de hand van de door de Minister geformuleerde criteria.

9. Vaststaat dat eiser vanaf zeer jonge leeftijd (3 jaar oud) legaal in Nederland verblijft en dat hij op het moment van het bestreden besluit een rechtmatige verblijfsduur had van 45 jaar. Eiser heeft onweersproken gesteld dat hij op 13-jarige leeftijd uit huis is geplaatst vanwege problemen met zijn vader en dat hij een moeilijke jeugd heeft gehad in Nederlandse instellingen. Hij heeft gesteld dat hij geen banden heeft met Marokko; hij is daar weinig geweest en heeft daar geen familie wonen. Verweerder vindt dat het feit dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft en bekend moet worden geacht met de cultuur en taal van dat land, voldoende is om te integreren in de Marokkaanse maatschappij. De rechtbank vindt deze motivering ontoereikend. Dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft, is op zichzelf niet voldoende om aan te nemen dat hij banden met dat land heeft. Zonder nadere motivering heeft verweerder niet kunnen concluderen dat de banden met Marokko in voldoende mate aanwezig zouden moeten zijn, omdat eiser bekend wordt verondersteld met de taal en cultuur. Verweerder heeft daarbij namelijk geen aandacht besteed aan de achtergrond van eiser, te weten de moeizame jeugd, de uithuisplaatsing op jonge leeftijd en de ingewikkelde thuissituatie van toen, die naar het oordeel van de rechtbank maken dat de banden die eiser via zijn ouders met Marokko zou hebben, niet zonder meer verondersteld aanwezig kunnen worden geacht. De rechtbank vindt hierbij ook van belang dat eiser ter zitting heeft verklaard dat de oorzaak van het probleem met zijn vader er nu juist in was gelegen dat hij zich Nederlands ging gedragen en - zo begrijpt de rechtbank - zich Nederlander voelde. Dat eiser ten tijde van het bestreden besluit geen werk of gezin had, betekent verder ook niet dat zijn banden met Nederland dus niet sterk zouden zijn. Na een verblijf van 45 jaar mag worden verondersteld dat eisers banden met Nederland sterk zijn en dat hij - ondanks de jaren in detentie - een leven heeft opgebouwd in Nederland.

9.1.

Ook heeft verweerder in zijn afweging van de belangen er onvoldoende blijk van gegeven dat hij voldoende oog heeft gehad voor de context waarbinnen eiser de misdrijven heeft gepleegd, zoals gelet op de door de Minister genoemde criteria wel had gemoeten. Het gaat, zo blijkt uit de reclasseringsrapporten, om een man met ernstige verslavingsproblematiek die bekend staat als veelpleger. Eiser heeft een fors strafblad in Nederland en heeft langdurig in detentie verbleven. Hij heeft echter met stukken onderbouwd dat hij nu op de goede weg is om uit de criminaliteit te komen. Eiser heeft verschillende documenten overgelegd van de reclassering, waaruit dat blijkt. In een brief van 24 april 2018 heeft [A] van de reclassering verklaard dat eiser de afgelopen tweeënhalf jaar belangrijke stappen heeft genomen om zijn leven op orde te brengen. Hij is een rustiger bestaan gaan leiden, waarbij hij vooral het middelengebruik aantoonbaar heeft kunnen beperken. Hij heeft een eigen woning en zit in een schuldhulpverleningstraject dat mogelijk vroegtijdig kan worden afgerond. Bij brief van 2 januari 2019 heeft [A] hieraan toegevoegd dat eiser vanaf de schorsing uit preventieve hechtenis op 11 december 2017 wekelijks is gecontroleerd op het gebruik van alcohol en/of drugs en dat hij nooit positief heeft gescoord op middelengebruik. De kans op recidive is volgens [A] afgenomen van hoog, enkele jaren geleden, naar laaggemiddeld. Dat eiser volledig meewerkt aan de controles blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit een verklaring van 7 januari 2019 van Mediwork Check. Eiser heeft verder melding gemaakt van een behandeling bij De Waag, waar hij sinds 15 mei 2018 acht gesprekken heeft gehad om delict gedrag te voorkomen. Hij is hiermee echter wegens geldgebrek als gevolg van de intrekking van zijn verblijfsvergunning gestopt.

9.2.

Uit wat eiser heeft aangedragen komt het beeld naar voren van een man die probeert zijn leven weer op orde te krijgen, maar daarin niet zonder meer direct succesvol is. Hij heeft namelijk terugvallen. Zonder af te willen doen aan de ernst van deze terugvallen, heeft eiser de terugval van 28 oktober 2017 toegelicht door te wijzen op een relationeel conflict en ook het rijden onder invloed op 14 mei 2019 heeft eiser in een duidelijke context geplaatst, namelijk ten tijde van het ophanden zijn van de zitting van de gevraagde voorlopige voorziening in de periode dat ook zijn uitkering was ingetrokken. Uit de informatie van de reclassering blijkt dat men ondanks deze terugvallen vertrouwen heeft in eiser en dat hij stappen maakt naar een leven zonder verslaving en criminaliteit. Zo heeft eiser - onweersproken - toegelicht dat hij na het rijden onder invloed niet opnieuw door de reclassering is onderworpen aan urinecontroles voor het opsporen van drank of drugs. Dat eiser zijn leven probeert te beteren, blijkt verder ook uit het uittreksel JDD waarop zichtbaar is dat eiser de laatste vier jaren beduidend minder in contact is geweest met justitie dan voorheen en dat de frequentie van het plegen van delicten al enige tijd is verminderd. De rechtbank ziet niet dat verweerder deze positieve ontwikkeling voldoende kenbaar heeft betrokken bij zijn besluitvorming. Verweerder heeft gesteld dat eiser na een eerder gestart traject tot verblijfsbeëindiging nog één kans heeft gehad en dat hij die heeft verspeeld. Dit gaat ervan uit dat iedere terugval in de ontwikkeling van eiser zonder verdere motivering, fataal zou moeten zijn. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de lange verblijfsduur van eiser en aan wat eiser naar voren heeft gebracht over zijn ontwikkeling.

9.3.

Tot slot vindt de rechtbank relevant dat uit de Nota van toelichting en de nadere reactie van de Minister op het advies van de Afdeling over het afschaffen van de eindtermijn, blijkt dat de achtergrond van de afschaffing van de eindtermijn erin is gelegen om op te treden tegen zedenmisdrijven, drugs- en geweldsmisdrijven, omdat door deze misdrijven de lichamelijke integriteit van het slachtoffer wordt geschonden en de maatschappelijke onrust die dergelijke misdrijven veroorzaken vaak groot is. Verweerder heeft er in het primaire besluit op gewezen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een drietal geweldsmisdrijven, waaronder het medeplegen van zware mishandeling op 5 september 1994 en een poging tot zware mishandeling op 20 juli 2002. Verweerder heeft in het bestreden besluit erop gewezen dat eiser zich in 1998 of 1999 schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling door een man diverse malen met een stuk glas te snijden, waarbij het slachtoffer aanzienlijke verwondingen heeft opgelopen (het derde feit van het primaire besluit). Dit laatstgenoemde feit is zonder meer een ernstig geweldsmisdrijf dat aanleiding geeft tot intrekking van de verblijfsvergunning. Echter, dit feit en het feit van 5 september 1994 hebben zich ruim 20 jaar geleden voorgedaan. Het feit van 20 juli 2002 - waarvan het de rechtbank bovendien, net als het feit van 5 september 1994, niet duidelijk is of verweerder dit nu wel of niet aan de intrekking ten grondslag heeft gelegd als geweldsincident - is eveneens zeer lang geleden begaan. De misdrijven die eiser ná afschaffing van de eindtermijn heeft gepleegd vallen niet in de categorie zware geweldsmisdrijven. Zoals uit het JDD en de toelichting van verweerder op zitting blijkt zijn dit voornamelijk woninginbraken en rijden onder invloed. Dit zijn naar hun aard een ander type misdrijven dan verweerder ten grondslag heeft gelegd aan de afschaffing van de eindtermijn. Verweerder heeft tegen deze achtergrond niet voldoende gemotiveerd waarom hij, gelet op de verstreken tijd sinds de geweldsmisdrijven en de als gevolg daarvan verondersteld afgenomen maatschappelijke onrust, en ook de positieve ontwikkelingen van eiser afgezet tegen de overige criteria die in dit kader van belang zijn, vindt dat de door eiser gepleegde misdrijven in dit geval moeten leiden tot intrekking van een verblijfsvergunning na een verblijfsduur van ruim 45 jaar zoals hier aan de orde.De beroepsgrond slaagt.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de ernst van de inbreuk op de openbare orde in dit geval zwaarder weegt dan de duur van het verleende verblijfsrecht en waarom in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat intrekking van de verblijfsvergunning overeenkomstig de genoemde beleidsregels in de Vc niet onevenredig is in verhouding tot het met de beleidsregels gediende doel, namelijk bescherming van de openbare orde. Het besluit is daarmee genomen in strijd met de artikelen 3:4, tweede lid, en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet worden vernietigd. Had verweerder eiser in bezwaar moeten horen?

10. Eiser betoogt tot slot dat verweerder hem in bezwaar had moeten horen. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, was het bezwaar niet kennelijk ongegrond. De rechtbank volgt verweerder ook niet in het standpunt dat eiser door het geven van een zienswijze op het voornemen van verweerder om de verblijfsvergunning in te trekken, zijn standpunt daarover al voldoende voor het voetlicht heeft kunnen brengen. Er zit namelijk een verschil tussen het geven van een reactie op een voornemen en op het besluit tot intrekking zelf dat ook direct tot gevolg heeft gehad dat eiser geen inkomen meer had. Het besluit om tot intrekking van een verblijfsvergunning over te gaan na 45 jaar is verder zo’n ingrijpend besluit dat verweerder ook vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid eiser in de bezwaarfase de gelegenheid had moeten geven hierop te reageren tijdens een hoorzitting. Ook op dit punt slaagt het beroep van eiser.Conlusie

10. De overige beroepsgronden hoeven geen bespreking meer. Het beroep slaagt omdat het besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:4, tweede lid, en 7:12 van de Awb . Verweerder zal, nadat hij eiser heeft gehoord, een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12. De rechtbank ziet verder aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb het primaire besluit te schorsen totdat een nieuw besluit op het bezwaar van eiser is genomen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt

voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder ook het door eiser betaalde griffierecht ter hoogte van € 174,- aan hem vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat eiser niet zal worden uitgezet totdat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser heeft beslist;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,-,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, als voorzitter, en mr. B. Fijnheer en mr. M. den Heijer, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Zaaknummer AWB 18/9572

Nader Rapport ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met aanscherping van de glijdende schaal, 20 maart 2012, Nr. 2012-0000170068, Staatscourant 2012, nr. 14035

Staatscourant 2012, 14035

Vonnis meervoudige strafkamer te Haarlem van 29 mei 2000, parketnummer 15/035042-00


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature