< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bewaring; vervolgberoep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16768

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Verweerder heeft op 16 juni 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser stelt dat hij de Surinaamse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1957].

Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 juli 2020 (in de zaak NL20.12547) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten

grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Volgens eiser zijn er geen gevallen bekend van succesvolle gedwongen verwijderingen naar Suriname in het afgelopen jaar. Verder stelt eiser dat verweerder in de periode tussen 22 juli 2020 en 9 september 2020 geen vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Verweerder meent dat hij voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt en afhankelijk is van de afgifte van een laissez passer (lp), nu eiser zelf geen reisdocument heeft overgelegd. De aanvraag voor afgifte van een lp is nog in behandeling bij de Surinaamse autoriteiten. Volgens verweerder wordt er regelmatig schriftelijk gerappelleerd bij de autoriteiten en niet is gebleken dat de autoriteiten van Suriname geen lp zullen afgeven. Daarnaast heeft verweerder sinds het opleggen van de bewaringsmaatregel drie vertrekgesprekken met eiser gevoerd, laatstelijk op 9 september 2020. Dat het voorgaande vertrekgesprek op 21 juli 2020 heeft plaatsgevonden maakt volgens verweerder op zichzelf niet dat daarmee sprake is van onvoldoende voortvarendheid. Verweerder merkt daarbij op dat niet is gebleken dat eiser niet in de gelegenheid is geweest om relevante feiten met de regievoerder te bespreken of actief meewerkt aan zijn uitzetting naar Suriname.

6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Verweerder heeft op 8 juli 2020 een aanvraag om een lp ingediend bij de Surinaamse autoriteiten. Op 22 juli 2020, 17 augustus 2020 en 2 september 2020 heeft verweerder gerappelleerd bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een lp. De rechtbank overweegt dat verweerder met betrekking tot de afgifte van een lp afhankelijk is van de Surinaamse autoriteiten. Niet gebleken dat is dat deze autoriteiten op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken aan eiser. Daarnaast heeft verweerder op 21 juli 2020 en 9 september 2020 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De omstandigheid dat er in de periode tussen 21 juli 2020 en 9 september 2020 geen vertrekgesprekken gevoerd zijn met eiser, maakt niet dat er sprake is van onvoldoende voortvarend handelen. Bovendien kan eiser de regievoerder benaderen indien hij deze wenst te spreken. Verweerder hoefde dan ook niet meer uitzettingshandelingen te verrichten dan hij heeft gedaan, terwijl op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Eisers beroepsgronden slagen daarom niet.

7. Eiser voert vervolgens aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen nu hij inmiddels drie maanden in bewaring zit als gevolg waarvan zijn medische gesteldheid achteruit gaat en omdat er geen concreet zicht is op een verwijdering.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser thans drie maanden maand in bewaring verblijft. Naar vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring, in beginsel, meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan eisers belangen, ook al is voornoemde

zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn echter niet zodanig bijzonder dat daarom op dit moment aan zijn belangen meer gewicht moet worden toegekend dan aan de belangen van verweerder. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn medische klachten niet heeft onderbouwd. Evenmin is gebleken dat het detentiecentrum niet de noodzakelijke medische zorg aan eiser kan leveren. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

24 september 2020

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



∧ naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature