< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.20362

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Igdeli),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop Bij besluit van 24 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.20363, plaatsgevonden op 11 december 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ) in samenhang met artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) niet-ontvankelijk verklaard, omdat Duitsland aan hem internationale bescherming heeft verleend, waardoor hij een sterke(re) band met Duitsland heeft. Verder heeft verweerder overwogen dat er ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

2. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij zijn land van herkomst in september 2015 heeft verlaten. Hij heeft op 11 oktober 2016 een asielaanvraag ingediend in Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben eiser internationale bescherming verleend op 17 februari 2017.

3. Verweerder mag ten aanzien van Duitsland in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt daarmee op de weg van eiser om concrete aanknopingspunten aan te dragen (gebaseerd op algemene informatie of op persoonlijke ervaringen) op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat Duitsland zijn internationale verdragsverplichtingen tegenover eiser niet nakomt.

4. Eiser betwist dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij stelt in dit kader dat hij al vier jaar bezig is om een reisdocument aan te vragen, maar dit niet krijgt. Hij heeft in zijn gehoor verklaard dat hij geen documenten heeft van de gesprekken met de instanties waar hij een aanvraag om een reisdocument heeft ingediend. Eiser is hierover duidelijk geweest en heeft verklaard dat er steeds tegen hem is gezegd: ga eerst een document bij de ambassade halen over je nationaliteit. Er wordt dan ook ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij van de aanvraag documenten zou hebben. Doordat hij geen reisdocument krijgt, wordt hij in zijn vrijheid beperkt. Zijn broer heeft wel een reisdocument gekregen zonder zich te wenden tot de Eritrese autoriteiten. Hiermee wordt door Duitsland dan ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Eiser betwist dat hij bij hogere autoriteiten had moeten klagen. Hij is bij meerdere instanties geweest en telkens werd hem enkel verteld dat hij zijn Eritrese nationaliteit dient aan te tonen. Het had voor hem dan ook geen zin om te klagen. Hij kan zich niet tot de Eritrese autoriteiten wenden omdat hij dit land is ontvlucht en asiel heeft aangevraagd in Duitsland. Van een asielzoeker mag niet verwacht worden dat hij zich bij de autoriteiten van het land meldt dat hij is ontvlucht. Het is onduidelijk waarop verweerder baseert dat Duitsland wellicht twijfels heeft over zijn nationaliteit.

5. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het persoonlijk relaas van eiser geen aanleiding biedt om aan te nemen dat Duitsland zijn internationale verdragsverplichtingen jegens eiser niet nakomt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in Duitsland steeds huisvesting, school en een baan had en toegang had tot medische zorg, zodat hieruit niet blijkt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens eiser niet zou nakomen.

6. Tussen partijen is in geschil of uit de omstandigheid dat eiser geen reisdocument krijgt, moet worden afgeleid dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens eiser niet nakomt. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de autoriteiten van Duitsland aan eiser geen reisdocument hebben toegekend, er niet zondermeer toe leidt dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Hierbij is van belang dat eiser geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt op grond

waarvan de Duitse autoriteiten aan hem geen reisdocument willen toekennen. Reeds gelet hierop gaat de stelling dat verweerder handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel niet op. Het is voorts aan de Duitse autoriteiten om (aanvullende) voorwaarden te stellen ten aanzien van het afgeven van het reisdocument. De stelling van eiser dat hij geen documenten had en dat van hem niet kon worden verlangd dat hij zou klagen bij hogere autoriteiten tegen de verwijzing naar de Eritrese autoriteiten gaat niet op. Van eiser had, zeker gelet op zijn stelling dat hij al vier jaar probeert een reisdocument te krijgen, mogen worden verwacht dat hij hierover zou hebben geklaagd bij een (hogere) andere autoriteit. Nu eiser niet heeft aangetoond dan wel onderbouwd dat hij zich tot de Duitse (hogere) autoriteiten heeft gewend om zijn beklag te doen over het hem geweigerde reisdocument, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid vanmr. M.A. Beijl, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature