< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Asiel, beroep ongegrond, subsidiaire bescherming in Hongarije, daardoor band met Hongarije gegeven, interstatelijk vertrouwensbeginsel, geen bijzondere kwetsbaarheid.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.19598

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. Berben).

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.19599, plaatsgevonden op 27 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E.H. Belarbi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en hij is geboren op [1985] .

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de Hongaarse autoriteiten op 5 oktober 2020 hebben aangegeven dat eiser in Hongarije subsidiaire bescherming geniet en dat eiser te allen tijde naar dat land kan terugkeren. Verweerder erkent dat statushouders in Hongarije zich met moeilijkheden geconfronteerd zien. Het is echter niet gebleken dat eiser bijzonder kwetsbaar is. Van hem mag enige mate van zelfredzaamheid verwacht worden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om zich voor hulp tot de Hongaarse autoriteiten te wenden of dat het vragen van hulp op voorhand zinledig zal zijn. Er kan vanuit gegaan worden dat eiser een zodanige band heeft met Hongarije, dat het voor hem redelijk is om zich daarheen te begeven.

3. Eiser heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat hij over een geldige Hongaarse verblijfstitel beschikt. Aan hem is nooit een verblijfsdocument verstrekt. Gelet op de datum

van de verlening van de subsidiaire bescherming, 7 oktober 2015, moet worden aangenomen dat de verblijfstitel inmiddels is verlopen. Een subsidiaire beschermingsstatus is niet voldoende om te kunnen reizen naar Hongarije, daarvoor is een reisdocument en een verblijfsdocument noodzakelijk en dat ontbreekt. Eiser verwijst in dit verband naar het recente AIDA-rapport over subsidiaire bescherming in Hongarije.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van de genoemde brief van 5 oktober 2020 terecht op het standpunt gesteld dat ervan uitgegaan kan worden dat eiser internationale bescherming geniet in Hongarije. Deze brief of enige andere informatie geeft geen aanleiding voor de veronderstelling dat eiser toegang tot en verblijf in Hongarije zal worden onthouden, vanwege de gestelde omstandigheid dat hij in dat land geen verblijfsrecht of verblijfsdocument (meer) heeft.

5. Eiser heeft verder aangevoerd dat ten aanzien van Hongarije niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Hongarije weigert openlijk om de verplichtingen met betrekking tot opnemen van vluchtelingen na te komen. Eiser is acht maanden in strijd met internationale regelgeving gedetineerd geweest. Hij had geen toegang tot rechtshulp om de rechtmatigheid van de detentie te laten toetsen. Eiser is ook nadat hem subsidiaire bescherming was verleend een maand zonder vorm van proces gedetineerd gehouden.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in beginsel in zijn algemeenheid ten opzichte van Hongarije uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 april 20201. Hieruit volgt dat, ondanks de bestaande moeilijkheden voor statushouders, de situatie in Hongarije in zijn algemeenheid niet van dien aard is dat de verwijdering van een statushouder naar dat land in strijd is met artikel 3 van het EVRM2. Ook uit de door eiser aangehaalde landeninformatie volgt niet dat de situatie in Hongarije voor statushouders zo slecht is dat sprake is van extreme armoede, ontberingen van eerste levensbehoeften of rechteloosheid, waartegenover de Hongaarse autoriteiten onverschillig staan.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er ook niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat Hongarije zich specifiek jegens hem niet aan de verdragsverplichtingen houdt. Uit de uitspraak van de ABRvS van 15 juli 20193 volgt dat bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie.4 In de gestelde omstandigheid dat eiser in Jemen, Bulgarije en Hongarije gedetineerd is geweest, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eiser aan te merken als bijzonder kwetsbaar in vorenbedoelde zin. Eiser heeft zijn stelling dat hij als bijzonder kwetsbaar dient te worden aangemerkt ook niet met medische stukken of anderszins onderbouwd. Voorts is niet aannemelijk dat hij bij terugkeer in Hongarije volledig afhankelijk zal zijn van overheidssteun. Van hem mag als statushouder enige zelfredzaamheid verwacht worden. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd

1. ECLI:NL:RVS:2020:1087

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 ECLI:NL:RVS:2019:2385

4 Als bedoeld in de rechtsoverwegingen 89-91 van het arrest Ibrahim e.a. tegen Duitsland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:219).

dat hij tijdens zijn verblijf in Hongarije in het geheel geen mogelijkheid heeft gehad om enige vorm van hulp of bijstand te krijgen. Verweerder heeft daarom afdoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer in Hongarije geacht mag worden zich staande te kunnen houden.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de Hongaarse autoriteiten hun verplichtingen jegens eiser in beginsel zullen nakomen. Wanneer dit niet zo is, dan bestaat er voor eiser de mogelijkheid om zich voor hulp, bijstand en het indienen van klachten te wenden tot de daartoe geëigende instanties.

8. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat uit het besluit niet blijkt van een daadwerkelijke beoordeling aan artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Verweerder gaat ervan uit dat het hebben van een subsidiaire beschermingsstatus in een derde land al voldoende is om aan te nemen dat iemand een zodanige band heeft met dat land, dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Bij een dergelijke beoordeling zouden de persoonlijke omstandigheden van die persoon niet meer relevant zijn. Dat gaat voorbij aan het derde lid van genoemd artikel, aldus eiser. Eiser stelt in dit verband dat hij geen band met Hongarije heeft opgebouwd. Het grootste deel van zijn verblijf aldaar, heeft hij in de gevangenis en op straat doorgebracht.

9. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, voldaan is aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000 . Verweerder stelt dat de Hongaarse autoriteiten aan eiser internationale bescherming hebben verleend. Al om die reden heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat de band van eiser met Hongarije zodanig is, dat het voor hen redelijk zou zijn naar dat land terug te gaan.5 Andere omstandigheden die eiser heeft aangedragen doen aan deze beoordeling niet af. Dat verweerder deze omstandigheden niet (kenbaar) heeft betrokken bij de beoordeling, leidt er dus niet toe dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is.

10. Eiser heeft verder aangevoerd dat vanwege de restricties als gevolg van de coronapandemie hij Hongarije niet zal kunnen inreizen. Volgens eiser heeft dit gevolgen voor de vertrektermijn die verweerder hem heeft opgelegd.

11. De omstandigheid dat eiser zich nu mogelijk niet naar Hongarije kan begeven, is een tijdelijke belemmering. Van eiser kan worden verwacht dat hij zich in het kader van zijn vertrekplicht onmiddellijk naar Hongarije begeeft zodra dat mogelijk is. De tijdelijke belemmering als zodanig doet niet af aan de inhoud en rechtmatigheid van het bestreden besluit.

12. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroep ongegrond is. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

5 Vergelijk in dit verband de uitspraak van de ABRvS van 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

16 december 2020

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Mr. R.J.A. Schaaf A.E. van Gestel

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature