< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Beroep, mvv nareis voor verblijf bij echtgeoot, polygamie, referent is 1e echtgenote nagereisd en vraagt nu nareis 2e echtgenote, kerngezin, C2/4.1 Vc, ongegrond

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2689

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van

[A] (referent) ten behoeve van eiseres voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor verblijf bij haar echtgenoot (referent) afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Referent is eveneens ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waarover gaat deze uitspraak?

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres, de derde echtgenote van referent, in aanmerking kan komen voor nareis bij referent. Referent heeft zelf een zelfstandige asielvergunning gekregen nadat hij Nederland is binnengekomen met een mvv die de staatssecretaris hem heeft verleend voor nareis bij de tweede, inmiddels ex-echtgenote, van referent.

De aanleiding voor deze uitspraak

2. Eiseres is geboren op [1976] en heeft de Syrische nationaliteit. Zij beoogt verblijft via nareis bij referent, haar echtgenoot met wie zij in Syrië traditioneel is gehuwd. Zij hebben samen een zoon [B] . Eiseres is de derde echtgenote van referent. Referent is eerder zelf naar Nederland gereisd in bezit van een mvv voor nareis voor verblijf bij zijn tweede echtgenote, [C] samen met hun drie kinderen. Op 17 maart 2016 is een verblijfsvergunning asiel verleend aan referent in het kader van nareis (afgeleide verblijfsvergunning). Bij besluit van 18 november 2016 is aan referent een zelfstandige verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ). Op grond van deze zelfstandige verblijfsvergunning asiel heeft referent op 5 december 2016 een aanvraag mvv-nareis ingediend voor eiseres en hun zoon. Nadien is referent gescheiden van [C] . Bij besluit van 13 maart 2020 is de mvv-aanvraag voor de zoon [B] ingewilligd. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen en deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd.

Het standpunt van verweerder

3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat referent tegelijkertijd met drie vrouwen gehuwd is (geweest). Ten tijde van de aanvraag voor eiseres was sprake van een polygame situatie. Aangezien referent zelf is nagereisd voor een andere, reeds in Nederland verblijvende (ex)huwelijkspartner, komt eiseres niet meer in aanmerking voor verlening van een afgeleide verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw . Dit is in overeenstemming met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2003 /86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) en het beleid zoals neergelegd in de paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder toegelicht dat referent ervoor heeft gekozen als nareiziger zijn tweede echtgenote, [C] , na te reizen. Hiermee heeft hij volgens het beleid aangegeven dat hij deze gezinsband verkiest boven alle andere (mogelijke) gezinsbanden. Reeds hierom kan niet op een ander moment, na echtscheiding van zijn tweede echtgenote, nareis aan één van de andere (huwelijks)partners worden toegestaan, omdat de feitelijke gezinsband tussen referent en eiseres is verbroken toen referent als nareiziger naar Nederland kwam. Er is dus geen sprake meer van een werkelijk gezinsleven in de zin van artikel 16, eerste lid, en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Het standpunt van eiseres

4. Eiseres heeft aangevoerd dat het besluit in strijd is met de tekst, het doel en de totstandkomingsgeschiedenis van de Gezinsherenigingsrichtlijn, meer specifiek punten 4 en 9 van de considerans en de artikelen 16 en 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ter zitting heeft eiseres deze beroepsgrond als volgt toegelicht. Op het moment van inreis van referent in Nederland was hij gehuwd met [C] en met eiseres, en dit was ook zo ten tijde van de aanvraag van eiseres. De echtscheiding van referent is uitgesproken op 10 juli 2017. Verweerder dient bij het nemen van een beslissing op bezwaar, wat een ex-nunc beoordeling is, feitelijk onderzoek te doen en mee te nemen dat eiseres inmiddels tot het kerngezin van referent behoort . Dit betekent dat het in het beleid gehanteerde peilmoment moet veranderen, van datum aanvraag naar datum beslissing, aldus eiseres, en dat het beleid zoals neergelegd in paragraaf C2/4.1 van de Vc op dit punt onjuist is. Daarnaast is ten onrechte voorbij gegaan aan de hoorplicht in bezwaar en had verweerder de gezinsband tussen eiseres en referent dienen te onderzoeken. Eiseres heeft in dit kader verwezen naar twee uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 31 oktober 2019 en een noot van mr. M.H.A. Strik.

Conclusie van de rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen omdat referent als nareiziger heeft gekozen voor het kerngezin van zijn tweede echtgenote en er tussen eiseres en referent in het kader van nareis geen sprake meer is van een feitelijke gezinsband. De rechtbank licht hieronder toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Overwegingen van de rechtbank

6. Het doel van nareis is gezinshereniging. De Gezinsherenigingsrichtlijn bevat onder meer algemene vereisten waaraan een referent en zijn gestelde gezinsleden moeten voldoen. In hoofdstuk V van de Gezinsherenigingsrichtlijn zijn gunstiger voorwaarden opgenomen voor gezinshereniging van vluchtelingen. Voor gezinshereniging met een referent die vluchteling is, gelden dus de algemene vereisten voor gezinshereniging, tenzij hiervan ten gunste van vluchtelingen is afgeweken. De gunstiger voorwaarden van hoofdstuk V van de Gezinsherenigingsrichtlijn zijn geïmplementeerd in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vw en nader uitgewerkt in onder meer paragraaf C2 /4.1 van de Vc, een begunstigende regeling die is gericht op de hereniging van één gezin.

7. Paragraaf C2/4.1 van de Vc luidt als volgt:

(…)

Voor het overige geldt dat de nareiziger die op basis van nareis naar Nederland komt, hiermee te kennen geeft dat hij of zij tot het kerngezin van referent behoort [cursivering door de rechtbank]. Het is derhalve uitgesloten dat hij of zij ook nog deel uitmaakt van een ander kerngezin. In gevallen waarin de nareiziger na inreis in Nederland zélf als referent op wil treden voor een ander persoon, geldt dan ook dat de IND een dergelijke nareisaanvraag kan afwijzen.

(…)

Indien ten tijde van de aanvraag sprake is van een polygame situatie [cursivering door de rechtbank] komen slechts een echtgenoot of (geregistreerd) partner en de uit dit huwelijk/deze relatie voortgekomen kinderen voor verblijf in aanmerking. Van een polygame situatie is sprake als de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, tegelijkertijd met een andere persoon (of meerdere andere personen) een huwelijk of een duurzame relatie heeft (inclusief geregistreerd partnerschap).

Als de in Nederland verblijvende referent met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e)alsmede de eventuele andere gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Ook voor andere casusposities geldt dat zolang sprake is van een polygame situatie, bepaalde gezinsleden niet in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning.

8. De rechtbank komt deze toepassing van het nareisbeleid niet onredelijk voor, onder verwijzing naar de twee eerder genoemde uitspraken van de ABRvS van 31 oktober 2019.

9. De rechtbank stelt vast dat referent ten tijde van de aanvraag voor eiseres was gehuwd met (voor zover hier van belang) zowel eiseres als zijn tweede, inmiddels ex-echtgenote,

[C] . Referent heeft er in 2016 voor gekozen als nareiziger zijn tweede echtgenote na te reizen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij hiermee heeft gekozen voor het kerngezin met [C] en hun kinderen en hierdoor heeft hij deze gezinsband boven de band met eiseres verkozen. Reeds hierom kan niet op een later moment, na echtscheiding met [C] , nareis aan eiseres worden toegestaan. Voor een wijziging van het peilmoment, zoals eiseres voorstaat, is zowel in de Vc als elders in relevante wet- of regelgeving geen aanwijzing te vinden. De feitelijke gezinsband tussen referent en eiseres is immers verbroken toen referent Nederland inreisde als nareiziger bij zijn tweede echtgenote. Hierdoor komt eiseres niet voor nareis in aanmerking conform het bepaalde in verweerders beleid. Er is dus geen sprake meer van een werkelijk huwelijks- of gezinsleven in de zin van artikel 16, eerste lid, onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Het feit dat eiseres en referent in Turkije hebben samengewoond en dat zij regelmatig telefonisch contact hebben en voor de Syrische wet zijn gehuwd doet hier niet aan af.

10. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat de hoorplicht is geschonden, overweegt

de rechtbank dat verweerder met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen mag afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de gronden van het bezwaar is in dit geval aan deze maatstaf voldaan. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt dan ook niet.

11. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

ECLI:NL:RVS:2019:3678 en ECLI:NL:RVS:2019:3682


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature