< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Rusland, verblijfsgat, kennismigrant, niet onevenredig, naturalisatie, ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1636

V-nummers: [V-nummer eiser 1]

[V-nummer eiseres]

[V-nummer eiser 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser 1] ,

geboren op [geboortedatum eiser 1] , eiser 1,

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum eiseres] , eiseres,

[eiser 2] ,

geboren op [geboortedatum eiser 2] , eiser 2,

allen van Russische nationaliteit, tezamen eisers

(gemachtigde: [naam] ),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

In de besluiten van 3 september 2019 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvraag van 21 juni 2019 van eiser 1 om verlenging van zijn verblijfsvergunning met de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ en de aanvragen van 21 juni 2019 van eiseres en eiser 2 om verlenging van hun verblijfsvergunning met de beperking ‘verblijf bij [eiser 1] ’ afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is in het besluit van 3 februari 2020 (het bestreden besluit) gegrond verklaard. Verweerder heeft de verblijfsvergunningen met ingang van 26 september 2019 verlengd tot 26 september 2024.

Op 27 februari 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op zitting heeft door middel van een videoverbinding ( Skype ) plaatsgevonden op 6 augustus 2020. Eiser 1 en eiseres zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] in de Engelse taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.1.

Eiser 1 is met ingang van 26 augustus 2004 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘arbeid in loondienst’ geldig tot 1 augustus 2007. Deze beperking is met ingang van 29 september 2005 gewijzigd in de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ geldig tot 14 september 2009 en aansluitend verlengd tot 14 september 2019.

1.2.

Eiseres (echtgenote van eiser 1) en eiser 2 (kind van eiser 1 en eiseres) zijn met ingang van 7 november 2017 in bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [eiser 1] ’ geldig tot 14 september 2019.

1.3.

Eisers hebben op 21 juni 2019 de huidige aanvragen ingediend om hun verblijfsvergunningen te verlengen.

Besluitvorming

2.1.

Verweerder heeft de verlengingsaanvraag van eiser 1 afgewezen omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor de beperking ‘verblijf als kennismigrant’. Verweerder stelt in het primaire besluit dat eiser 1 [functie] en [functie] ( [naam] ) is van [naam] en hij daarom als zelfstandige wordt aangemerkt en niet als werknemer. Verweerder legt aan eiser 1 een terugkeerbesluit op. Vervolgens heeft verweerder de verlengingsaanvragen van eiseres en eiser 2 afgewezen omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden voor de beperking ‘verblijf bij familie- of gezinslid’.

2.2.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard, omdat in bezwaar is aangetoond dat eiser en daarmee ook eiseres en eiser 2 vanaf 26 september 2019 weer voldoen aan de voorwaarden.

Beroepsgronden eisers

3. Eisers voeren aan dat hun beroep enkel ziet op de vastgestelde ingangsdatum van de verblijfsvergunningen. Eisers hebben belang bij dit beroep omdat door de door verweerder gehanteerde ingangsdatum een zogenaamd verblijfsgat is ontstaan. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een belangenafweging te maken op grond van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Het feit dat verweerder de verblijfsvergunningen niet met ingang van een eerdere datum aansluitend heeft verlengd is onevenredig. Eisers hebben niet verwijtbaar gehandeld maar de werkgever van eiser 1 heeft fouten gemaakt en is verantwoordelijk. Ook moeten eisers opnieuw verblijfsrecht opbouwen om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Daarnaast stellen eisers dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

Standpunt verweerder

4. Verweerder handhaaft in het verweerschrift zijn standpunt dat eisers pas vanaf 26 september 2019 hebben aangetoond dat zij aan alle voorwaarden voor verlenging van de verblijfsvergunning voldoen. Ten aanzien van het ontstane verblijfsgat stelt verweerder dat het voor rekening en risico van eisers zelf komt en dat uiteraard eerst in bezwaar rekening kon worden gehouden met de in die fase aangevoerde omstandigheden. Verweerder heeft van horen mogen afzien omdat in bezwaar duidelijk was dat eisers voldeden aan de voorwaarden en de verblijfsvergunningen moesten worden verlengd.

Oordeel van de rechtbank

5.1.

In geschil is alleen de vraag of verweerder terecht 26 september 2019 als ingangsdatum heeft gehanteerd van de aan eisers verleende verblijfsvergunningen. Hierbij is van belang of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. De rechtbank overweegt als volgt.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het ontstane verblijfsgat voor rekening en risico van eisers zelf komt. Immers de aandelensituatie van [naam] ten tijde van de aanvraag en het primaire besluit maakte dat eiser 1 diende te worden beschouwd als [naam] en niet als kennismigrant. In de bezwaarfase heeft de werkgever de situatie ten aanzien van de aandelen met de aanvraag in overeenstemming gebracht in die zin dat eiser 1 wederom als kennismigrant kan worden aangemerkt.

5.3.

Ten aanzien van het betoog van eisers dat het besluit onredelijk is, gelet op het feit dat zij door het ontstane verblijfsgat later in aanmerking zullen komen voor toekomstige naturalisatie, waarbij eiser 1 erop heeft gewezen dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld, maar een voormalig medewerker van de werkgever, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 18 januari 2018 heeft overwogen is het belang van de juiste toepassing van de voorwaarden van de kennismigrantenregeling een legitiem belang en kunnen de gevolgen van het handelen van een werkgever voor rekening van een vreemdeling worden gebracht. Het feit dat eisers later in aanmerking zullen komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of naturalisatie, zijn geen gevolgen die onevenredig zijn in verhouding met de wet of met het beleid te dienen doelen. Verweerder hoefde daarin geen aanleiding te zien om van zijn beleid af te wijken. Daarbij is in aanmerking genomen dat eisers in het bezit zijn van geldige verblijfsvergunningen en zij hun verblijf in Nederland kunnen voortzetten.

5.3.

De rechtbank stelt wel vast dat verweerder eisers ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar. Aangezien verweerder het bezwaar slechts gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, kan verweerder zich voor het afzien van het horen niet beroepen op artikel 7:3 onder e van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu niet gebleken is dat eisers door de schending van de hoorplicht zijn benadeeld, zal de rechtbank het besluit onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand laten. De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten.

Conclusie

7. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eisers ongegrond is.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in verband met hetgeen onder 5.3. is overwogen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

9. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 178,- aan hen vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050,-.

Dit is de uitspraak van mr. M.J. van den Bergh, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.E. Swinkels, griffier.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6: 6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

ECLI:NL:RVS:2018:173.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature