< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzoek om voorlopige voorziening, aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel verblijf als familie- of gezinslid, verzoek afgewezen.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/6077

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2020 in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 4 maart 2020 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel “verblijf als familie- of gezinslid bij [familielid]” afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen J.A. Matti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet.

2. Verzoekster is geboren op 20 april [1998] en heeft de Syrische nationaliteit. Verzoekster heeft op 8 augustus 2018 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Zij heeft daaraan de relatie met haar partner en huidige man ten grondslag gelegd en vrees voor eerwraak van haar familie in Duitsland. De asielaanvraag is afgewezen als niet-ontvankelijk omdat aan verzoekster in Duitsland subsidiaire internationale bescherming is verleend. Dit besluit staat in rechte vast. Op [2019] is de dochter van verzoekster en haar man geboren. Vervolgens heeft verzoekster op 22 januari 2020 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Deze is op 13 februari 2020 afgewezen als niet-ontvankelijk.

Verzoekster heeft op 4 maart 2020 de onderhavige aanvraag gedaan. Verzoekster wil in Nederland verblijven als familie- of gezinslid bij haar man en referente, haar minderjarige dochter. De man en dochter van verzoekster hebben allebei een verblijfsvergunning in Nederland.

3. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen omdat zij niet over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikt en zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Uitzetting van verzoekster is volgens verweerder niet in strijd met het recht op respect voor familie- en gezinsleven dat volgt uit artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Met deze procedure wil verzoekster bereiken dat zij de bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten.

Spoedeisendheid

4. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster in dit geval een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. Zoals in het besluit is vermeld, is zij opgedragen om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van Duitsland. Zij mag het besluit op bezwaar niet in Nederland afwachten.

Redelijke kans van slagen van het bezwaar

5. Bij de beoordeling acht de voorzieningenrechter met name van belang of het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag een redelijke kans van slagen heeft.

6. Verzoekster voert als eerste aan dat verweerder ten onrechte een bevel tot terugkeer naar Duitsland heeft uitgebracht. Uit de Terugkeerrichtlijn volgt dat het niet naleven van een dergelijk bevel betekent dat een terugkeerbesluit kan worden opgelegd. Een terugkeerbesluit is een besluit om de Europese Unie te verlaten. Verzoekster komt uit Syrië en kan daarom niet terugkeren naar haar land van herkomst. Aangezien hiervoor in het bestreden besluit niet is getoetst aan artikel 3 van het EVRM , is het besluit onrechtmatig. Verzoekster verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), van 14 november 2017.

7. Uit artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat een onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Verweerder heeft verzoekster in het bestreden besluit opgedragen zich te begeven naar Duitsland. Dit is dus een besluit in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en dus geen terugkeerbesluit. Dat in artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn staat dat als het bevel niet wordt nageleefd het eerste lid van dat artikel van toepassing is en dus een terugkeerbesluit kan worden opgelegd, maakt dit niet anders. Verweerder heeft immers gebruik gemaakt van de bevoegdheid die hem toekomt op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Omdat een bevel tot terugkeer geen terugkeerbesluit is, is de uitspraak waar verzoekster naar heeft verwezen van de ABRvS niet van toepassing en heeft verweerder niet hoeven toetsen aan artikel 3 van het EVRM voor terugkeer van verzoekster naar haar land van herkomst.

8. Verzoekster heeft vervolgens aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten te motiveren waarom het primaat van toetsing van het recht op gezinsleven op Duitsland rust en niet op Nederland. Verweerder dient te onderzoeken of de Duitse autoriteiten gezinshereniging zullen toestaan, omdat zij mogelijk Nederland zien als een alternatief land om het gezinsleven uit te oefenen. Daarbij wijst verzoekster erop dat de immigratieregels vergaand zijn geharmoniseerd in de Europese Unie. Verzoekster verwijst in dit verband op het recht op een effectieve toetsing aan het recht op gezinsleven.

9. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Verzoekster heeft de onderhavige aanvraag in Nederland gedaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het kader van de aanvraag die voor ligt slechts wordt beoordeeld of het niet verlenen van vrijstelling van het mvv vereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM en dat niet hoeft te worden beoordeeld of de Duitse autoriteiten gezinshereniging zullen toestaan. Omdat verzoekster in Duitsland is erkend als vluchteling dan wel aldaar de subsidiaire beschermingsstatus heeft, staat vast dat zij een zodanige band heeft met Duitsland dat het voor haar redelijk is om daarheen te gaan. Dit staat ook in rechte vast. Verweerder heeft dan ook in het bestreden besluit terecht meegewogen dat verzoekster het gezinsleven in Duitsland kan uitoefenen. Daarbij is verder van belang dat niet is gebleken en geen begin van bewijs is geleverd dat Duitsland een eventuele daar ingediende aanvraag zal afwijzen omdat het gezinsleven in Nederland zou moeten worden uitgeoefend.

10. Verzoekster voert tot slot aan dat verweerder ten onrechte de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM in haar nadeel heeft laten uitvallen. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het belang van haar minderjarige dochter. Daarbij wijst verzoekster erop dat het gezinsleven in Nederland is opgebouwd. De dochter is in Nederland geboren en ontvangt hier zorg. De band met Nederland is dan ook sterker. Verweerder kan Duitsland niet verplichten om verzoekster en haar gezinsleden op te nemen en heeft ook niet gemotiveerd dat dit waarschijnlijk is. Verweerder heeft bovendien nagelaten de band met Duitsland gemotiveerd te beoordelen conform Werkinstructie 2019/15 paragraaf 7.6, (inmiddels vervangen door Werkinstructie 2020/16).

11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van verzoekster heeft laten uitvallen. Niet in geschil is dat tussen verzoekster, haar man en hun dochter familieleven bestaat. De vraag die voorligt is of verweerder terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM . Verweerder heeft in het bestreden besluit de belangen kenbaar betrokken. Verweerder heeft daarbij in het nadeel van verzoekster mogen meewegen dat zij het gezinsleven is begonnen en heeft uitgebreid terwijl zij geen rechtmatig verblijf had in Nederland en dat artikel 8 van het EVRM geen domiciliekeuze biedt.

Verder volgt uit paragraaf 7.6 van Werkinstructie 2020/16 dat sprake moet zijn van een zekere mate van binding met een ander land dan het land van herkomst om aan te kunnen nemen dat het gezinsleven daar kan worden uitgeoefend. De binding met Duitsland is gegeven, gelet op wat is overwogen onder rechtsoverweging 9. Uit de werkinstructie volgt verder dat verweerder niet hoeft te beoordelen of de vreemdeling en diens gezinsleden daadwerkelijk zullen worden toegelaten tot het andere land. Als door het gezin (een begin) van bewijs wordt geleverd dat dit derde land voor hen niet bereikbaar of toegankelijk is, dan moet hier in de belangenafweging wel op worden ingegaan. Verweerder heeft zich in dit kader niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor zover verzoekster heeft aangevoerd dat zij angst heeft voor familieleden die in Duitsland wonen omdat zij het niet eens zijn met haar huwelijk, daar geen (begin van) bewijs van is geleverd en ook dat niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten haar bij voorkomende problemen niet zouden kunnen helpen. Tot slot blijkt dat verweerder, conform de werkinstructie, in het bestreden besluit de binding met Nederland kenbaar heeft afgezet tegen de binding met Duitsland. Verweerder heeft hierbij in het nadeel van verzoekster mogen meewegen dat haar dochter nog erg jong is en niet is geworteld in Nederland.

Conclusie

12. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. Verweerder heeft aan verzoekster tegen mogen werpen dat zij niet beschikt over een mvv, en dat zij ook niet op grond van artikel 8 van het EVRM van het mvv-vereiste kan worden vrijgesteld. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

13. Aangezien ook overigens, gelet op de betrokken belangen, in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat voor het treffen van de gevraagde voorziening, zal het verzoek worden afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. De beslissing is uitgesproken op 16 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Richtlijn 2008/115/EG

ECLI:NL:RVS:2017:3161

Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 20 september 2018, (NL18.15381, niet gepubliceerd).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature