< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Artikel 7 lid 1 a Rva 2005. Ontruiming van door het COA verzorgde opvangruimte in een AZC wegens onterechte weigering van aangeboden 'passende woonruimte'.

Uitspraak



Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/586163 / KG ZA 20-3

Vonnis in kort geding van 19 februari 2020

in de zaak van

CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,

gevestigd te Den Haag,

eiser,

advocaat mr. W.H.J. Semeijn te Zwolle,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2] ,

beiden wonende, althans verblijvende te [plaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. R. Hijma te Utrecht.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als enerzijds 'het COA' en anderzijds ' [gedaagde sub 1] ' en ' [gedaagde sub 2] ' (voor zover gezamenlijk bedoeld als ' [gedaagde sub 1 cs] ').

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief van [gedaagde sub 1 cs] van 24 januari 2020, met producties;

- de brief van het COA van 3 februari 2020, met producties;

- de op 5 februari 2020 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door het COA pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Het COA is op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere vreemdelingen 2005 (hierna 'Rva 2005') belast met de opvang van asielzoekers, waaronder het plaatsen van asielzoekers in opvangcentra. Artikel 7 lid 1 onder a Rva 2005 luidt:

"Artikel 7

1. Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen:

a. indien het een asielzoeker betreft aan wie een verblijfsvergunning is verleend: op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd;"

2.2.

[gedaagde sub 1 cs] hebben de Iraanse nationaliteit en verblijven sinds juni 2018 in Nederland.

2.3.

Bij beschikkingen van 15 oktober 2019 is aan [gedaagde sub 1 cs] een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.

2.4.

[gedaagde sub 1 cs] worden thans opgevangen in het [AZC 1] te [plaats] .

2.5.

In het kader van de bemiddeling van het COA bij het vinden van passende woonruimte heeft op 16 oktober 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, waarbij ten behoeve van [gedaagde sub 1 cs] telefonisch gebruik werd gemaakt van de diensten van een tolk. Tijdens dit gesprek is een formulier "B06 Huisvesting vergunninghouders" ingevuld en ondertekend door [gedaagde sub 1] . Het formulier vermeldt onder 4 de volgende plaatsingscriteria:

"4.1. Betrokkene heeft familie in de 1e graad in een gemeente (regulier gehuisvest). Het betreft hier alleen relatie ouder-minderjarig kind."

"4.2. Betrokkene is toegelaten tot een opleiding in een gemeente."

"4.3. Betrokkene heeft betaald werk (minimaal 8 uur per week) in een gemeente."

"4.4. Betrokkene ondergaat een specifieke, niet over te dragen, medische behandeling in een gemeente waarvoor hij tenminste 4 keer per jaar naar de behandelaar moet reizen. Of betrokkene is voor dagelijks functioneren aangewezen op woonruimte die aan bepaalde eisen moet voldoen, zoals rolstoeltoegankelijkheid, lift, etc."

Op het formulier is bij elk criterium het vakje "Nee" aangekruist.

Het formulier vermeldt na voormelde criteria onder meer het volgende:

" Betrokkene is ervan op de hoogte dat hij/zij wijzigingen in het bovenstaande dient te melden bij de directie van de organisatorische eenheid. In het geval van wijziging wordt er een nieuw formulier opgemaakt. (…)"

2.6.

Op 21 november 2019 is aan [gedaagde sub 1 cs] woonruimte aan de [adres 1] aangeboden. Dit betreft een meerlaagse woning met een inpandige gedraaide trap naar de slaap- en badkamer.

2.7.

[gedaagde sub 1 cs] hebben de aangeboden woning geweigerd. Blijkens het in verband daarmee op 25 november 2019 opgemaakte - en door [gedaagde sub 1] ondertekende - formulier "B10 Eerste gespreksverslag woningweigering" is daarvoor als reden opgegeven:

"Mevr. (voorzieningenrechter: [gedaagde sub 2] ) heeft een chronische traagwerkende schildklier. Dit veroorzaakt duizeligheid. De trap binnen loop je meerdere keren per dag op en neer met duizeligheid is dit gevaarlijk."

2.8.

Vervolgens heeft op 28 november 2019 nog een tweede gesprek plaatsgevonden in verband de weigering. Hierin is aan [gedaagde sub 1 cs] medegedeeld dat de afdeling Juridische Zaken van het COA de woningweigering onterecht heeft bevonden, alsmede dat zij nog maximaal 24 uur de tijd hebben om de aangeboden woonruimte alsnog te accepteren. [gedaagde sub 1 cs] hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3 Het geschil

3.1.

Het COA vordert [gedaagde sub 1 cs] te veroordelen om de door hen in gebruik zijnde ruimte in het [AZC 1] , of elke andere door hem verzorgde opvanglocatie, te ontruimen en ontruimd te houden.

3.2.

Daartoe voert het COA - samengevat - het volgende aan.

Na bemiddeling heeft het COA voor [gedaagde sub 1 cs] passende woonruimte gevonden aan de [adres 1] en deze ook aangeboden. Die woning hebben zij ten onrechte afgewezen, als zijnde niet passend. Als gevolg hiervan kunnen [gedaagde sub 1 cs] - gelet op het bepaalde in artikel 7 onder a Rva 2005 - geen aanspraak meer maken op opvang door het COA. Zij dienen het [AZC 1] dan ook te verlaten en te ontruimen, maar dat weigeren zij. De door [gedaagde sub 1 cs] opgevoerde medische problemen van [gedaagde sub 2] , moeten om verschillende redenen buiten beschouwing blijven bij de beoordeling van het onderhavige geschil.

3.3.

[gedaagde sub 1 cs] voeren verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 7 lid 1 onder a Rva 2005 eindigen de verstrekkingen aan asielzoekers op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd. De opvang van [gedaagde sub 1 cs] in het [AZC 1] eindigt dus van rechtswege indien zij een aanbod van het COA voor passende huisvesting hebben geweigerd. In een dergelijke situatie verblijven zij daar onrechtmatig. In dit kort geding is tussen partijen in geschil of de door het COA aangeboden woning aan de [adres 1] als 'passend' moet worden aangemerkt.

4.2.

Op het op 16 oktober 2019 ingevulde en ondertekende B06-formulier geven [gedaagde sub 1 cs] aan dat zij, althans één van hen, niet zijn/is aangewezen op woonruimte die aan bepaalde eisen moet voldoen. Gelet hierop hoefde het COA er - in beginsel - geen rekening mee te houden dat aan hen (mogelijk) een gelijkvloerse woning zou moeten worden aangeboden in verband met gezondheidsklachten van [gedaagde sub 2] . Volgens [gedaagde sub 1 cs] zijn de duizeligheidsklachten van [gedaagde sub 2] weliswaar aan de orde geweest tijdens het gesprek op 16 oktober 2019, maar gebeurde dat enkel met het oog op de vraag of zij daarvoor in elke plaats in Nederland zou kunnen worden behandeld en niet (ook) in verband met de eisen waaraan de aan te bieden woonruimte diende te voldoen. Het COA bestrijdt dit. Volgens het COA heeft de betreffende medewerker daarnaar wel degelijk gevraagd. Het beperkte karakter van dit kort geding staat er aan in de weg om uit te maken aan wiens zijde het gelijk ligt voor wat betreft die kwestie, ook al ligt het niet voor de hand dat de vraag - gelet op de importantie ervan - destijds niet is gesteld. Echter, zelfs indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat de vraag met betrekking tot de aan de woonruimte te stellen eisen niet aan de orde is geweest, dan nog kan dat [gedaagde sub 1 cs] niet baten. Daarvoor is het volgende van belang.

4.3.

Het COA heeft gesteld dat [gedaagde sub 1 cs] voorafgaand aan, althans tijdens, het gesprek op 16 oktober 2019 voorlichtingsmateriaal hebben ontvangen in de Iraanse taal, waarin zij volledig zijn geïnformeerd over het doel en de strekking van het (huisvestings)gesprek. [gedaagde sub 1 cs] hebben dat niet weersproken. zodat van de juistheid van die stelling zal worden uitgegaan. Gelet hierop moet worden aangenomen dat [gedaagde sub 1 cs] wisten, althans hadden kunnen weten, dat zij - voor zover zij een gelijkvloerse woning wensten - dat in het gesprek dienden aan te geven. In die omstandigheid had van hen ook mogen worden verwacht dat zij dat spontaan zouden hebben aangegeven indien de vraag niet is gesteld. Daar komt bij dat [gedaagde sub 1 cs] , voor zover zij daarbij niet hebben stilgestaan tijdens het gesprek, hebben nagelaten om wijziging van het B06-formulier te vragen, waartoe de mogelijkheid openstond. Aan de in dit verband door [gedaagde sub 1 cs] naar voren gebrachte stelling dat zij niet wisten dat er (in Nederland) woningen met een inpandige trap bestaan, wordt als ongeloofwaardig voorbijgegaan. Op grond van het voorgaande behoefde het COA er geen rekening mee te houden dat (mogelijk) aan [gedaagde sub 1 cs] een gelijkvloerse woning zou moeten worden aangeboden.

4.4.

Na de weigering van de aangeboden woonruimte hebben [gedaagde sub 1 cs] het patiëntdossier van [gedaagde sub 2] nog ter beschikking gesteld. Met het COA moet worden geoordeeld dat op basis daarvan niet alsnog een gelijkvloerse woning moet worden aangeboden en wel om de navolgende redenen.

4.5.

Voor wat betreft de hier aan de orde zijnde duizeligheidsklachten vermeldt het patiëntdossier enkel weergaven van eenzijdig door [gedaagde sub 2] geuite klachten, welke klachten niet (voldoende) op andere wijze zijn onderbouwd. Dat deze veroorzaakt worden door een schildklier- en/of een hartklepafwijking bij [gedaagde sub 2] blijkt in ieder geval niet uit een medische diagnose. Op grond hiervan kan niet worden aangenomen dat sprake is van medisch objectiveerbare klachten die meebrengen dat daarmee bij de toewijzing van een woning rekening moet worden gehouden. Uit de stukken blijkt ook niet dat [gedaagde sub 1 cs] in het verleden binnen het [AZC 2] , waar zij zich toen bevonden, zijn verhuisd van woonruimte op de eerste etage naar woonruimte op de begane grond vanwege de duizeligheidsklachten van [gedaagde sub 2] . Integendeel, uit het patiëntdossier volgt dat de reden van die interne verhuizing was gelegen in de onhygiënische situatie van de woonruimte op de eerste verdieping.

4.6.

De slotsom is dat de vordering van het COA zal worden toegewezen, met dien verstande dat redelijkerwijs aan [gedaagde sub 1 cs] een iets langere termijn, dan gevorderd, zal worden gegund om de ontruiming te bewerkstelligen.

4.7.

[gedaagde sub 1 cs] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1 cs] om de bij hen in gebruik zijnde ruimte(n) in het [AZC 1] aan [adres 2] , dan wel elke andere door het COA verzorgde opvanglocatie, binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, met al het hunne;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1 cs] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van het COA begroot op € 1.722,80, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat, € 656,-- aan griffierecht en € 83,38 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw, en € 3,42 aan verschotten;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2020.

jvl


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature