< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bewezenverklaring van Hawala-bankieren met Syrië, financieren van terrorisme, witwassen, mensensmokkel en enkele andere strafbare feiten.

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Uitspraak



Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/767275-17, 09/827550-17 (gev. t.t.z.) en 09/765005-19 (gev. t.t.z.)

Datum uitspraak: 20 februari 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum 1] 1977 [geboorteplaats] [geboorteland] ,

[adres 1] .

Inhoudsopgave

1. Het onderzoek ter terechtzitting

2. Tenlastelegging

3. Geldigheid van de dagvaarding (parketnummer 09/767275-17, feit 1)

4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (parketnummer 09/765005-19, feit 1)

5. Vrijspraak van parketnummer 09/827550-17, feit 2

6. Bewijsoverwegingen parketnummer 09/767275-17

7. Bewijsoverwegingen parketnummer 09/827550-17

8. Bewijsoverwegingen parketnummer 09/765005-19

9. De bewezenverklaring

10. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

11. De strafbaarheid van de verdachte

12. De strafoplegging

13. De inbeslaggenomen goederen

14. De toepasselijke wetsartikelen

15. De beslissing

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek in de zaak met parketnummer 09/767275-17 is gehouden op de terechtzittingen van 17 september 2018, 25 september 2018 (op welke zitting de zaak met parketnummer 09/827550-17 bij deze zaak is gevoegd), 11 juli 2019, 30 januari 2020 (inhoudelijke behandeling) en 6 februari 2020 (sluiting onderzoek).

Het onderzoek in de zaak met parketnummer 09/827550-17 is aangevangen op de terechtzitting van de politierechter op 7 december 2017 en voortgezet op de terechtzittingen van de politierechter van 12 juni 2018 en 24 juli 2018. Op die laatste zitting is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor strafzaken.

Vervolgens is de zaak door de meervoudige kamer behandeld op de terechtzittingen van

17 september 2018, 25 september 2018 (op welke zitting de zaak is gevoegd bij voornoemde zaak met parketnummer 09/767275-17), 11 juli 2019, 30 januari 2020 (inhoudelijke behandeling) en 6 februari 2020 (sluiting onderzoek).

Het onderzoek in de zaak met parketnummer 09/765005-19 is gehouden op de terechtzittingen van 11 juli 2019 (op welke zitting de zaak is gevoegd bij voornoemde zaken met de parketnummers 09/767275-17 en 09/827550-17), 30 januari 2020 (inhoudelijke behandeling) en 6 februari 2020 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.A. Visser en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. N.M. Fakiri naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 09/767275-17 op de terechtzittingen van 11 juli 2019 en 30 januari 2020 – ten laste gelegd dat:

Parketnummer 09/767275-17

1.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 9 november 2016 tot en met 15 mei 2018 te Alphen aan den Rijn en/of Rijswijk, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener met een zetel in Nederland heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel

toezicht, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk:

- ten behoeve van en/of op verzoek van begunstigden en/of betalers en/of een of meerdere anderen geldtransacties en/of geldtransfers uitgevoerd en/of laten uitvoeren en/of voor rekening van een of meer begunstigden en/of betalers ontvangen en/of

- aan een of meer begunstigden en/of betalers geldbedragen beschikbaar gesteld en/of voor een of meer van de begunstigden en/of betalers geldbedragen gehouden,

(immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk onder andere de volgende geldtransacties/geldtransfers uitgevoerd en/of laten uitvoeren en/of geldbedragen ontvangen en/of beschikbaar gesteld:

1- op of omstreeks 9 november 2016 een geldbedrag van € 80 (afkomstig van [naam 1] ), en/of

A- op of omstreeks 24 juni 2017, althans in of omstreeks juni 2017, een geldbedrag van 5.000 Amerikaanse dollar [zie: AMB 167] en/of

B- op of omstreeks 1 juli 2017, althans in of omstreeks juli 2017, een geldbedrag van 5.000 Amerikaanse dollar [zie: AMB 167] en/of

C- op of omstreeks 4 juli 2017, althans in of omstreeks juli 2017, een geldbedrag van 525 euro [zie: AMB 167] en/of

D- op of omstreeks 3 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 21.290 euro [zie: AMB 167] en/of

E- op of omstreeks 13 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 200 Amerikaanse dollar [zie: AMB 167] en/of );

F- op of omstreeks 17 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 2.842 euro [zie: AMB 167] en/of

G- op of omstreeks 22 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 10.000 euro [zie: AMB 167] en/of

H- op of omstreeks 17 juni 2017, althans in of omstreeks juni 2017, een geldbedrag van 2.000 Amerikaanse dollar [zie: AMB 193] en/of

I- op om omstreeks 18 juni 2017, althans in of omstreeks juni 2017, een geldbedrag van 500 dollar [zie: AMB 167] en/of

J - op of omstreeks 18 juni 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 5.000 Amerikaanse dollar [zie: AMB 193] en/of

K- op of omstreeks 27 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 200 Amerikaanse dollar [zie: AMB 194] en/of

L- op of omstreeks 21 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 57.000 Syrische Lires [zie: AMB 180] en/of

M- op of omstreeks 23 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van € 411 (ten behoeve van [naam 2] ),

en/of andere geldtransacties en/of geldtransfers die verdachte middels zijn telefoon (merk: Samsung A3) heeft uitgevoerd en/of laten uitvoeren en/of ontvangen [zie: AMB 167, 180, 193, 194]

en/of andere geldtransacties en/of geldtransfers als vermeld in een witte map die onder [medeverdachte] in beslag is genomen [zie: AMB 398])

van welk misdrijf verdachte een gewoonte heeft gemaakt;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met

9 september 2017, te Alphen aan den Rijn en/of Rijswijk, althans (elders) in Nederland en/of te Turkije en/of Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad of aan een ander heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (middels (zogenaamde Hawala-)geldtransfers/geldtransacties en/of een of meerdere opdrachten tot uitbetaling en/of overhandiging van geld ), één of meer geldbedrag(en),

(te weten en/of waaronder:

- 100.000 Syrische lira (op of omstreeks 11 april 2015) [zie: AMB 352] en/of

- 500 Amerikaanse dollars (op of omstreeks 16 juli 2016))[zie: AMB 352] en/of

- 1.700 Amerikaanse dollars (op of omstreeks 16 juli 2016) [zie: AMB 352] en/of

- 4.010 en/of 500 en/of 2.000 Amerikaanse dollars [zie: AMB 352] en/of

- 1.600 Amerikaanse dollars (op of omstreeks 6/10/2016) [zie: AMB352] en/of

- 300 Amerikaanse dollars (op of omstreeks 31 augustus 2017) [zie: AMB 198])

verzonden en/of doen toekomen aan [broer van de verdachte ] en/of (een) andere (tussen)perso(o)n(en) (te weten (onder andere) [naam 4] ) in Syrië en/of Turkije, ten behoeve van [broer van de verdachte ] ,

zijnde [broer van de verdachte ] en een strijder van de gewapende Jihadstrijd en/of van de (terroristische organisatie) IS en/of Jabhat al-Nusra en/of Jabhat Fatah al-Sham, althans een gewapende strijdgroep,

terwijl dit/deze (geld)bedrag(en) (deels) (telkens) bestemd was/waren om (geldelijke) steun te verlenen aan de gewapende (Jihad)strijd en/of aan (een) strijder(s) van die gewapende (Jihad)strijd in Syrië, in welke strijd terroristische misdrijven werden/worden gepleegd, (althans) in elk geval om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf;

3.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 9 november 2016 tot en met 15 mei 2018 te Alphen aan den Rijn en/of Rijswijk, althans (elders) in Nederland,

een of meerdere voorwerpen/geldbedragen (te weten provisie(gelden) voor geldtransacties/geldtransfers die hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen heeft verricht), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of van die voorwerpen/geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die voorwerpen/geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit één of meer (al dan niet eigen) misdrijven, van welk misdrijf (te weten witwassen) verdachte al dan niet een gewoonte heeft gemaakt;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 30 november 2015 in Alphen aan den Rijn en/of Leiden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) ander(en), te weten [naam 5] en/of [naam 6] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,

en/of die [naam 5] en/of [naam 6] daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

- die [naam 5] en/of [naam 6] in contact gebracht met een mensensmokkelaar/reisagent genaamd [naam 7] , althans een telefoonnummer van die [naam 7] , althans van een mensensmokkelaar/reisagent, aan die [naam 5] en/of [naam 6] verstrekt, en/of

- die [naam 5] en/of [naam 6] met behulp van een mensensmokkelaar vanuit Turkije naar Griekenland laten vervoeren en/of

- in contact gestaan met die [naam 5] en/of [naam 6] gedurende hun reis naar Nederland en hen daarbij geadviseerd en/of hen in contact gebracht met één of meerdere anderen (ten behoeve van hun doorreis) en/of

- die [naam 5] en/of [naam 6] bij aankomst in Nederland opgehaald en/of vervoerd, en/of

- die [naam 5] en/of [naam 6] onderdak verschaft in Nederland;

terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was;

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 15 november 2015 in Alphen aan den Rijn en/of Leiden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) ander(en), te weten [naam 47] en/of [naam 9] behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,

en/of die [naam 47] en/of [naam 9] daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

- aan die [naam 47] en/of [naam 9] geld (te weten ongeveer 300 of 400 euro, althans een geldbedrag) verstrekt en/of doen verstrekken gedurende hun reis vanuit Griekenland naar Nederland, en/of

- die [naam 47] en/of [naam 9] bij aankomst in Duitsland opgehaald en/of (vervolgens) (over de grens met Nederland) vervoerd en/of

- die [naam 47] en/of [naam 9] onderdak verschaft in Nederland;

terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was;

Parketnummer 09/827550-17

1.

hij op of omstreeks 9 september 2017 te Rijswijk [naam 10] heeft mishandeld door haar met kracht (met zijn vuist) tegen het hoofd te stompen/slaan;

2.

hij op of omstreeks 9 september 2017 te Rijswijk [naam 10] en/of haar kinderen

[naam 11] ( [geboortedatum 7] 2007) en/of [naam 11] ( [geboortedatum 8] 2008) en/of [naam 13] ( [geboortedatum 9] 2011) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met gijzeling, door dreigend tegen die [naam 10] en/of haar kinderen te zeggen dat:

- als die [naam 10] de deur niet open doet hij haar kinderen zal vermoorden en/of

- als die [naam 10] en/of haar kinderen (tegen de politieambtenaren) iets zouden zeggen hij hen zou vermoorden, althans iets aan zou doen en/of

- dat als hij niet mocht langskomen bij die [naam 10] en/of haar kinderen dat hij de kinderen zou (laten) ontvoeren naar Syrië,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 9 september 2017 te Rijswijk, een ander, te weten [naam 10] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten sambal te eten, door tegen die [naam 10] te zeggen dat hij haar zou slaan als zij dit niet zou doen;

Parketnummer 09/765005-19

1.

hij op enig(e) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 15 januari 2019 te Rijswijk, althans in Nederland, opzettelijk [naam 10] (telkens) in haar tegenwoordigheid mondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door aan [naam 10] meerdere ingesproken whats appberichten toe te sturen met onder andere als inhoud: "je bent een hoer, een slet" en/of "je blijft een hoer en een slet, iedereen weet dat je een hoer bent, iedereen weet dat je een slet bent", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of

strekking;

2.

hij in of omstreeks de periode van 11 november 2017 tot en met 25 november 2017 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, heeft gepoogd om [naam 14] (de vader van [getuige 4] ) te bewegen opzettelijk mondeling zich jegens [getuige 4] te uiten, kennelijk om haar vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar (een) verklaring(en) af te leggen, te beïnvloeden, terwijl hij en/of die [naam 14] wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring(en) zou(den) worden afgelegd, door in een of meerdere telefoongesprek(ken) aan die [naam 14] na te noemen inlichting(en) te verschaffen - zakelijk weergegeven - te weten, dat die [naam 14] hem, verdachte, een dienst zou bewijzen door [getuige 4] naar de rechter te laten gaan om haar getuigenverklaring te laten wijzigen en/of dat [getuige 4] alleen maar zou hoeven te zeggen dat hij, verdachte, haar ( [naam 10] ) niet had geslagen en/of dat hij, verdachte, een auto zou laten sturen om [getuige 4] op te halen en/of naar de rechtbank te brengen althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

3 Geldigheid van de dagvaarding (parketnummer 09/767275-17, feit 1)

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat (kort samengevat) de dagvaarding wat betreft de onderdelen “en/of andere geldtransacties en/of geldtransfers die verdachte middels zijn telefoon (merk: Samsung A3) heeft uitgevoerd en/of laten uitvoeren en/of ontvangen [zie: AMB 167, 180, 193, 194] en/of

andere geldtransacties en/of geldtransfers als vermeld in een witte map die onder [medeverdachte] in beslag is genomen [zie: AMB 398])” partieel nietig moet worden verklaard, omdat die transacties niet nader zijn omschreven zodat het voor de verdachte, mede gelet op de omvang van het dossier, niet duidelijk is waartegen hij zich moet verweren.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is. De gedachtestreepjes bevatten namelijk de feitelijke uitwerking van het gemaakte verwijt van overtreding van artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht en daaruit blijkt welke handelingen de verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader als betaaldienstverlener heeft verricht.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

In artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) zijn de eisen waaraan de tenlastelegging moet voldoen opgenomen, namelijk vermelding van feit, tijd, plaats en wettelijke voorschriften. Deze vermelding moet voldoende specifiek zijn, omdat de verdachte moet weten waartegen hij zich moet verdedigen en ook omdat voor de rechtbank duidelijk moet zijn op welke grondslag zij moet beslissen.

In de onderdelen van de tenlastelegging waarnaar de raadsman verwijst wordt verwezen naar die geldtransacties/-transfers die zouden blijken uit een telefoon en/of een witte map, onder verwijzing naar ambtshandelingen van het opsporingsdossier. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging voldoende feitelijk is en voldoet aan de eisen die artikel 261 Sv daaraan stelt. Voor verdachte was voldoende duidelijk waartegen hij zich moest verweren. De rechtbank verwerpt dan ook het tot nietigheid strekkende verweer.

4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (parketnummer 09/765005-19, feit 1)

4.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie met betrekking tot dit feit niet-ontvankelijk is in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd (kort samengevat) dat de verdachte heeft verklaard dat de beledigende WhatsApp-berichten moeten dateren van vóór mei 2018, maar dat aangeefster [naam 10] pas in februari 2019, derhalve na de geldende termijn van drie maanden, klacht heeft gedaan van die belediging. Zodoende heeft aangeefster [naam 10] niet tijdig geklaagd, zoals is voorgeschreven in artikel 66, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier blijkt dat [naam 10] de WhatsApp-berichten niet vóór mei 2018, maar pas in december 2018 heeft ontvangen, zodat het moment waarop [naam 10] klacht heeft gedaan ruimschoots valt binnen de geldende termijn van drie maanden. Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is dan ook geen sprake, aldus de officier van justitie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier blijkt dat aangeefster [naam 10] ) op 18 december 2018 de door haar van de verdachte ontvangen beledigende WhatsApp-berichten aan de politie heeft verstuurd om deze ter beschikking te stellen aan het onderzoeksteam van het onderzoek ‘Dunajec’. Vervolgens heeft zij op 15 januari 2019 aangifte van belediging gedaan. [naam 10] heeft verklaard dat zij sinds juli/augustus 2018 steeds WhatsApp-berichten van de verdachte ontving en dat zij die berichten niet allemaal heeft kunnen bewaren omdat de verdachte die berichten deels heeft verwijderd, maar dat ze nog wel negen berichten van de laatste maand (rechtbank: omstreeks de periode van 15 december 2018 tot en met 15 januari 2019) heeft bewaard, die zij aan de politie heeft overhandigd. Vervolgens heeft [naam 10] van die belediging op 18 februari 2019 klacht gedaan bij de hulpofficier van justitie.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de stelling van de verdediging anders dan de verklaring van verdachte geen grondslag in de feiten zoals die blijken uit het opsporingsonderzoek. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [naam 10] na haar aangifte tijdig klacht heeft gedaan van belediging in de periode zoals die is tenlastegelegd. Daarbij merkt de rechtbank op dat het vervolgens aankomt op een waardering van het bewijs of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat aangeefster [naam 10] de berichten inderdaad in de tenlastegelegde periode van de verdachte heeft ontvangen.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken, acht de rechtbank het

openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van het onder parketnummer

09/765005-19, onder 1, tenlastegelegde feit.

5 Vrijspraak van parketnummer 09/827550-17, feit 2

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen concluderen dat de verdachte op

9 september 2017 de bedreigende uitlatingen zoals ten laste gelegd heeft geuit. Daarom zal de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

6 Bewijsoverwegingen parketnummer 09/767275-17

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Met betrekking tot de feiten 1 en 3 heeft de officier van justitie (kort samengevat) gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte zich samen met anderen heeft beziggehouden met Hawala-bankieren, terwijl aan hem geen vergunning was afgegeven voor het verlenen van betaaldiensten. Uit getuigenverklaringen, opgeslagen gegevens in inbeslaggenomen telefoons, aangetroffen notities en afgeluisterde gesprekken blijkt van vele betalingen van kleine en grote bedragen. De verdachte was daar bijna dagelijks en veelvuldig mee bezig (feit 1). Nu de verdachte provisie ontving voor de door hem verrichte transacties, kan eveneens worden bewezen dat hij geldbedragen – door dat geld te verwerven, voorhanden te hebben, om te zetten, over te dragen en te gebruiken – heeft witgewassen (feit 3).

Met betrekking tot feit 2 is aangevoerd (kort samengevat) dat uit het dossier blijkt dat de verdachte meermalen geld heeft doen toekomen aan zijn [broer van de verdachte ] in Syrië, terwijl is gebleken dat die [broer van de verdachte ] was aangesloten bij IS en/of (later) Jabhat al-Nusra of één van de opvolgers daarvan (Jabhat Fatah al-Sham en Tahrir al-Sham). Omdat de verdachte wist dat [broer van de verdachte ] een gewapende strijder was en dat hij was aangesloten bij een terroristische organisatie, heeft de verdachte opzet gehad op het financieren van terrorisme.

Met betrekking tot de feiten 4 en 5 is aangevoerd (kort samengevat) dat de verdachte de in de tenlastelegging genoemde personen behulpzaam is geweest bij het naar en door Europa en vervolgens naar Nederland te reizen, terwijl hij wist dat die toegang of doorreis wederrechtelijk was. Zijn handelen was erop gericht behulpzaam te zijn bij het uiteindelijk aanvragen van asiel door die personen in Nederland.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Feiten 1 en 3

De raadsman heeft zich met betrekking tot een bewezen verklaring van feit 1, met uitzondering van de inhoud van het gedachtestreepje onder ‘D’, alsmede van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot gedachtestreepje D heeft de raadsman aangevoerd (kort samengevat) dat de verdachte ontkent dat hij de opdracht tot betaling van € 21.290,- heeft geaccepteerd dan wel dat hij dat bedrag aan [naam 21] heeft gegeven. Bovendien blijkt uit het dossier niet op welke datum het bericht “is geschied” is geschreven en evenmin dat dat bericht betrekking heeft op betaling van eerdergenoemd geldbedrag. De verdachte moet dan ook van dit onderdeel partieel worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Feit 2

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd (kort samengevat) dat de verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het financieren van terrorisme. De betalingen die aan [broer van de verdachte ] zouden zijn verricht, zijn niet uit ideologisch oogpunt gedaan maar de verdachte wilde zijn broer – die niet bij een terroristische groepering behoort – slechts helpen. Voorts zijn de verklaringen van [naam 10] onbetrouwbaar, zodat die van het bewijs moeten worden uitgesloten. Ten slotte zijn de verdachte en zijn familie niet praktiserend gelovig en geen aanhangers van de strenge Islamitische ideologie.

Feiten 4 en 5

De raadsman heeft aangevoerd (kort samengevat) dat de verklaringen van de ex-echtgenote van verdachte, [naam 10] , inhoudende dat de verdachte zich bezighoudt met mensensmokkel, onjuist zijn en uit wraak zijn afgelegd. De verdachte heeft gehandeld zonder oogmerk van eigen bevoordeling en heeft slechts hulp verleend bij de reis van zijn familieleden naar Nederland.

6.3

De beoordeling van de tenlastelegging

6.3.1

Feiten 1 en 3

Het toepasselijk wettelijk kader

De verdachte wordt verweten (kort gezegd) dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend, van welk handelen hij al dan niet een gewoonte heeft gemaakt.

Wat is een betaaldienstverlener?

Blijkens artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht is een betaaldienstverlener :

- degene die zijn bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten.

Een betaaldienst is volgens datzelfde artikel ee n:

- bedrijfswerkzaamheid als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten.

Voornoemde richtlijn betreft Richtlijn 2007/64/EG van het Europese Parlement en De Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG.

Blijkens voornoemde bijlage bij die richtlijn betreffen betaaldiensten ex artikel 4 punt 3 van die richtlijn (die dezelfde strekking heeft als artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht):

1. Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten op een betaalrekening te plaatsen alsook alle verrichtingen die voor het exploiteren van een betaalrekening vereist zijn.

2. Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten van een betaalrekening op te nemen alsook alle verrichtingen die voor het beheren van een betaalrekening vereist zijn.

3. Uitvoering van betalingstransacties, met inbegrip van geldovermakingen, op een betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder van de gebruiker of bij een andere betalingsdienstaanbieder:

- uitvoering van automatische debiteringen, met inbegrip van eenmalige automatische debiteringen;

- uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;

- uitvoering van overmakingen, met inbegrip van automatische betalingsopdrachten.

4. Uitvoering van betalingstransacties waarbij de geldmiddelen zijn gedekt door een kredietlijn die aan de betalingsdienstgebruiker wordt verstrekt:

- uitvoering van automatische debiteringen, met inbegrip van eenmalige automatische debiteringen;

- uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;

- uitvoering van overmakingen, met inbegrip van doorlopende opdrachten.

5. Uitgifte en/of aanvaarding van betaalinstrumenten.

6. Geldtransfers.

7. Uitvoering van betalingstransacties waarbij de instemming van de betaler met een betalingstransactie wordt doorgegeven met behulp van een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument en de betaling rechtstreeks geschiedt aan de exploitant van de telecommunicatiediensten, het IT-systeem of het netwerk, die louter optreedt als intermediair tussen de betalingsdienstgebruiker en de persoon die de goederen levert of de diensten verricht.

Wanneer is in de onderhavige zaak sprake van het handelen als betaaldienstverlener?

De verdachte wordt (kort gezegd) verweten het ten behoeve van/op verzoek van begunstigden/betalers uitvoeren van zogeheten Hawala-geldtransacties. Gelet op voornoemde wet en richtlijn is bij Hawala-bankieren sprake van handelen als betaaldienstverlener zodra er minst genomen:

Situatie 1: geld aan de verdachte of zijn mededader(s) is gegeven door een betaler, zijnde geld dat middels Hawala-bankieren naar een Hawala-bankier in een derde land moet worden gestuurd;

of

Situatie 2: geld of een opdracht tot afgifte van geld aan de verdachte of zijn mededader(s) is gegeven door een Hawala-bankier in een derde land, zijnde geld dat middels Hawala-bankieren door verdachte aan een begunstigde in Nederland moest worden gegeven.

Met één van die handelingen is immers de betrokkenheid bij de Hawala-transactie gestart en onder de in situatie 1 en 2 beschreven omstandigheden ook reeds sprake van een voltooid delict.

Het bewijs

Inleiding

Op 9 september 2017 is in de woning van [naam 10] ), waar de verdachte werd aangehouden, een Samsung Galaxy A3 (hierna ook: Samsung A3) aangetroffen en inbeslaggenomen. Uit onderzoek aan deze telefoon bleek dat daarin het [telefoonnummer 1] ) werd gebruikt. Uit een afgeluisterd gesprek met dit nummer is gebleken dat de gebruiker zich [bijnaam verdachte] / [verdachte] noemt.

De politie heeft de telefoon uitgelezen en onderzoek gedaan naar de inhoud van die telefoon. Daaruit bleek dat in die telefoon ruim 22.000 chats waren opgeslagen. Het [telefoonnummer 1] maakte deel uit van verschillende WhatsApp-chatgroepen.

Ten eerste is aangetroffen de chatgroep met de naam ‘Nederland, [naam 11] en [naam 16] ’. In deze chatgroep staan 874 chats in de periode van 22 februari 2017 tot en met 9 september 2017. Ongeveer 570 chats bevatten tekst, cijfers of icoontjes. In 116 berichten staat een naam, plaatsnaam, soms een telefoonnummer en een bedrag. Deze berichten zijn in de groep geplaatst door het [telefoonnummer 1] . Deze berichten worden vaak gevolgd door een inkomend bericht van één van de Turkse nummers met alleen een getal, zoals “5”, “7", “8", “10”, “15”, “20”, of met een getal voorafgaand door “voor ons”, zoals “voor ons 65”, “voor ons 3”, “voor ons 15” en soms wordt het getal voorafgegaan door “$”. Daarnaast worden berichten verstuurd, zowel door de Turkse [telefoonnummer 14] en [telefoonnummer 13] , als door het [telefoonnummer 1] , waarin wordt aangegeven wat het wederzijds tegoed is. Bijvoorbeeld:

“Ter overeenstemming: uw tegoed bij ons $9293. Ons tegoed bij u 17635 euro. Graag bevestigen”. In deze chatgroep komen meerdere berichten voor waarin [naam 4] uit Idlib wordt genoemd.

In de contactenlijst in de Samsung A3 komen onder meer de volgende contacten voor:

‘ [naam 4] ’ met nummer [telefoonnummer 2] ;

‘ [naam 4] / [kantoornaam] ’ met het [telefoonnummer 15] .

Tussen het nummer [telefoonnummer 2] en het [telefoonnummer 1] vonden tussen 17 juni 2017 en

9 september 2017 in totaal 1054 chats plaats. In ongeveer 175 chats staat steeds een naam, een bedrag en een plaatsnaam. Hiervan zijn er 140 verzonden door het [telefoonnummer 1] en 35 door het nummer [telefoonnummer 2] . De bedragen zijn in dollars danwel Syrische lira. Uit die chats blijkt dat door [naam 4] in vrijwel alle gevallen per chat wordt bevestigd dat de bedragen zijn overhandigd of dat ze nog in behandeling zijn. Regelmatig stuurde hij een overzicht van wat is uitbetaald en de verrekening van eventueel door hem ontvangen bedragen ten gunste van de verdachte. Voorts blijkt uit de chats dat regelmatig wordt gesproken over ‘Hawala’. Ten slotte blijkt dat in een chat wordt verwezen naar een website van het [bedrijfsnaam] ’, dat een bedrijf is voor geldwissel- en geldtransacties, met vestigingen in Turkije, Syrië en Libanon. Uit enkele chats die erna volgen blijkt dat kennelijk zaken wordt gedaan via ‘ [bedrijfsnaam] .

Ten tweede komt het [telefoonnummer 1] voor in de chatgroep met de naam ‘ [naam 19] / [bijnaam verdachte] ’.

In de chatgroep komen meerdere chats voor met daarin namen die (vrijwel) overeenkomen met de namen op de afbeeldingen van identiteitsbewijzen die eveneens in de Samsung A3 zijn aangetroffen. Van 27 van de 36 afbeeldingen zijn de namen door het [telefoonnummer 1] in een chat in de chatgroep gezet. Uit de verdere tekst in deze chats kan worden opgemaakt dat er zeer waarschijnlijk een bedrag aan deze personen moet worden uitbetaald. Deze personen zijn allen woonachtig in Turkije of het Midden-Oosten.

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij betaaltransacties heeft verricht zonder dat hij daarvoor een vergunning had. Hij heeft verklaard dat hij denkt dat hij deze activiteiten in de jaren 2017 en 2018 heeft ontplooid en dat hij voor het verrichten van die betaaltransacties voornoemde Samsung A3 gebruikte, die door de politie inbeslaggenomen is. De mensen in Nederland die geld wilden overmaken naar Syrië kwamen aan zijn telefoonnummer via hun familie in Syrië. De mensen die geld nodig hadden in Idlib (Syrië) gingen naar zijn neef in Idlib.

Over de wijze waarop die transacties werden verricht, heeft de verdachte verklaard dat het ging om geldbedragen die familieleden bijvoorbeeld naar hun familie in Syrië wilde sturen. Het geld ging via een tussenpersoon in Turkije, met wie de verdachte zaken deed, naar Syrië. Daarnaast heeft de verdachte in 2017 [naam 4] uit Idlib (Syrië) leren kennen, via wie hij ook zaken heeft gedaan met betrekking tot het verrichten van geldtransacties. Via deze [naam 4] was het goedkoper om geld naar Syrië te sturen. Voor het Hawala bankieren had de verdachte aldus contact met deze twee personen uit Turkije en Syrië.

Ook met zijn neef [naam 17] heeft de verdachte zaken gedaan. Die neef heeft geld ontvangen en betaald. Daarnaast deed de verdachte ook zaken met [naam 18] , die woonachtig is in Duitsland. Deze [naam 18] heeft ervoor gezorgd dat de verdachte met zijn telefoonnummer in een WhatsApp-groep terecht kwam om zo geldtransacties naar Syrië te kunnen verrichten.

De verdachte maakte ook deel uit van de WhatsApp-groep ‘Nederland, [naam 11] en [naam 16] ’, via welke groep hij geldtransacties verrichtte. Over de WhatsApp-chatgroep “ [naam 19] / [bijnaam verdachte] ” heeft de verdachte verklaard dat hij [bijnaam verdachte] is en dat [naam 19] ook deel nam aan deze groep en dat hij een persoon is die geld overmaakt.

De verdachte heeft verklaard dat als mensen geld wilden sturen naar Syrië, hij zelf het geld ontving, of dat hij een kennis zocht bij wie dat geld kon worden ingeleverd waar hij het daarna ophaalde. Ook gebeurde het dat die mensen het geld bij één persoon verzamelden, die het geld bij hem bracht. Over zijn verdiensten in de vorm van provisie heeft de verdachte verklaard dat als iemand bijvoorbeeld € 100,- wilde overmaken, die persoon dan

€ 110,- moest geven. Daarvan mocht verdachte zelf € 4,- houden en € 6,- moest hij afdragen aan het geldwisselkantoor voor de kosten van de transactie.

Voorts heeft hij verklaard dat [medeverdachte] hem bij het Hawala bankieren heeft geholpen, omdat hij zelf de Nederlandse taal niet goed begreep. [medeverdachte] schreef op zijn verzoek notities van de geldtransacties voor hem op, onder meer in de witte inbeslaggenomen map, zodat hij een overzicht had van de transacties, de tegoeden bij de geldwisselkantoren en de tekorten. Ook heeft [medeverdachte] op zijn verzoek een aantal keer bij mensen geld verzameld dat moest worden overgeboekt en heeft de verdachte de telefoon van [medeverdachte] gebruikt voor het Hawala bankieren.

Behalve van [medeverdachte] kreeg de verdachte ook hulp van zijn toenmalige vrouw [naam 10] bij het Hawala bankieren. Zij schreef WhatsApp-berichten met de naam, het bedrag en de plaatsnaam van de persoon voor wie het geld was bestemd. De verdachte zat namelijk wel in een WhatsApp-chatgroep, maar kon zelf de berichten voor die groep niet schrijven.

Over de in de tenlastelegging opgenomen geldtansacties heeft de verdachte ten slotte als volgt verklaard. Van de transacties onder 1 en L weet hij nog dat hij die heeft verricht. Met betrekking tot transactie G heeft de verdachte verklaard dat hij nog weet dat hij de 10.000,- dollar in opdracht van een geldwisselkantoor aan een persoon in Amstelveen heeft gegeven, van wie hij de naam niet meer weet. Het chatbericht dat ziet op transactie H komt de verdachte bekend voor. Voor het overige heeft de verdachte verklaard dat de transacties kunnen kloppen, maar dat hij niet meer alle namen van de personen weet en evenmin de precieze geldbedragen.

Ten slotte heeft de verdachte verklaard dat hij is begonnen met Hawala-bankieren, omdat het moeilijk was om rond te komen van alleen de uitkering die hij destijds ontving.

De verklaring van medeverdachte [medeverdachte] )

[medeverdachte] heeft verklaard dat bij hem een witte ordner inbeslaggenomen is en dat die van de verdachte is. Ook heeft de verdachte Hawala-opdrachten verstuurd vanaf de telefoon van [medeverdachte] .

Voorts heeft [medeverdachte] verklaard dat de verdachte in februari 2018 met zijn telefoon bij hem kwam met het verzoek de inhoud van die telefoon over de Hawala’s op papier te schrijven. [medeverdachte] heeft dat vervolgens in de witte map gedaan. De verdachte kon wel goed rekenen, maar kon zelf niet schrijven. De Hawala’s die via de telefoon van [medeverdachte] waren gestuurd moest daar ook in worden opgeschreven. Alleen hij heeft notities in de witte map geschreven, zo verklaart [medeverdachte] .

[medeverdachte] wist dat de verdachte, die hij medio 2017 leerde kennen, zich bezig hield met Hawala’s. Volgens hem heeft de verdachte vrienden in Turkije, Libanon en Syrië die geldwisselkantoren hebben. Hij stuurde de bestemming, de volledige naam, het telefoonnummer en het bedrag naar een geldwisselkantoor. Dat kantoor nam vervolgens contact op met de betreffende persoon om het bedrag aan deze persoon te overhandigen, zo verklaart [medeverdachte] . De geldwisselkantoren die de verdachte gebruikte waren onder andere [naam 19] voor geldwissel in Idlib en [naam 4] voor geldwissel in Damascus.

Over zijn rol bij het Hawala-bankieren heeft [medeverdachte] verklaard dat hij door particulieren werd benaderd met het verzoek om de Hawala-opdracht naar het geldwisselkantoor te sturen. Dat deed hij dan zelf, maar het geld werd aan de verdachte gegeven.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij in opdracht van de verdachte meermalen contante geldbedragen aan personen heeft gegeven en dat dit in maart of april 2018 was. De adresgegevens kreeg hij dan van de verdachte.

Ten slotte heeft [medeverdachte] verklaard dat de verdachte voor het Hawala-bankieren gebruik maakte van WhatsApp-groepen, waar verschillende geldwisselkantoren ook lid van waren.

De geldtransacties genoemd in de tenlastelegging

1- op of omstreeks 9 november 2016 een geldbedrag van € 80 (afkomstig van [naam 1] )

en

M- op of omstreeks 23 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van € 411 (ten behoeve van [naam 2] )

In de chatgroep ‘Nederland, [naam 11] en [naam 16] ’ is een chatbericht aangetroffen met de tekst ‘ [naam 2] in Nederland’. Onderzoek naar deze persoon leidde naar [naam 2] , [geboortedatum 10] 1999 in Idlib (Syrië), die vanaf 15 maart 2018 stond ingeschreven op het [adres 2] te Leiden.

Op 9 november 2016 is een bedrag van € 80,- bijgeschreven op de bankrekening (met IBAN [rekeningnummer 2] van de verdachte, welk bedrag afkomstig was van de bankrekening (met IBAN [rekeningnummer 1] ) van [naam 1] , geboren op

[geboortedatum 11] te Idlib (Syrië). [naam 1] staat eveneens ingeschreven op de [adres 2] in Leiden. Uit de gegevens van de BRP blijkt dat [naam 2] en [naam 1] broers zijn.

Op 23 augustus 2017 werd in de chatgroep ‘Nederland, [naam 11] en [naam 16] ’ door het nummer [telefoonnummer 2] de volgende chat verstuurd:

“Graag €411 overhandigen aan de heer [naam 2] in NEDERLAND”.

Voornoemde [naam 1] ) heeft bij de politie verklaard dat hij met zijn broer [naam 2] in Leiden woont. [naam 1] heeft verklaard dat zijn rekeningnummer [rekeningnummer 1] is en dat zijn [telefoonnummer 3] is. Over de transactie heeft [naam 1] verklaard dat hij de verdachte, met bijnaam [bijnaam verdachte] , kent vanuit een asielzoekerscentrum en dat hij weet dat de verdachte zich bezig houdt met Hawala-bankieren. [naam 1] heeft verklaard dat hij zeker één keer geld heeft overgemaakt naar Syrië via de verdachte. Ten slotte heeft [naam 1] verklaard dat hij via een neef van de verdachte had gehoord hoe het geld moest worden overgemaakt.

Bij de rechter-commissaris heeft [naam 1] nog nader verklaard over de wijze waarop de geldtransactie via de verdachte is verlopen. Hij heeft verklaard dat hij via de verdachte geld heeft overgemaakt naar zijn familie in Syrië door een geldbedrag over te boeken op de bankrekening van de verdachte, die het op zijn beurt aan zijn familie in Syrië zou doen toekomen. [naam 1] heeft verklaard dat zijn familie het geld, in Syrische Lira’s, daadwerkelijk heeft ontvangen.

Voornoemde [naam 2] ) heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij via een vriend in Syrië en via de verdachte in augustus/september 2017 geld heeft ontvangen. Die vriend was naar een illegaal kantoor in Syrië gegaan en heeft daar verzocht om een geldbedrag in dollars naar hem over te maken. Die vriend kreeg op dat kantoor de naam van de verdachte te horen als degene bij wie het geld in Nederland kon worden opgehaald en kreeg eveneens het telefoonnummer van de verdachte. [naam 2] heeft hierover daarna met zijn oom gesproken, die hem vertelde dat hij de verdachte persoonlijk kent. Zijn oom is daarom het geld bij de verdachte gaan ophalen, waarna hij zelf het geld weer van zijn oom ontving. Het ging om een bedrag van $500,-, wat in euro’s neer kwam op ongeveer

€ 410,-.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat de verdachte op 9 november 2016 een bedrag van € 80,- in ontvangst heeft genomen om die, althans het equivalent daarvan in Syrische lira, te laten uitbetalen in Syrië aan familie van [naam 1] , hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie. De verdachte heeft, zoals hiervoor overwogen, verklaard dat hij deze transactie heeft verricht.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat de verdachte op 23 augustus 2017 door een Hawala-bankier de opdracht heeft gekregen om in Nederland aan [naam 2] een bedrag van € 411,- te overhandigen en dat die betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.

A- op of omstreeks 24 juni 2017, althans in of omstreeks juni 2017, een geldbedrag van 5.000 Amerikaanse dollar

en

B- op of omstreeks 1 juli 2017, althans in of omstreeks juli 2017, een geldbedrag van 5.000 Amerikaanse dollar

Op 24 juni 2017 plaatste het [telefoonnummer 1] het volgende bericht in de chatgroep ‘Nederland, [naam 11] en [naam 16]

“ [naam 4] , IDLIB, 5000 dollar”.

Op 1 juli 2017 plaatste het [telefoonnummer 1] het volgende bericht in de chatgroep ‘Nederland, [naam 11] en [naam 16] ’:

“ [naam 4] , IDLIB, 5000 dollar”.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande – in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat de verdachte op voornoemde tijdstippen aan de Hawala-bankier de opdracht heeft gegeven tot betaling van telkens 5.000,- dollar aan [naam 4] in Idlib (Syrië), hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.

C- op of omstreeks 4 juli 2017, althans in of omstreeks juli 2017, een geldbedrag van 525 euro

Op 4 juli 2017 plaatste het [telefoonnummer 4] het volgende bericht in de chatgroep ‘Nederland, [naam 11] en [naam 16] ’:

“NEDERLAND-GRONINGEN, €525, [naam 20] , [telefoonnummer 5] ".

Daarop antwoordde het [telefoonnummer 1] met het bericht:

“Deze is geschied”.

Uit onderzoek bleek dat [naam 20] , [geboortedatum 12] 1985 te Syrië, vanaf 2 juli 2015 stond ingeschreven op een adres in Groningen.

[naam 20] ) heeft 27 juni 2018 verklaard dat zij vermoedt dat het bedrag via haar broer in Turkije is overgemaakt via een persoon. [naam 20] had geld nodig en haar broer wilde haar helpen. Zij weet nog dat zij vorig jaar naar het station in Groningen ging en dat zij daar € 525,- contact heeft ontvangen van een man. Het ging om een man die volgens haar met een Syrisch accent sprak.

[naam 20] heeft verder nog verklaard dat het [telefoonnummer 5] haar telefoonnummer is en dat in haar telefoon een contact staat met het [telefoonnummer 1] en met de naam ‘Hawala’. Zij verklaarde dat zij in het verleden van deze persoon meerdere kleine geldbedragen contact heeft ontvangen.

Ten slotte heeft [naam 20] verklaard dat zij de persoon behorend bij het [telefoonnummer 1] via haar broer heeft leren kennen. Die broer had haar nummer aan een persoon in Turkije gegeven en zo werd geld via Hawala aan haar op haar rekening in Nederland overgemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat de verdachte op 4 juli 2017 door een Hawala-bankier de opdracht heeft gekregen om in Nederland aan [naam 20] een bedrag van € 525,- te overhandigen en dat die betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.

D- op of omstreeks 3 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 21.290 euro

Op 3 augustus 2017 plaatste het [telefoonnummer 4] om 12.24 uur het volgende bericht in de chatgroep ‘Nederland, [naam 11] en [naam 16] ’:

“Graag een bedrag van 21290 euro overhandigen. NEDERLAND, [naam 21] , [telefoonnummer 6] . Terug naar ons 360.”

Het [telefoonnummer 1] antwoordde hier om 12.25 uur op met het bericht:

“Is geschied”.

Op 4 augustus 2017 plaatste het [telefoonnummer 4] om 16.04 uur het volgende bericht in de chatgroep:

“Stuur mij een kopie/foto van de identiteitskaart” .

In de Samsung A3 is een foto van een Nederlandse identiteitskaart op naam van [naam 21] ( [geboortedatum 13] -1965) opgeslagen, welke foto als datum/tijdstip heeft 4 augustus 2017 18.37 uur. Uit onderzoek in de Basisregistratie personen (hierna: BRP) bleek het te gaan om [naam 21] , [geboortedatum 13] 1965 te Aleppo (Syrië).

Anders dan de verdediging leidt de rechtbank uit deze chatconversatie af, dat de opdracht tot betaling is gegeven en dat die opdracht, gelet op het bericht “is geschied” ook is uitgevoerd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat de verdachte op 3 augustus 2017 door een Hawala-bankier de opdracht heeft gekregen om in Nederland aan [naam 21] een bedrag van € 21.290,- te overhandigen en dat die betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.

E- op of omstreeks 13 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 200 Amerikaanse dollar

Op 13 augustus 2017 vond in de chatgroep ‘Nederland, [naam 11] en [naam 16] ’ de volgende chatconversatie plaats:

Om 18:50:54 uur verstuurde het [telefoonnummer 1] het volgende bericht:

“Chef, de dollar stemt over maar wat betreft de overboeking van 200 van [naam 22] , hij zegt dat hij het niet ontvangen heeft.”

Om 19:11:18 uur antwoordde het [telefoonnummer 7] daarop met:

“Ik zal er achteraan gaan”.

Om 20:21:47 uur verstuurde het [telefoonnummer 7] vervolgens het bericht:

“Heeft ontvangen, heeft ontvangen”.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat [naam 22] omstreeks augustus 2017 via een Hawala-bankier op verzoek van de verdachte een bedrag van 200 dollar heeft ontvangen, hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.

F- op of omstreeks 17 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 2.842 euro

Op 17 augustus 2017 stuurde het [telefoonnummer 4] de volgende berichten in de chatgroep ‘Nederland, [naam 11] en [naam 16] ’:

[adres 3] . Naar deze plaats In NEDERLAND. [naam 23] , bedrag: €2842. [telefoonnummer 16] ”;

“Voor ons 230”.

Het [telefoonnummer 1] antwoordde hierop met het bericht:

“Is geschied".

Uit onderzoek in de BRP bleek dat op het adres [adres 3] te Zaandam vanaf 29 december 2016 stond ingeschreven [naam 23] , [geboortedatum 14] 1949 te Hama (Syrië). Zijn dochter stond eveneens op dit adres ingeschreven, maar haar achternaam wordt geschreven als [naam 23] .

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat de verdachte op 17 augustus 2017 door een Hawala-bankier de opdracht heeft gekregen om in Nederland aan [naam 23] een bedrag van € 2.842,- te overhandigen en dat die betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.

G- op of omstreeks 22 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 10.000 euro

Op 22 augustus 2017 vond de volgende chatconversatie plaats:

Om 11:10:53 uur stuurde het [telefoonnummer 4] het bericht:

“NEDERLAND, AMSTERDAM, 10.000 euro, hoeveel is de teruggave/terugkomst.”

Om 11:11:39 uur stuurde het [telefoonnummer 1] het bericht:

“Chef, het is er wel.”

Om 11:11:50 uur stuurde het [telefoonnummer 1] het bericht:

“Moet ik je overhandigen of moet ik voor jou ontvangen.”

Om 11:13:13 uur stuurde het [telefoonnummer 4] het bericht:

“Je overhandigt me.”

Om 11:13:19 uur stuurde het [telefoonnummer 4] het bericht:

“20”.

Om 11:13:48 uur stuurde het [telefoonnummer 1] het bericht:

“Ja, is gereed, is wel aanwezig/is er al.”

Om 11:14:04 uur stuurde het [telefoonnummer 1] het bericht:

“Regel het voor ons, tot en met 2 is terugkomend.”

Om 11:26:28 uur stuurde het [telefoonnummer 4] het bericht:

“ [naam 24] + [telefoonnummer 8] , €10.000, AMSTERDAM”.

Om 11:26:47 uur stuurde het [telefoonnummer 4] het bericht:

“Voor ons 150 euro, terugkomend, tot je dienst.”

Uit onderzoek is gebleken dat deze chatconversatie ging over [naam 24] , [geboortedatum 2] 1969 te Tartous-Banias (Syrië). Navraag in de BRP leerde dat deze [naam 24] vanaf 24 juli 2017 stond ingeschreven op het [adres 4] in Amstelveen en dat hij daarvoor stond ingeschreven op een adres in Amsterdam.

Op 25 augustus 2017 werden om 17.23 uur en om 17.24 uur door het [telefoonnummer 1] twee chats ontvangen, te weten [''''] ” en “ [adres 4] ”. Daarvoor vond op dit nummer om 13.29 uur een uitgaand chatgesprek plaats en om 17.23 uur een inkomend chatgesprek.

In het navigatiesysteem die in de auto van de verdachte inbeslaggenomen is, staat in de lijst met adressen onder andere het adres: [adres 4] te Amstelveen.

[naam 24] heeft op 5 juni 2018 verklaard dat de verdachte ongeveer een jaar geleden bij hem thuis in Amstelveen kwam, samen met een andere man, en dat hij toen € 10.000,- cash van hem kreeg. Op de vraag wat het chatbericht “ [naam 24] + [telefoonnummer 8] , €10.000, AMSTERDAM” betekent, antwoordde [naam 24] dat daarin zijn telefoonnummer en het bedrag staan vermeld en dat dat bericht door de verdachte was gestuurd naar hem omdat hij, [naam 24] , geld bij hem tegoed had.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat de verdachte op 22 augustus 2017 de opdracht heeft gekregen om in Nederland aan [naam 24] een bedrag van

€ 10.000,- te overhandigen en dat die betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie. De verdachte heeft, zoals hiervoor overwogen, verklaard dat hij deze transactie in opdracht van een geldwisselkantoor heeft verricht.

H- op of omstreeks 17 juni 2017, althans in of omstreeks juni 2017, een geldbedrag van 2.000 Amerikaanse dollar

Op 17 juni 2017 om 14.35 uur stuurde het [telefoonnummer 1] aan het [telefoonnummer 2] het volgende bericht:

“ [naam 25] , IDLIB, $2000. 17-6-2017”.

Op 17 juni 2017 om 21.37 uur stuurde het [telefoonnummer 2] het volgende bericht:

“De volgende Hawala’s zijn nog niet uitgevoerd: (…) 3 [naam 25] $2000”.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat de verdachte op 17 juni 2017 de opdracht aan de Hawala-bankier [naam 4] heeft gegeven tot betaling van 2.000,- dollar aan [naam 25] in Idlib (Syrië), hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.

I- op om omstreeks 18 juni 2017, althans in of omstreeks juni 2017, een geldbedrag van 500 dollar

Op 18 juni 2017 stuurde het [telefoonnummer 1] aan het [telefoonnummer 2] het volgende bericht:

“ [naam 26] , de zoon van [naam 27] of [naam 57] , de zoon van [naam 26] , 500 dollar”.

Daarop antwoordde het nummer [telefoonnummer 2] die dag om 16.55 uur met het bericht:

“Reeds aan de heer [naam 26] overhandigd een bedrag van 500 dollar”.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat de verdachte op 18 juni 2017 de opdracht aan de Hawala-bankier [naam 4] heeft gegeven tot betaling van 500,- dollar aan [naam 26] en dat die betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.

J - op of omstreeks 18 juni 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 5.000 Amerikaanse dollar

Op 18 juni 2017 om 16.04 uur stuurde het [telefoonnummer 2] het volgende bericht aan het [telefoonnummer 1] :

“Ik heb van de heer [naam 28] ten goede aan jullie/u ontvangen een bedrag van $5000”.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij een betaling van 5000 dollar, hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.

K- op of omstreeks 27 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 200 Amerikaanse dollar

Op 27 en 28 augustus 2017 vond de volgende chatconversatie plaats tussen de [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 8] :

[telefoonnummer 8] :

“Hallo, ik hoop dat het goed gaat met je, ik wil graag naar IDLIB overmaken als het mogelijk is, laat me weten.”

[telefoonnummer 1] :

“Ja. Tot je dienst.”

[telefoonnummer 8] :

“ [naam 30] , de zoon van [naam 31] , bedrag: 200 euro naar IDLIB.”

Dit laatste bericht wordt door het [telefoonnummer 1] op 27 augustus 2017 om 21.42 uur ontvangen.

[telefoonnummer 8] :

“Broeder, je hebt ze dus gestuurd zodat ze het morgen kunnen gaan ontvangen.”

[telefoonnummer 1] :

“Ja.”

[telefoonnummer 8] :

“Dank je wel, laatste vraag, hoeveel zullen in dollars ontvangen.”

[telefoonnummer 1] :

“200 dollar.”

Op 27 augustus 2017 om 23.12 uur stuurde het [telefoonnummer 1] het volgende bericht naar het Syrische [telefoonnummer 2] :

“Naam: [naam 30] , de zoon van [naam 31] , bedrag: 200 dollar, IDLIB, naar IDLIB”.

Uit onderzoek bleek dat het eerder genoemde nummer [telefoonnummer 8] als contact stond opgeslagen in de Samsung A3 onder de naam ‘ [naam 32] ’. Dit telefoonnummer bleek in gebruik te zijn (geweest) bij [naam 32] ( [geboortedatum 3] te Idlib (Syrië)), die vanaf

20 september 2016 stond ingeschreven op een adres in Deventer. In de Samsung A3 was een foto opgeslagen van een identiteitsbewijs van:

Voornaam : [naam 30]

Achternaam : [naam 30]

Naam vader : [naam 31]

Naam moeder : [naam 33]

Geboortedatum [geboortedatum 4] -1978

Geboorteplaats : Idlib

De foto heeft als datum 29-8-2017 en als tijdstip 15.23.08 uur.

[naam 32] heeft bij de politie verklaard dat zijn telefoonnummer

[telefoonnummer 8] is. Als hem voornoemde chatberichten van 27 en 28 augustus 2017 worden voorgehouden verklaart hij daarover dat hij een broer genaamd [naam 30] heeft, die in Idlib (Syrië) woont. Omdat zijn vader ziek is en zijn broer voor hem zorgt, wilde [naam 30] zijn broer financieel bijstaan. Via via kreeg hij contact met een persoon genaamd [naam 31] , die hem het [telefoonnummer 1] gaf. Vervolgens heeft hij het gesprek gevoerd zoals genoemd in de chatberichten. [naam 30] heeft eerdergenoemde [naam 31] in Apeldoorn contant 200 euro betaald. In Syrië ontvangen ze dat dan in dollars.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat de verdachte van [naam 30] via [naam 31] een bedrag van € 200,- heeft ontvangen om dat bedrag naar Syrië te versturen en dat hij op 27 augustus 2017 aan Hawala-bankier [naam 4] de opdracht heeft gegeven tot uitbetaling van 200 dollar in Idlib (Syrië), hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.

L- op of omstreeks 21 augustus 2017, althans in of omstreeks augustus 2017, een geldbedrag van 57.000 Syrische Lires

In de Samsung A3 stond een foto van een Syrisch identiteitsbewijs, op naam van [naam 35] , [geboortedatum 5] 1984 te Ain Alarab (naam vader: [naam 26] , naam moeder [naam 36] ), opgeslagen met als datum 21 augustus 2017 en als tijd 11.13 uur.

Op 21 augustus 2017 stuurde het [telefoonnummer 1] in de chatgroep “ [naam 19] / [bijnaam verdachte] ” de volgende berichten:

‘ [naam 35] [telefoonnummer 9] +’;

‘Aleppo’;

‘Netto 57000 Syrische Lires’.

Daarop antwoordde het [telefoonnummer 10]

“Voor ons $ 114”.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige bewezen verklaarde transacties/transfers – kan worden bewezen dat de verdachte op 21 augustus 2017 aan een Hawala-bankier de opdracht heeft gegeven tot betaling van 57.000 Syrische Lires in Aleppo (Syrië), hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.

De verdachte heeft, zoals hiervoor overwogen, verklaard dat hij deze transactie heeft verricht.

andere geldtransacties en/of geldtransfers als vermeld in een witte map die onder [medeverdachte]

in beslag is genomen

Tijdens de doorzoeking op 15 mei 2018 in de woning van [medeverdachte] is een witte map met administratie aangetroffen, waarin teksten in Arabische schrift stonden geschreven. Die teksten zijn vervolgens door een tolk vertaald, waarna bleek dat het ging om namen, bedragen (in Syrische Lyra’s, dollars en euro’s) en berekeningen. Ook blijkt dat er sprake is van teksten over (naar de rechtbank begrijpt) ‘een (boekhoudkundige) balans’, omdat er woorden werden geschreven als ‘Jullie hebben bij ons nog een tegoed van …’ en ‘Wij hebben bij jullie een tegoed van…’.

Uit de hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte leidt de rechtbank af dat [medeverdachte] op zijn verzoek handelingen verrichtte om de administratie met betrekking tot de Hawala-geldtransacties/transfers in de witte map bij te houden, zodat hij

– naar zijn zeggen – een overzicht had van de transacties, de tegoeden bij de geldwisselkantoren en de tekorten. Voorts blijkt uit de hiervoor weergegeven verklaring van [medeverdachte] dat hij in opdracht van de verdachte notities/berekeningen die betrekking hadden op Hawala’s in een witte map opschreef.

De rechtbank is gelet op het voorgaande, alsmede op de overige bewijsmiddelen zoals hiervoor opgenomen – in onderling verband en samenhang beschouwd – van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachte ook betrokken is geweest bij de in de witte map vermelde, andere dan hiervoor opgenomen, Hawala-geldtransacties/geldtransfers.

Geen vergunning van de Nederlandsche Bank

Zowel de verdachte als zijn [medeverdachte] hadden geen vergunning van De Nederlandsche Bank om als betaaldienstverlener op te treden.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De verdachte had naar eigen zeggen personen in Nederland die geldbedragen bij andere personen verzamelden, om dat vervolgens bij hem te brengen waarna hij die bedragen naar het buitenland kon versturen via een Hawala-geldtransactie. Voor het versturen van berichten in de WhatsApp-groepen kreeg hij hulp van [medeverdachte] en ook van zijn toenmalige vrouw [naam 10] , omdat hij zelf niet kon schrijven. Bovendien hielp die [medeverdachte] de verdachte met de boekhouding van de Hawala-geldtransfers.

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt verder dat de verdachte aldus samen met anderen op verzoek van personen in Nederland via Hawala-bankiers/geldwisselkantoren in Turkije en/of Syrië meermalen geldbedragen verstuurde naar Syrië en voorts dat hij samen met anderen in opdracht van die Hawala-bankiers/geldwisselkantoren in Turkije en/of Syrië meermalen geldbedragen aan personen in Nederland overhandigde.

De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte, als onderdeel van een groot netwerk, tezamen en in vereniging met anderen het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend, zonder dat hij daarvoor een vergunning had van De Nederlandsche Bank, en dat hij in dat kader betrokken is geweest bij een groot aantal Hawala-geldtransacties/transfers. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde ondergronds bankieren (Hawala-bankieren) als bedoeld in artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht , zoals hierna onder 1 bewezen verklaard. Vanwege de lange duur en intensiteit van de door de verdachte verrichtte

Hawala-geldtransacties/transfers acht de rechtbank bovendien bewezen dat hij, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

Feit 3

Uit de hiervoor opgenomen verklaring van de verdachte leidt de rechtbank af dat hij voor de door hem verrichtte Hawala-transacties vanuit Nederland provisie rekende om zo de kosten voor die transacties bij de Hawala-bankier/het geldwisselkantoor te kunnen betalen alsmede om zelf iets over te houden als vergoeding voor zijn geleverde diensten. Volgens zijn ter terechtzitting afgelegde verklaring gebruikte de verdachte die vergoeding als aanvulling op zijn uitkering om makkelijker te kunnen rondkomen. Hiermee heeft de verdachte geldbedragen verworven, voorhanden gehad en van die geldbedragen gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat die bedragen afkomstig waren uit een door hem gepleegd misdrijf, te weten het Hawala-bankieren.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode meerdere geldbedragen heeft witgewassen, zoals onder feit 3 tenlastegelegd. Gelet op de lange duur en intensiteit van de door de verdachte verrichtte

Hawala-geldtransacties/transfers acht de rechtbank bovendien bewezen dat hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

6.3.2

Feit 2

Inleiding

In het onder 2 tenlastegelegde wordt de verdachte verweten dat hij in de periode vanaf 1 april 2015 tot en met 9 september 2017 zich schuldig heeft gemaakt aan het financieren van terrorisme (artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht ) door in die periode meerdere geldbedragen aan zijn [broer van de verdachte ] ) te doen toekomen.

Voor de beantwoording van de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de vereiste opzet in de zin van artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad, zal het rechtbank de volgende drie vragen bezien.

Ten eerste zal de rechtbank beoordelen of kan worden vastgesteld dat in de ten laste gelegde periode algemeen bekend was dat de in de tenlastelegging vermelde organisaties terroristische organisaties betroffen.

In de tweede plaats dient de rechtbank te beoordelen of de verdachte geldbedragen aan [broer van de verdachte ] heeft doen toekomen.

En in de derde plaats dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of [broer van de verdachte ] was aangesloten bij (een van) die terroristische organisaties ten tijde van de tenlastegelegde periode en vervolgens of de verdachte daarmee bekend was.

Terroristische organisaties?

Het is een feit van algemene bekendheid, zoals daarvan (tevens) blijkt uit door de rechtbank geraadpleegde – en zonder noemenswaardige moeite te raadplegen – algemeen toegankelijke bronnen (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:2854) dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad .

In de strijd tegen het regime van Assad hebben zich ook twee belangrijke aan Al-Qa’ida gelieerde jihadistische organisaties gemengd: Jabhat al-Nusra (per 28 juli 2016: Jabhat Fatah al-Sham) en de Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS, ook wel bekend als IS, ISI, ISIL, AQI of DAESH).

ISIS / IS

ISI wijzigde op 8 april 2013 haar naam in de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL), onder meer om de uitbreiding van haar activiteiten naar Syrië te benadrukken. Op 29 juni 2014 riep ISIL het islamitisch kalifaat uit in het door haar veroverde gebied in Irak en Syrië en werd haar naam gewijzigd in de Islamitische Staat (IS). [naam 58] , de emir van de organisatie, werd aangesteld als ‘kalief’ van IS.

De organisatie heeft als doel het vestigen van een islamitisch kalifaat dat de landsgrenzen van in ieder geval Syrië en Irak overstijgt. Om dit te bewerkstelligen voert zij een gewapende strijd. (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:2854)

IS hanteert tijdens militaire operaties en de uitoefening van de macht in de door haar veroverde gebieden in Irak en Syrië de volgende werkwijzen: (zelfmoord)aanslagen, executies, ontvoeringen, gijzelingen en martelingen. De organisatie doodt tegenstanders door middel van onthoofding, kruisiging en een schot door het hoofd, zo wordt gemeld uit de door IS bezette of bevochten gebieden.

IS is in internationaal verband aangemerkt als een terroristische organisatie en is daarmee een in Nederland verboden terroristische organisatie. Op 30 mei 2013 wordt het toenmalige ISIL aan de VN Sanctielijst toegevoegd. Op 1 juli 2013 is het toenmalige ISIL op de financiële sanctielijst van de Europese Unie geplaatst.

Jabhat al-Nusra

Jabhat al-Nusra maakte op 24 januari 2012 zijn oprichting bekend. Jabhat al-Nusra is in internationaal verband aangemerkt als een terroristische organisatie en daarmee een in Nederland verboden (terroristische) organisatie. Op 30 mei 2013 is Jabhat al-Nusra op de VN Sanctielijst geplaatst als een van de aliassen van Al-Qa’ida in Iraq. Jabhat al-Nusra is op 29 mei 2014 op de (financiële) sanctielijst van de EU geplaatst.

De organisatie heeft als doel het vestigen van een islamitische staat. Om dit te bewerkstelligen voert zij een gewapende strijd.

Jabhat al-Nusra bedient zich tijdens haar (militaire) operaties van de volgende werkwijzen: (zelfmoord)aanslagen, executies en beschietingen van burgers, ontvoeringen, martelingen en het onthouden van humanitaire hulp. Veel van de aanslagen die in 2012 in Syrië zijn gepleegd werden door Jabhat al-Nusra opgeëist. De claims van Jabhat al-Nusra worden op het internet bekend gemaakt op jihadistische websites als [website 1] en [website 2] en bijvoorbeeld ook via haar eigen [account] .

Eind juli 2014 zou de aanwezigheid en de invloed van Jabhat al-Nusra zich hebben beperkt tot de rurale gebieden van Aleppo, Idlib en Hama. Jabhat al-Nusra concentreerde zich in de maanden na het uitroepen van het Kalifaat door IS veel meer op het verkrijgen van de controle op het Turks-Syrische grensgebied in het Noord-Westen van Syrië. In oktober 2014 boekt Jabhat al-Nusra wederom militaire successen in de provincie Idlib.

In de eerste maanden van 2015 zette Jabhat al-Nusra zijn opmars in de provincie Idlib voort. Terwijl Jabhat al-Nusra en aan het Front gelieerde strijdgroepen in de eerste helft van 2015 hun pijlen voornamelijk leken te hebben gericht op de provincie Idlib, voerde IS onder andere strijd in de provincies Homs en Hama en in de hoofdstad van Syrië, Damascus.

De strijd in Syrië zette zich in de tweede helft van 2015 onverminderd voort. De jihadistische strijdgroepen Jabhat al-Nusra (veelal in samenwerking met Ahrar al- Sham) en IS voerden nog steeds strijd tegen de troepen van president Assad en zijn groeiend aantal bondgenoten. De militaire activiteiten van de strijdende partijen in Syrië leken zich in deze periode veelal rond de (grote) steden in het land te concentreren.

De eerste helft van 2016 kende voor IS (kleine) successen, maar in toenemende mate ook militaire tegenslagen en dientengevolge verlies van grondgebied. De organisatie verloor niet alleen enkele van haar bolwerken, maar raakte ook de controle kwijt over belangrijke aanvoerroutes voor materieel en buitenlandse strijders. In de eerste maanden van 2016 voerde IS verschillende offensieve militaire operaties uit, waarbij ook burgerslachtoffers vielen.

In de laatste maanden van 2016 en de eerste maanden van 2017 duurden de gevechten in heel Syrië voort. In de VN rapportages over de (humanitaire) situatie in het land werden met name (de provincies) Aleppo, Deir El-Zor, Hasakah, Idlib, Rif Dimashq en Karna genoemd als locaties van gewapende confrontaties. Hierbij bleven ook humanitaire organisaties niet gespaard.

Tussenconclusie 1

Gelet op al het vorenstaande concludeert de rechtbank dat genoegzaam is komen vast te staan dat in de ten laste gelegde periode algemeen bekend was dat de in de tenlastelegging opgenomen organisaties terroristische organisaties betroffen.

De geldtransacties genoemd in de tenlastelegging

i. Onderzoek aan de Samsung Galaxy S5

Bij de doorzoeking op 15 mei 2018 van de auto van [medeverdachte] ) is door de politie een telefoon van het merk/type Samsung Galaxy S5 (hierna ook: Samsung S5) aangetroffen en inbeslaggenomen.

De politie heeft onderzoek gedaan naar de inhoud van deze telefoon. Uit dat onderzoek is gebleken van opgeslagen chatberichten die betrekking hebben op geldtransacties en van opgeslagen foto’s van notities die duiden op geldtransacties, waarbij berekeningen worden gemaakt met een begin- en eindsaldo. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat de Samsung S5 zijn telefoon is en dat de chatberichten en opgeslagen foto’s van notities duiden op geldtransacties. Voorts heeft hij verklaard dat hij geen andere [broer van de verdachte ] dan zijn broer kent.

Met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde geldtransacties is uit het onderzoek het volgende gebleken:

100.000 Syrische lira (op of omstreeks 11 april 2015)

Foto 10 bevat een rekeningoverzicht (in Syrische lira’s) van een rekening met de naam ‘ [naam 11] ’ ( [rekeningnummer 3] ) over de periode 12 februari 2015 tot en met 18 augustus 2015. Daaruit blijkt dat op 11 april 2015 een bedrag van 100.000 Syrische lira is betaald, waarbij als omschrijving staat vermeld: “aan zijn [broer van de verdachte ] in handen van Shabaan”.

De rechtbank leidt hieruit af dat door de verdachte een opdracht tot betaling aan [broer van de verdachte ] is gegeven en dat die betaling, via overhandiging van dat geld aan de genoemde persoon genaamd Shabaan, daar terecht is gekomen.

500 Amerikaanse dollars (op of omstreeks 16 juli 2016)

en

1.700 Amerikaanse dollars (op of omstreeks 16 juli 2016)

In de Samsung S5 zijn twee chatconversaties aangetroffen tussen de verdachte en [naam 37] .

[naam 37] heeft een profielfoto van [naam 38] , een geldwisselkantoor voor geldtransacties te Idlib (Syrië).

De eerste chatconversatie tussen de verdachte en [naam 37] op 16 juli 2016 gaat als volgt:

00:16. Inkomend tekstbericht: Ja chef, ik heb het geannuleerd.

00:58. Uitgaand tekstbericht: [naam 37] , kun jij iets voor mij overhandigen in DAMASCUS?

05:26. Inkomend tekstbericht: Chef, een betaling aan [broer van de verdachte ] , $500.

De tweede chatconversatie tussen de verdachte en ‘ [naam 37] ’ gaat als volgt:

10:16. Inkomend tekstbericht: “Chef, geef je zijn volledige naam”

10:20. Uitgaand tekstbericht: “ [broer van de verdachte ] ".

10:21. Inkomend tekstbericht: “ [broer van de verdachte ] , IDLIB, $1700 netto”.

10:21. Uitgaand tekstbericht: “Ja”.

10:21. Inkomend tekstbericht: “Chef ligt/is inmiddels bij [geldwisselkantoor 1] ”.

10:22. Uitgaand tekstbericht: (SMYLIE).

10:22. Inkomend tekstbericht: “Laat hem het over een uur gaan ophalen” (…) “Tot je dienst”.

De verdachte heeft verklaard dat [geldwisselkantoor 1] in Turkije is.

De rechtbank leidt uit de inhoud van de chatconversaties af dat die opeenvolgend zijn, zodat conversatie 2 een vervolg is op conversatie 1 en dus ook op of omstreeks 16 juli 2016 heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bovenstaande genoegzaam dat de verdachte op of omstreeks 16 juli 2016 500 Amerikaanse dollar en 1700 Amerikaanse dollar via [geldwisselkantoor 2] aan [broer van de verdachte ] heeft doen toekomen.

4010 en/of 500 en/of 2.000 Amerikaanse dollars

Op foto 7 zijn de volgende notities zichtbaar (voor zover relevant):

“In de naam van Allah, De Barmhartige, De Genadevolle

De (af)rekening van [bijnaam verdachte] [naam 11] .

Voor ons

4010 dollar, [broer van de verdachte ] [naam 11] , IDLIB.”

Uit onderzoek naar deze foto blijkt dat die als datum 8 september 2016 heeft.

Op foto 5 zijn de volgende notities zichtbaar (voor zover relevant):

‘Hawala (geld overboeking) $ 3000 + $ 135 vorig saldo

500 [broer van de verdachte ] ’.

Uit onderzoek naar deze foto blijkt dat die als datum 23 oktober 2016 heeft.

De verdachte heeft verklaard dat de naam ‘ [broer van de verdachte ] ’ op foto 5 betrekking heeft op zijn [broer van de verdachte ] en dat het gaat om 500 Amerikaanse dollars.

Op foto 6 zijn de volgende notities zichtbaar (voor zover relevant):

‘Hawala (geld overboeking) $ 4000

2000 [broer van de verdachte ] ’.

Uit onderzoek naar deze foto blijkt dat die als datum 10 november 2016 heeft.

De rechtbank is van oordeel dat uit de afbeeldingen kan worden afgeleid dat de verdachte $ 4010,- , $ 500,- en $ 2.000,- in de tenlastegelegde periode aan [broer van de verdachte ] heeft doen toekomen.

1.600 Amerikaanse dollars (op of omstreeks 6/10/2016)

Op foto 4 zijn de volgende notities zichtbaar (voor zover relevant):

‘Hawala (geld overboeking) 6/10/2016

100 [naam 41]

1600 [naam 42] ’.

Uit onderzoek naar deze foto blijkt dat die als datum 6 oktober 2016 heeft.

De rechtbank leidt uit deze foto af dat het gaat om een overboeking van een bedrag van 1600, maar dat daarbij geen valuta is vermeld. Gelet op het feit dat uit andere hiervoor vermelde afbeeldingen blijkt dat het gaat om Amerikaanse dollars en het feit dat de verdachte over verschillende notities heeft verklaard (zie hiervoor foto 5 en hierna het chatbericht van 31 augustus 2017) dat het gaat om bedragen in Amerikaanse dollars, gaat de rechtbank ervan uit dat het ook bij deze 1600 gaat om een bedrag van 1.600 Amerikaanse dollars.

ii. Onderzoek aan de Samsung A3

Op 9 september 2017 is in de woning van [naam 10] , waar de verdachte werd aangehouden, door de politie een telefoon van het merk/type Samsung Galaxy A3 (hierna ook: Samsung A3) aangetroffen en inbeslaggenomen. De verdachte heeft verklaard dat deze telefoon van hem is en dat hij die gebruikte voor de betaaldienstverlening die hij heeft verricht.

300 Amerikaanse dollars (op of omstreeks 31 augustus 2017)

In de Samsung A3 is gebleken van chatberichten tussen de verdachte en [naam 4] [telefoonnummer 2] ), waarin onder meer wordt gesproken over de broers van verdachte genaamd [naam 40] en [broer van de verdachte ] . In een chat van 31 augustus 2017 stuurt het nummer [telefoonnummer 2] aan het nummer [telefoonnummer 1] (voor zover relevant) het volgende:

‘We hebben voor jullie/u overhandigd:

(…)

300 toelage van uw [broer van de verdachte ] ’.

De verdachte heeft verklaard dat hij op 31 augustus 2017 een bedrag van 300 Amerikaanse dollars via [naam 4] naar [broer van de verdachte ] heeft verzonden.

Tussenconclusie 2

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode meermalen via zogeheten Hawala-geldtransfers, al dan niet door tussenkomst van een of meer personen (waaronder [naam 37] , Shabaan en [naam 4] ) in Syrië en/of Turkije, geldbedragen aan zijn [broer van de verdachte ] heeft verzonden/doen toekomen.

Was [broer van de verdachte ] aangesloten bij een terroristische organisatie en was verdachte daarmee bekend?

De verdachte heeft verklaard dat [broer van de verdachte ] is en in Idlib woont.

Uit het in het dossier gevoegde IND-dossier uit 2013 is gebleken dat de verdachte bij de IND heeft verklaard dat begin 2011 de problemen in Syrië zijn begonnen en dat [broer van de verdachte ] gewapend was en van het vrije leger.

Op 9 september 2017 heeft [naam 10] , de ex-vrouw van verdachte, voor het eerst een verklaring afgelegd. Bij het afleggen van die verklaring heeft zij een foto aan de politie overhandigd waarop volgens haar [naam 40] en [broer van de verdachte ] , de broers van verdachte, zijn afgebeeld, waarbij de man in het zwart gekleed [broer van de verdachte ] is die volgens haar lid/strijder is van IS. Zij weet dat doordat zij telefoongesprekken tussen de verdachte en die [broer van de verdachte ] heeft opgevangen. [naam 10] heeft verder verklaard dat zij zeker weet dat de verdachte ook geld naar Syrië, naar IS, heeft gestuurd, omdat zij hierover eveneens telefoongesprekken van de verdachte heeft opgevangen.

In later door [naam 10] bij de politie afgelegde verklaringen heeft zij haar eerste verklaring over [broer van de verdachte ] , die zich volgens haar heeft aangesloten bij IS, nader geconcretiseerd.

Op 10 september 2017 heeft [naam 10] verklaard dat de verdachte geld overmaakt naar [broer van de verdachte ] in Syrië en dat die [broer van de verdachte ] deelneemt aan de gewapende strijd.

Op 21 juni 2018 heeft [naam 10] verklaard dat toen de strijd in 2011 in Syrië begon, [broer van de verdachte ] zich bewapende en dat hij zich aansloot bij IS, wat ongeveer drie jaar heeft geduurd. [naam 10] heeft verklaard dat zij in 2012 voor het eerst hoorde over IS en dat zij mannen in zwarte kleding met uitingen van Islamitische Staat zagen. Toen IS was verdreven uit Idlib sloot hij zich aan bij Al Nusra. Al Nusra heeft in 2016 het reguliere Syrische leger verdreven uit Idlib.

Op 24 januari 2019 heeft [naam 10] het volgende verklaard.

In Idlib begon de opstand in 2011 met vreedzame demonstraties, maar die veranderden in een gewapend conflict. Onder meer [naam 40] en [broer van de verdachte ] namen deel aan de protestdemonstraties. Hoewel de verdachte aanvankelijk tegen de opstand was, besloot ook hij de opstand te steunen. De verdachte kocht wapens voor [broer van de verdachte ] en een aantal vrienden, dat was ongeveer in april/mei 2011.

Halverwege 2013 viel het regime Idlib binnen en herwonnen zij de controle over de stad. Het leger voerde gevechten uit tegen opstandelingen in Idlib, waaronder [broer van de verdachte ] .

Toen [naam 10] zelf nog in Syrië was, hoorde zij [broer van de verdachte ] tijdens een telefoongesprek waarbij zij aanwezig was dat hij zijn vrouw vertelde dat, nadat hij was gevlucht uit Idlib, hij zich had aangesloten bij een gewapende groepering. Op dat moment wist [naam 10] niet welke groepering dit was, maar toen zij inmiddels in Nederland was in 2014 hoorde zij tijdens een audiovisueel gesprek tussen de verdachte en [broer van de verdachte ] dat [broer van de verdachte ] vertelde dat hij zich had aangesloten bij IS. [naam 10] zag via de webcam dat dat [broer van de verdachte ] een zwarte band om zijn hoofd droeg met daarop het logo van IS en dat hij kleding van IS droeg. [naam 10] vroeg tijdens dit gesprek aan [broer van de verdachte ] of hij zich bij ‘Daesh’ (ISIS) had aangesloten, waarop hij boos werd omdat zij de naam Daesh (ISIS) gebruikte in plaats van Islamitische Staat.

Over de foto van [broer van de verdachte ] die zij eerder aan de politie heeft overhandigd, heeft [naam 10] verklaard dat [broer van de verdachte ] op die foto een wapen en IS-kleding draagt. Toen zij in 2014 uit Syrië vertrok en vanuit Idlib onderweg was naar de grens met Turkije, kwam zij langs controleposten in het gebied dat onder controle was van IS. Die posten werden bemand door mannen van IS, die allemaal gekleed waren op de wijze waarop [broer van de verdachte ] op genoemde foto gekleed is. Bij de controleposten zag [naam 10] ook de vlag van IS wapperen. De kleding bestaat uit een driekwart lang gewaad en een lange broek.

Ten slotte heeft [naam 10] verklaard dat toen de verdachte in 2013 uit de gevangenis kwam in Syrië, hij probeerde om [broer van de verdachte ] over te halen om terug te komen naar Idlib. Zij hoorde dit in telefoongesprekken tussen de verdachte en [broer van de verdachte ] . In één van die gesprekken hoorde zij [broer van de verdachte ] zeggen: “Hoe denk je dat ik naar de stad Idlib terug kan keren terwijl ik meer dan 50 man van het regime heb onthoofd?”.

Op 25 januari 2019 heeft [naam 10] het volgende verklaard.

Tussen juni 2013 en februari 2014 sprak [naam 10] met de vrouw van [broer van de verdachte ] , die haar vertelde dat [broer van de verdachte ] een huis had gehuurd waarin hij mensen van het regime onderbracht, die hij vervolgens om het leven bracht door onthoofding of door die dood te schieten. Over het bloed op de muren had [broer van de verdachte ] gezegd dat dit afkomstig was van de afvallige mensen die hij had gedood. Volgens [naam 10] woont [broer van de verdachte ] nog altijd in Idlib.

[naam 10] heeft voorts verklaard dat zij eind 2016 hoorde en zag dat de verdachte audiovisueel met [broer van de verdachte ] aan het bellen was. [broer van de verdachte ] vertelde dat hij iemand had vermoord, omdat deze persoon banden zou hebben gehad met de Shabeeha’s (paramilitairen van het regime). Ook vertelde [broer van de verdachte ] dat IS was verdreven uit Idlib door Al Nusra en andere groeperingen en dat hij zich had aangesloten bij Al Nusra, omdat die steeds machtiger werd.

Op 28 januari 2019 heeft [naam 10] onder meer het volgende verklaard.

Zij heeft verklaard dat [broer van de verdachte ] onder meer leefde van het geld dat de verdachte hem stuurde. Dit heeft zij gehoord in gesprekken tussen de verdachte en [broer van de verdachte ] , maar ook in gesprekken van de verdachte met geldwisselkantoren. De verdachte stuurde het geld naar de geldwisselkantoren in Idlib van [naam 44] en [geldwisselkantoor 1] (fonetisch). Nadat de verdachte geld stuurde belde [broer van de verdachte ] hem op om te vertellen dat hij het geld had ontvangen en dat hij een deel aan anderen zou geven en een deel zou verdelen onder de kameraden. Met kameraden werd strijders bedoeld. Als [broer van de verdachte ] naar de verdachte belde om te vertellen dat hij en zijn kameraden geld nodig hadden voor levensonderhoud en de aanschaf van wapens en munitie, hoorde [naam 10] [broer van de verdachte ] zeggen dat de verdachte geld moest sturen naar hem en zijn kameraden, omdat zij in Idlib Jihad aan het voeren zijn door feitelijk te vechten en dat de verdachte ook Jihad voert door geld naar hen te sturen.

Op de vraag of de verdachte wist wat er met het geld gebeurde dat hij naar [broer van de verdachte ] stuurde, heeft [naam 10] verklaard dat dat het geval was. Zij heeft een keer een gesprek opgevangen tussen [broer van de verdachte ] , die in aanwezigheid was van een aantal andere mannen, en de verdachte toen de verdachte tegen [broer van de verdachte ] zei dat hij en de rest van zijn kameraden ervoor moesten zorgen dat als ze de kogels gaan gebruiken waarvoor hij geld naar hen had gestuurd, zij dan raak moeten schieten en hun doelwit niet moeten missen.

De foto van [broer van de verdachte ] met IS-kleding

Zoals hierboven reeds aangegeven heeft [naam 10] tijdens haar aangifte van huiselijk geweld op 9 september 2017 aan de politie een foto overhandigd. Deze foto is ook op de telefoon van verdachte aangetroffen en is waarschijnlijk via WhatsApp ontvangen op 14 november 2016. Op de foto is te zien dat de man in het zwart gekleed een kogelriem en wapens draagt.

Verdachte heeft verklaard dat op de foto zijn broers zijn afgebeeld en dat de man in het zwart gekleed zijn [broer van de verdachte ] is. Voorts heeft de verdachte verklaard dat die zwarte kleding niet door het ‘gewone volk’ in Syrië wordt gedragen.

De politie heeft op het internet gezocht naar kleding die IS-strijders dragen, waarbij een internetafbeelding werd aangetroffen van verschillende typen kleding voor verschillende typen strijders. De zwarte kleding die [broer van de verdachte ] op de foto draagt, vertoont grote overeenkomsten met de persoon op de internetafbeelding waarbij staat genoemd: ‘Black Suit, worn by suicide bombers and ISIS commanders’.

Voorts is de verdachte in zowel in de penitentiaire inrichting waar hij verbleef als in zijn woning door de politie afgeluisterd, welke gesprekken zijn vertaald. In een gesprek met zijn bezoek in de penitentiaire inrichting op 6 december 2017 werd (onder meer) het volgende besproken ((deels) samengevat weergegeven):

11.50

uur:

“Verdachte: In Ter Apel werd aan me gevraagd waarom het Syrisch regime jou heeft gearresteerd. Ik zei omdat mijn broer een gewapende strijder is en dit is wat me heeft gered.”

11.55

uur:

“Verdachte: Ze zeiden tegen mij: in jouw telefoon zijn er dingen, wij hebben dingen gezien... er is [daar] dus overgemaakt geld ...

[naam 45] : Joh, geld en zo is normaal.....

Verdachte: dat interesseert hen niet, jij kunt overmaken en doen wat je maar wilt, maar ze denken dat ik die groep (Jabhar Al Nusra / IS) aan het ondersteunen ben.

Verdachte: Broer, zij [tolk: de politie] heeft gezien dat mijn [broer van de verdachte ]

IS-kleding aan had, op de foto's.

[naam 45] zegt dat verdachte daar niets mee te maken heeft.

Verdachte: Ja, maar je mag geen contact hebben/opnemen met een IS'er.”

In een gesprek op 13 december 2017 in de woning van de verdachte werd (onder meer) het volgende besproken ((deels) samengevat weergegeven):

“Verdachte zegt dat de politie een foto heeft gebracht waarop mijn broer de kleding van een IS’er aan heeft;

Een van de mannen zegt hierop die lui te kennen en vraagt of zij niet [broer van de verdachte ] en [naam 40] zijn;

Verdachte zegt: “Ja”.

Verdachte vertelt aan [naam 46] dat zijn vrouw hem heeft beschuldigd bij de politie van een lidmaatschap van IS, zij heeft ook aan de politie foto’s van mijn broers laten zien waarop zij wapens dragen.”

[getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij een bekende van de verdachte is en dat hij bij de verdachte thuis wel eens telefoongesprekken tussen de verdachte en zijn broers, waaronder [broer van de verdachte ] , heeft opgevangen als de telefoon met de speakerfunctie werd gebruikt. [getuige 1] heeft van de verdachte gehoord dat voornoemde broers behoren tot de gewapende groep. Hij heeft die [broer van de verdachte ] ook wel eens tijdens een videogesprek tussen de verdachte en [broer van de verdachte ] op het beeld gezien. [broer van de verdachte ] droeg volgens hem toen zwarte kleding, een soort djellaba tot ongeveer op de knieën en daaronder een lange broek. Ten slotte heeft [getuige 1] verklaard dat de politie tijdens zijn verhoor daar een foto van [broer van de verdachte ] (rechtbank: voornoemde foto die door [naam 10] is overhandigd) heeft laten zien. Over de kleding die [broer van de verdachte ] daarop draagt verklaart [getuige 1] dat het gewone Syrische volk dat soort kleding niet draagt, maar dat die kleding alleen wordt gedragen door een groep mensen die zichzelf een bepaalde naam geven en die strijden tegen het Centrale Gezag. In Idlib gaat het bijvoorbeeld om de Al Nusra-groepering.

Tussenconclusie 3

Door de raadsman is betoogd dat de verklaringen van [naam 10] onbetrouwbaar zijn, zodat die van het bewijs moeten worden uitgesloten. De rechtbank volgt de raadsman daarin niet en overweegt daartoe dat [naam 10] in haar verschillende bij de politie afgelegde verklaringen zeer gedetailleerd en ook consistent heeft verklaard. Daarnaast heeft zij haar verklaringen nadien (in de kern) herhaald tijdens verhoren bij de rechter-commissaris. Daar komt nog bij dat haar verklaringen in belangrijke mate steun vinden in ander bewijs, zoals de foto van de [broer van de verdachte ] in IS-kleding. De rechtbank heeft verder op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het dossier geen aanknopingspunt aangetroffen, op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat [naam 10] leugenachtig over [broer van de verdachte ] zou hebben verklaard. De enkele, niet nader onderbouwde stelling van de raadsman dat [naam 10] uit is op wraak op de verdachte omdat hij met een andere vrouw zou willen trouwen en dat zij daarom niet de waarheid over [broer van de verdachte ] heeft verklaard, acht de rechtbank onvoldoende om te komen tot een ander oordeel. Gelet hierop gaat de rechtbank uit van de juistheid van de inhoud van de verklaringen van [naam 10] .

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank dan ook van oordeel dat kan worden bewezen dat [broer van de verdachte ] in de tenlastegelegde periode strijder was van de terroristische organisatie IS en/of Jabhat al-Nusra, één en ander afhankelijk van het tijdstip in die periode.

De rechtbank leidt uit de informatie die de verdachte bij de IND over zijn broer heeft gegeven af, dat de verdachte vanaf het moment dat hij in Nederland kwam, ervan op de hoogte was dat [broer van de verdachte ] niet tot het regeringsleger behoorde, maar onderdeel was van een gewapende groepering. Voorts blijkt uit de hiervoor opgenomen uitlatingen die de verdachte in afgeluisterde gesprekken over [broer van de verdachte ] heeft gedaan, zijn bekendheid met de omstandigheid dat het ‘gewone volk’ niet de zwarte kleding draagt die [broer van de verdachte ] op de eerder besproken foto draagt en uit de gedetailleerde informatie die [naam 10] over [broer van de verdachte ] heeft gegeven waarmee de verdachte ook bekend was, dat de verdachte wist van betrokkenheid van [broer van de verdachte ] bij IS en/of Al Nusra.

Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verdachte wetenschap had van het feit dat [broer van de verdachte ] strijder was van de gewapende jihadstrijd, te weten van de terroristische organisatie IS en/of Al-Nusra.

Opzet op het financieren van terrorisme en de misdrijven waarop de financiering ziet

De volgende vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of de verdachte opzet had op het financieren van terrorisme in de zin van artikel 421 Sr .

Vooropgesteld moet worden dat de dader niet het oog behoeft te hebben op het financieren van een specifiek misdrijf. Bewezen moet worden dat het opzet van de dader is gericht op het financieren van een misdrijf dat valt binnen de in artikel 421 Sr genoemde verzameling misdrijven, zonder dat daarbij van belang is om welk misdrijf het exact gaat. Van strafbaarheid is verder ook sprake wanneer bij het plegen van een daad van terrorisme daarbij de verleende geldelijke steun niet is gebruikt. Voorts speelt voor een bewezenverklaring van een op artikel 421 Sr toegesneden tenlastelegging geen rol of de verdachte heeft gehandeld uit loyaliteitsgevoelens jegens een familielid of (goede) vriend dan wel uit ideologische overtuiging. Op grond van het bepaalde in artikel 421 Sr aanvaardt de verdachte met het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bij de verdachte bekend is, bewust de aanmerkelijke kans dat deze gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische misdrijven.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor ter zake van de feiten is vastgesteld, de verdachte, met het meermalen verzenden/doen toekomen van geldbedragen naar/aan zijn [broer van de verdachte ] van wie de verdachte – zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld – wist dat hij strijder was van de terroristische organisatie IS en/of Jabhat al-Nusra, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem aan [broer van de verdachte ] ter beschikking gestelde gelden zouden worden aangewend voor het plegen van een terroristisch misdrijf.

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

6.3.3

Feiten 4 en 5

Het bewijs

De verklaringen van [naam 5] (feit 4)

[naam 5] ) heeft verklaard dat hij sinds 12 oktober 2015 in Nederland woont en dat hij met een vriend genaamd [naam 6] naar Nederland is gereisd. Over de reis naar Nederland heeft [naam 5] verklaard dat hij eerst vanuit Syrië met de auto naar Libanon is gereden, waar hij tot september 2015 heeft verbleven. Vervolgens is hij vanuit Turkije met de boot naar Griekenland gevaren en daarna via Macedonië, Servië, Kroatië, Oostenrijk en Duitsland naar Nederland gereisd. Toen hij in Amsterdam was, heeft hij telefonisch contact opgenomen met zijn neef, de verdachte, die hem vroeg met de trein naar Leiden te komen. In Leiden heeft de verdachte hem en [naam 6] opgehaald en naar zijn huis vervoerd. Daar hebben zij een nacht geslapen, waarna zij met de trein naar Ter Apel zijn gegaan.

Voor de reis van Turkije naar Griekenland kreeg hij hulp van een reisagent, die werd bijgestaan door een man genaamd [naam 7] . De verdachte had [naam 5] eerder het telefoonnummer van deze [naam 7] gegeven als zijnde iemand die mensen smokkelt. De verdachte vertelde hem daarbij dat deze [naam 7] een meer betrouwbare mensensmokkelaar is vergeleken met andere smokkelaars. In Turkije moest [naam 5] 1100 dollar contant betalen voor de reis. [naam 7] had nog een schuld van 600 dollar bij verdachte; [naam 5] heeft hem toen 500 dollar betaald en later in Nederland 600 dollar aan verdachte.

[naam 5] had toen hij nog in Libanon was voor het eerst contact met de verdachte over het smokkelen. De verdachte vertelde hem dat hij contact had gehad met zijn tante (de moeder van [naam 5] ) en dat hij haar had beloofd hem te zullen helpen om naar Europa te reizen. Verder vertelde hij [naam 5] dat hij hem via een smokkelaar in Turkije naar Europa zou kunnen smokkelen. Daarna heeft de verdachte hem in contact gebracht met de mensensmokkelaar [naam 7] . Op het moment dat [naam 5] aankwam in Turkije, nam hij contact op met [naam 7] die hem verzocht naar zijn huis te komen. Vervolgens heeft [naam 7] hem naar een plein met bussen gebracht, waarna hij in één van die bussen is gestapt om verder te reizen naar een plaats waar de boot op hem wachtte om naar Griekenland te varen.

[naam 5] heeft verklaard dat hij gedurende de reis naar Nederland contact bleef houden met de verdachte. Zij spraken af dat [naam 5] de verdachte zou bellen als hij veilig was aangekomen in Griekenland. Toen hij in Duitsland aankwam belde hij ook met de verdachte, nu over de asielprocedure in Nederland. De verdachte vertelde hem dat hij zijn asielstatus binnen drie maanden had gekregen en hij adviseerde [naam 5] daarom om in Nederland asiel aan te vragen.

Tevens heeft [naam 5] met de verdachte afgesproken dat hij ook zijn vriend [naam 6] naar Nederland zou smokkelen. Zij hadden daarover contact toen [naam 5] nog in Libanon was. [naam 6] heeft ook 1100 dollar voor de reis aan [naam 7] betaald. [naam 6] is de gehele reis met [naam 5] mee gereisd naar Nederland.

Ten slotte heeft [naam 5] verklaard dat hij weet dat de verdachte ook zijn zus [naam 47] en haar man naar Nederland heeft gesmokkeld. Begin 2016, toen hij op bezoek was bij de verdachte thuis, hoorde hij de verdachte daarover telefonisch praten met [naam 7] . Zij bespraken hoe [naam 47] en haar man van Turkije naar Griekenland zouden worden gesmokkeld en wat dat zou kosten. Ook sprak de verdachte met zijn zus over het smokkelen van haar en haar man.

Bij de rechter-commissaris heeft [naam 5] nog verklaard dat de verdachte hem had geadviseerd naar Nederland te komen om asiel aan te vragen. De verdachte had tegen hem gezegd: “Als je in Duitsland blijft dan duurt het 1,5 jaar voordat je een asiel krijgt en in Nederland duurt het drie maanden dus het is beter als je naar Nederland komt”. Omdat het in Nederland korter zou duren, is [naam 5] naar Nederland gekomen.

De verklaringen van [naam 6] (feit 4)

[naam 6] heeft verklaard dat hij met zijn vriend [naam 5] ) naar Nederland is gereisd. Van de verdachte hadden zij eerder – in juli/augustus 2015 – gehoord dat de asielprocedure in Nederland sneller verloopt dan in andere Europese landen en hij had hen daarom geadviseerd om naar Nederland te komen. Over die reis naar Nederland heeft [naam 6] verklaard dat hij eerst alleen vanuit Syrië naar Libanon is gegaan, waar hij tot 28 september 2015 is gebleven. Vervolgens is hij met [naam 5] naar Turkije gereisd, waarna zij op 29 september 2015 illegaal met de boot naar Griekenland zijn gevaren. Daarna zijn zij via Macedonië, Servië, Kroatië, Oostenrijk en Duitsland naar Nederland gereisd. In Amsterdam hebben zij de trein naar station Leiden genomen, waar zij werden opgehaald door de neef van [naam 5] , de verdachte. De verdachte heeft hen daarna naar zijn huis gebracht, waar [naam 6] en [naam 5] een nacht hebben geslapen. De volgende dag zijn zij naar Ter Apel gegaan.

Voor de reis van Turkije naar Griekenland kregen [naam 6] en [naam 5] hulp van een reisagent genaamd [naam 7] , die hen weer in contact bracht met een andere reisagent. [naam 5] had van de verdachte het telefoonnummer van de reisagent [naam 7] gekregen. De verdachte zou [naam 5] namelijk het telefoonnummer van een mensensmokkelaar geven. [naam 5] moest deze persoon bellen en vertellen dat hij, [naam 5] , het telefoonnummer van de verdachte had gekregen. De verdachte had gevraagd of [naam 5] hem op de hoogte wilde houden van wat er ging gebeuren. In Turkije hoorde [naam 6] dat hij 1100 dollar voor de reis moest betalen aan [naam 7] . Toen [naam 6] en [naam 5] in Turkije aankwam, belden zij [naam 7] die hen vroeg naar een andere plek in Turkije te komen. [naam 6] heeft in Turkije 1100 dollar contant aan [naam 7] betaald. [naam 7] heeft hen vervolgens naar een andere plek gebracht, waar zij met een bus verder moesten reizen.

[naam 6] heeft verklaard dat [naam 5] tijdens de reis telefonisch contact had met de verdachte. Zij hadden contact als zij in een land gearriveerd waren over wat zij vervolgens moesten doen. In Servië hadden zij telefonisch contact, waarbij de verdachte adviseerde om de menigte vluchtelingen te volgen. In Oostenrijk had [naam 5] contact met de verdachte, die een vriend had gebeld om hen in Wenen wegwijs te maken en de trein naar Duitsland te wijzen. In Duitsland aangekomen belde [naam 5] weer met de verdachte om te vertellen dat zij daar waren aangekomen. De verdachte vertelde hen dat zij via een ander treinstation in Duitsland de trein naar Amsterdam moesten nemen.

Ten slotte heeft [naam 6] verklaard dat hij in Nederland af en toe op bezoek ging bij de verdachte. Tijdens één van die bezoeken vertelde de verdachte dat hij bezig was om zijn zus [naam 47] en haar man [getuige 1] naar Nederland te halen. [naam 6] hoorde bij één van die bezoekjes ook een telefoongesprek tussen de verdachte en zijn zus, waarin de verdachte haar vertelde dat ze naar Turkije moesten vertrekken en dat hij hen vanuit daar verder zou helpen. Enkele weken later hoorde [naam 6] van de verdachte dat [naam 47] en haar man in Nederland waren aangekomen. De verdachte had dat op dezelfde illegale wijze gedaan als hoe hij [naam 6] en zijn vriend [naam 5] naar Nederland had gehaald, zo vertelde de verdachte tijdens een bezoek in november/december 2015.

De verklaring van [naam 47] (feit 5)

[naam 47] heeft verklaard dat zij op 15 oktober 2015 met haar man Syrië heeft verlaten en naar Nederland is gereisd. Over die reis heeft [naam 47] verklaard dat zij vanuit Idlib met de auto naar de grens met Turkije zijn gereden, waarna zij te voet de grens zijn gepasseerd. De volgende dag zijn zij vanuit Turkije met de boot naar Griekenland gevaren, waarna zij via verschillende landen zijn doorgereisd naar Nederland. Deze reis vanuit Syrië heeft volgens [naam 47] ongeveer 12 dagen geduurd, zodat ze vermoedt dat haar man en zij 31 oktober 2015 / 1 november 2015 in Nederland zijn aangekomen. [naam 47] heeft verklaard dat zij in Duitsland met haar broer die in Nederland woont, de verdachte, heeft gebeld. De verdachte heeft hen daarna met de auto in Duitsland opgehaald.

Bij de rechter-commissaris heeft [naam 47] verklaard dat haar man voor hen beiden geld aan een man heeft betaald voor de overtocht met de boot.

De verklaring van [naam 9] (feit 5)

[naam 9] heeft verklaard dat hij in de maand oktober 2015 met zijn vrouw [naam 47] vanuit Syrië illegaal naar Nederland zijn gekomen en dat de reis in totaal ongeveer dertien dagen heeft geduurd. De broer van [naam 47] , de verdachte, woont in Nederland en hij heeft hen verteld dat asielzoekers uit Syrië goed worden opgevangen. Toen zij de verdachte vertelden dat ze van plan waren naar Europa te komen, adviseerde de verdachte hen om naar Nederland te komen.

Over de reis heeft [naam 9] verklaard dat ze eerst met de auto naar de grens van Syrië met Turkije zijn gereden en die grens te voet zijn overgestoken. In Turkije zijn zij de volgende dag met de bus naar een plek vlakbij zee gereden. Daar betaalde [naam 9] 1600 of 1700 dollar aan een Arabisch sprekende man voor hun overtocht met de boot naar Griekenland. Vervolgens zijn zij via verschillende landen naar Duitsland gereisd. Daar aangekomen belde [naam 47] met de verdachte, die hen daar kwam ophalen met de auto. Zij zijn daarna naar de woning van de verdachte gereden, waar zij één nacht hebben geslapen. De volgende dag heeft de verdachte iemand gebeld die ervoor heeft gezorgd dat zij naar Ter Apel werden gebracht.

[naam 9] heeft verklaard dat zij tijdens de reis van Turkije naar Duitsland meermalen telefonisch contact hebben gehad met de verdachte, te weten in Turkije, Macedonië of Servië en in Duitsland. Zij gaven dan door dat ze veilig waren aangekomen op de bestemming. Daarnaast heeft de verdachte gedurende de reis van Griekenland naar Nederland twee keer geld aan hun overgemaakt, in totaal € 300,- of € 400,-. Een deel van dat geld hebben zij geïnd bij een kantoor van western Union. Dat geld was bedoeld om onderweg eten en drinken te kunnen kopen, maar ook om bus- en treinkaartjes te kunnen kopen.

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij zijn zus [naam 47] en haar man [naam 9] en tevens zijn neef [naam 5] en een vriend genaamd [naam 6] heeft geholpen naar Nederland te komen.

Met betrekking tot de reis van zijn zus en haar man heeft hij verklaard dat hij zijn zus had doorverwezen naar een persoon in Turkije en dat zij met zijn hulp naar Duitsland zijn gereisd, waar hij hen heeft opgehaald. Tijdens hun reis heeft de verdachte telefonisch contact gehad met zijn zus met de vraag of zij veilig waren aangekomen op de plaats van bestemming.

Met betrekking tot de reis van zijn neef heeft hij verklaard dat hij die neef de telefoonnummers van een kennis en van een reisagent genaamd [naam 7] in Turkije heeft gegeven. Voorts heeft de verdachte verklaard dat de betaling voor die reis via [naam 7] verliep. Tijdens hun reis heeft de verdachte telefonisch contact gehad met zijn neef en zijn vriend of zij veilig in Turkije en Griekenland waren aangekomen. Ten slotte heeft hij verklaard dat hij zijn neef en zijn vriend in Leiden heeft opgehaald en dat zij vervolgens bij hem thuis hebben gelogeerd.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte zowel zijn neef [naam 5] en zijn vriend [naam 6] als zijn zus [naam 47] en haar man [naam 9] heeft geadviseerd om naar Nederland te komen, omdat de asielprocedure in Nederland gunstiger zou zijn dan elders. Bovendien blijkt uit de bewijsmiddelen dat hij behulpzaam is geweest bij het aanvragen van asiel in Nederland door hen naar Ter Apel te verwijzen en/of daarheen te laten brengen.

Eveneens blijkt uit die bewijsmiddelen dat de verdachte voornoemde vier personen gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft en zodoende handelingen heeft verricht die kunnen worden beschouwd als mensensmokkel als bedoeld in artikel 197a, eerste lid, Sr .

De verdachte heeft [naam 5] en [naam 6] in contact gebracht met een mensensmokkelaar, die hen vanuit Turkije verder zou helpen met de bootreis naar Griekenland. Vervolgens heeft hij tijdens de reis telefonisch contact met hen gehouden, onder meer om advies/inlichtingen te geven over het verdere verloop van de reis. Ten slotte heeft hij [naam 5] en [naam 6] in Nederland opgehaald en naar zijn huis vervoerd, waar zij een nacht hebben verbleven.

In het geval van [naam 47] en [naam 9] heeft de verdachte tijdens hun reis geld aan hen verstrekt en heeft hij tijdens die reis steeds telefonisch contact met hen gehouden, onder meer om inlichtingen te geven over het verdere verloop van de reis. Ten slotte heeft de verdachte [naam 47] en haar man in Duitsland opgehaald, naar Nederland vervoerd en hen onderdak gegeven bij hem thuis.

Naar het oordeel van de rechtbank wist de verdachte dat de toegang en doorreis ten aanzien van voornoemde personen wederrechtelijk was aangezien zij op zijn advies (via verschillende landen) naar Nederland zijn gereisd met het doel om asiel aan te vragen in Ter Apel. Zoals hiervoor overwogen is de verdachte hen daarbij ook behulpzaam geweest. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte wist dat zij niet over een verblijfsvergunning of visum beschikten om in Nederland te mogen verblijven.

De rechtbank acht de door de raadsman naar voren gebrachte omstandigheid dat de verdachte met de mensensmokkel geen oogmerk had op bevoordeling niet relevant, nu het oogmerk van winstbejag slechts geldt bij hulp bij illegaal verblijf, zoals strafbaar gesteld in artikel 197a, tweede lid, Sr . Dat oogmerk is in de onderhavige zaak niet tenlastegelegd.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank de onder 4 en 5 tenlastegelegde mensensmokkel wettig en overtuigend bewezen.

7 Bewijsoverwegingen parketnummer 09/827550-17

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De aangifte van [naam 10] vindt voldoende steun in de verklaringen van de kinderen die bij het incident aanwezig waren, de foto van het letsel en de verklaring van [getuige 2] . Bovendien heeft de verdachte in een OVC-gesprek zelf ook gezegd dat hij [naam 10] heeft geslagen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Feit 1

De raadsman heeft aangevoerd (kort samengevat) dat aangeefster [naam 10] op meerdere onderdelen niet de waarheid heeft gesproken bij de politie en bij de rechter-commissaris. Voorts moeten de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] van het bewijs worden uitgesloten, nu die onder invloed van aangeefster [naam 10] tot stand zijn gekomen en derhalve onbetrouwbaar zijn. Ook de verklaring van [getuige 2] is onbetrouwbaar en moet daarom van het bewijs worden uitgesloten, omdat hij vooringenomen is en niet uit eigen waarneming heeft verklaard, onder meer over het gezin van de verdachte. Ten slotte blijkt uit de bij de aangifte gevoegde foto van letsel niet dat [naam 10] daarop is afgebeeld, zodat die niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

Feit 3

De raadsman heeft aangevoerd (kort samengevat) dat de verklaring van aangeefster [naam 10] strijdig is met de verklaring van [getuige 4] en bovendien onbetrouwbaar en kennelijk leugenachtig, zodat die niet voor het bewijs kan worden gebezigd. Ook de verklaring van [getuige 3] moet van het bewijs worden uitgesloten, omdat zij door [naam 10] is beïnvloed en zij bij het opnemen van de aangifte aanwezig was. Een alternatief scenario ligt meer voor de hand, te weten dat [naam 10] een valse aangifte heeft gedaan om zo wraak te nemen op de verdachte omdat hij met een andere vrouw wilde trouwen en onvoldoende tijd en aandacht had voor zijn eigen gezin, aldus de raadsman.

7.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Het bewijs

Naar aanleiding van een melding van mishandeling kwam de politie op 9 september 2017 omstreeks 12.55 uur ter plaatse bij de woning van [naam 10] aan [adres 5] in Rijswijk. Nadat de verbalisanten werden binnengelaten, zagen zij in de woning [naam 10] en de verdachte alsmede hun kinderen [getuige 3] (2007), [naam 48] (2008) en [naam 49] (2011). Ook was er een nichtje, genaamd [getuige 4] (2002), in de woning aanwezig.

Eén van de verbalisanten ging in gesprek met de verdachte, waarbij [getuige 3] aanwezig was. De verdachte sprak in een buitenlandse taal tegen [getuige 3] . Nadat de verdachte uitgesproken was, zag de verbalisant dat [getuige 3] hem met een angstig gezicht aankeek en met zachte stem zei: “Mijn vader heeft mijn moeder geslagen, maar hij wil niet dat ik dit zeg. Kunt u hem alstublieft weghalen?”.

Een andere verbalisant ging in gesprek met [naam 10] . Tijdens dat gesprek gaven de kinderen [getuige 3] en [naam 48] ook informatie.

[naam 10] verklaarde tegen de verbalisanten dat zij aangifte wilde doen van mishandeling, gepleegd door haar ex-man, de verdachte. [naam 10] verklaarde dat de verdachte in de nacht van 8 op 9 september 2017 in haar woning is blijven slapen en dat hij de volgende dag boos was. Zij moest van hem een bak sambal opeten en als zij dat niet zou doen, zou hij haar slaan. [naam 10] nam enkele happen van de sambal, maar omdat het pijn deed in haar mond stopte ze met eten. Hierop zag [naam 10] dat de verdachte naar haar toe liep en dat hij haar uitschold. De verdachte balde zijn rechtervuist en sloeg tegen haar hoofd, waarna zij direct pijn voelde op haar hoofd, achter haar rechter oor.

[getuige 3] vertelde tegen de verbalisanten (kort samengevat):

dat haar vader heel vaak dreigde richting haar moeder dat als hij niet mocht langskomen, hij twee mannen geld zou betalen om de kinderen mee te nemen naar Duitsland en dan naar Turkije of Syrië zou brengen;

dat zij aan de lunch zaten en dat haar vader boos werd over Syrische sambal;

dat hij haar moeder dwong om een hele bak sambal leeg te eten;

dat zij hoorde dat haar moeder de sambal niet op kon en wilde eten vanwege pijn aan haar kies;

dat zij toen zag dat haar vader, haar moeder een klap gaf met zijn rechtervuist op haar achterhoofd, rechts achter haar oor;

dat zij toen een WhatsApp-bericht heeft gestuurd naar [naam 50] , een medewerker van Vluchtelingenwerk Rijswijk;

dat zij hem vertelde dat haar vader er was en dat hij haar moeder had geslagen;

dat [naam 50] toen de politie heeft gebeld;

dat toen de politie er was haar vader tegen haar in het Arabisch zei dat zij tegen de politie moest zeggen dat hij haar moeder niet geslagen had, omdat hij anders voor lange tijd in de gevangenis zou verdwijnen;

dat zij erg bang was voor haar vader en toch tegen de politie de waarheid had

verteld, omdat haar vader altijd loog en zij er niet meer intrapte;

- dat zij heel erg dankbaar was dat de politie is komen helpen;

Tijdens een studioverhoor bij de politie op 19 september 2017 heeft [getuige 3] herhaald dat zij had gehoord dat haar vader tegen haar moeder zei dat ze iets moest eten wat heel heet is en dat haar vader daarna met zijn vuist haar moeder op haar hoofd, achter haar oor, had geslagen.

[naam 48] vertelde de verbalisanten dat hij had gezien hoe zijn vader met zijn vuist zijn moeder had geslagen.

Op de bij de aangifte van [naam 10] gevoegde foto waarop een deel van de rechterzijde van een hoofd zichtbaar is, neemt de rechtbank waar dat een rode verkleuring achter het rechteroor te zien is.

De verdachte heeft verklaard dat er op 9 september 2017 is gesproken tussen [naam 10] en hem over ‘flefli’, een soort sambal dat heel heet is.

Het oordeel van de rechtbank

Door de raadsman is (kort gezegd) de stelling ingenomen dat [naam 10] niet de waarheid spreekt en dat zij haar kinderen heeft beïnvloed om belastend over de verdachte te verklaren, onder meer om wraak te nemen op de verdachte omdat hij met een andere vrouw wilde trouwen en onvoldoende tijd en aandacht had voor zijn eigen gezin, zodat hun verklaringen niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Naar aanleiding van de melding om 12.45 uur van huiselijk geweld in de woning van [naam 10] was de politie omstreeks 12.55 uur ter plaatse bij die woning. Kort na binnenkomst kreeg een van de verbalisanten al te horen van [getuige 3] dat de verdachte haar moeder [naam 10] had geslagen, wat [naam 10] zelf ook vertelde aan een andere verbalisant. Die mededelingen werden dus onafhankelijk van elkaar gedaan, zo stelt de rechtbank vast op basis van het proces-verbaal van aanhouding. Daarna is van [naam 10] een aangifte opgenomen, waarbij de kinderen aanwezig zijn geweest. Hoewel de raadsman kan worden toegegeven dat het de voorkeur had gehad om de aangifte buiten de aanwezigheid van de kinderen op te nemen en de vertaling door een tolk en niet door [getuige 3] te laten doen, heeft de rechtbank op grond van het onderzoek ter terechtzitting geen enkele aanwijzing gevonden dat [naam 10] haar dochter [getuige 3] en haar zoon [naam 48] heeft bewogen om een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen, danwel dat zij die [naam 10] slechts hebben nagepraat in hun voor de verdachte belastende verklaring. [getuige 3] heeft als eerste, tijdens het gesprek tussen de verbalisant en de verdachte, gesproken over de mishandeling van haar moeder en is tijdens het studioverhoor ook gebleven bij die beschuldiging jegens de verdachte. Zij heeft gedetailleerd verklaard over hoe een incident over het moeten eten van iets door haar moeder ontaardde in een mishandeling.

Nu de door [naam 10] en [getuige 3] afgelegde verklaringen in de kern overeenkomen en elkaar onderling ondersteunen en de rechtbank geen enkele aanwijzing heeft aangetroffen voor beïnvloeding door [naam 10] van haar kinderen, acht de rechtbank de door [naam 10] en [getuige 3] afgelegde verklaringen, voor zover gebezigd voor het bewijs, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De niet nader onderbouwde stelling van de raadsman dat [naam 10] wraak wil nemen op de verdachte en daarom een valse aangifte heeft gedaan, wijst de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook van de hand.

Voorts heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan het feit dat op de bij de aangifte gevoegde foto het hoofd van [naam 10] met daarop haar letsel is afgebeeld, nu door de verhorende verbalisanten in de aangifte is vermeld dat de foto van het letsel na het opnemen van de aangifte door een familielid van [naam 10] aan de politie is gestuurd via WhatsApp.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tenlastegelegde mishandeling en de onder 3 tenlastegelegde dwang wettig en overtuigend bewezen.

8 Bewijsoverwegingen parketnummer 09/765005-19

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Met betrekking tot feit 1 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat uit de in het dossier gevoegde tekst van de spraakberichten die de verdachte heeft gestuurd blijkt van belediging jegens [naam 10] . Voors blijkt dat die berichten op enig moment in de tenlastegelegde periode aan haar zijn verzonden.

Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat uit opgenomen gesprekken blijkt dat de verdachte heeft geprobeerd om [naam 14] uit te lokken om zijn dochter [getuige 4] een andere verklaring te laten afleggen bij de rechter-commissaris dan dat ze bij de politie had gedaan. Omdat niet kan worden vastgesteld dát [getuige 4] beïnvloed was ten tijde van het afleggen van haar verklaring, kan de poging tot uitlokking worden bewezen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat de verdachte weerspreekt dat de WhatsApp-berichten in de tenlastegelegde periode aan aangeefster zijn verstuurd, maar dat die berichten moeten dateren van vóór mei 2018.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd (kort samengevat) dat de verdachte via [naam 14] niet heeft gepoogd de verklaringsvrijheid van [getuige 4] aan te tasten, maar dat hij slechts heeft gevraagd om aan [getuige 4] te verzoeken de waarheid te vertellen. Bovendien is die [getuige 4] een liegende getuige, zodat zij niet onder het bereikt valt van artikel 285a Sr .

8.3

De beoordeling van de tenlastelegging

8.3.1

Feit 1

Het bewijs

Aangeefster [naam 10] heeft op 15 januari 2019 bij de politie aangifte gedaan van belediging, gepleegd door de verdachte. [naam 10] heeft verklaard dat zij sinds juli/augustus 2018 steeds WhatsApp-berichten van de verdachte ontving, maar dat de toon van de berichten de laatste maand is veranderd en dreigender is. Zij heeft negen spraakberichten van de verdachte kunnen bewaren, die dateren van de laatste maand, waaronder:

Bericht 3: “Je bent een hoer, een slet. Ik ga niet tegen je zeggen dat je een eerbare vrouw bent. Je bent echt een slet.”;

Bericht 5: “(…) Je bent een hoer (…).”;

Bericht 8: “(…) Je blijft een hoer en een slet. Het maakt niet uit. Je blijft een hoer en een slet. Iedereen weet dat je een hoer bent en iedereen weet dat je een slet bent.”.

Aangeefster [naam 10] had voornoemde spraakberichten eerder, te weten op 18 december 2018, al naar de politie gestuurd om deze ter beschikking te stellen aan het onderzoeksteam van het onderzoek ‘Dunajec’. Die geluidsfragmenten zijn door een tolk die al geruime tijd binnen voornoemd onderzoeksteam heeft gewerkt, beluisterd. Deze tolk herkende daarop voor 100% de stem van de verdachte als de persoon die de geluidsfragmenten heeft ingesproken.

De verdachte heeft verklaard dat hij niet meer precies weet wat hij heeft gezegd, maar dat hij misschien de woorden heeft gezegd zoals die zijn te horen op de geluidsfragmenten.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte aangeefster [naam 10] heeft beledigd door haar meerdere spraakberichten met de in de tenlastelegging opgenomen beledigende uitspraken via WhatsApp toe te sturen. Anders dan de raadsman heeft betoogd blijkt uit die bewijsmiddelen dat deze berichten in de tenlastegelegde periode door de verdachte aan [naam 10] zijn verstuurd. Gelet hierop acht de rechtbank de onder 1 tenlastegelegde eenvoudige belediging van [naam 10] wettig en overtuigend bewezen.

8.3.2

Feit 2

Het bewijs

In de periode van 7 november 2017 tot en met 31 december 2017 zijn de telefoongesprekken van de verdachte die hij voerde vanuit de penitentiaire inrichting in Alphen aan den Rijn afgeluisterd.

Op 11 november 2017 omstreeks 9.24 uur belde de verdachte met [naam 52] , welk gesprek (vertaald weergegeven) als volgt verliep:

Verdachte vraagt of [naam 52] het nummer van [naam 53] (zijn zwager) heeft geregeld.

[naam 52] vraagt: [naam 14] toch?

Verdachte bevestigt dat.

[naam 54] citeert het [telefoonnummer 11] .

Op 11 november 2017 omstreeks 9.27 uur belde de verdachte met [naam 53] op het [telefoonnummer 11] , welk gesprek (vertaald en (deels) samengevat weergegeven) als volgt verliep:

Verdachte klaagt over het feit dat de dochter van [naam 53] hem heeft benadeeld door tegen hem te getuigen door te zeggen dat hij van Daesh / IS is en zegt: ben ik nou van Daesh / IS?

[naam 53] : nee, nee, ... (ntv) let erop, ik heb haar geslagen, ik heb haar echt geslagen.

Verdachte: luister even, ik heb hier haar getuigenverklaring die ik van de advocaat heb gekregen en ik zal het je laten zien. Als je mij een dienst wil bewijzen hoeft zij alleen maar naar de rechter te gaan om haar getuigenverklaring te wijzigen.

[naam 53] zegt dat dit niet mogelijk is en vraagt verdachte op te letten en zegt dat zij ( [getuige 4] ), nadat hij haar geslagen heeft, zei tegen hem dat toen ze erin kwamen zij binnen zat.

Verdachte zegt dat wat hij zegt in de getuigenverklaring van haar staat en dat hij haar hiermee niet valselijk zit te beschuldigen of zo en zegt: als je mij een dienst wil bewijzen zou zij voor de rechter de waarheid kunnen gaan vertellen.

(…)

Verdachte: het enige wat ik van jou wil is dat je je dochter [getuige 4] naar de rechtbank brengt en ik zal mijn zwager [naam 53] met een chauffeur naar je toe sturen zodat [getuige 4] tegen hen kan gaan zeggen: “hij heeft haar niet geslagen en niet geschreeuwd en niet zoiets gedaan”, dit is alles wat ik van jou wil, is dit mogelijk?

[naam 53] : tot je dienst.

Verdachte: dank je wel.

[naam 53] : maar het woord Daesh / IS is niet genoemd, let op, het klopt niet wat degene die dit tegen je zei.

Verdachte zegt dat hij niet zeker weet van Daesh / IS maar wat hij wel zeker weet is dat [getuige 4] een getuigenverklaring heeft afgelegd die hij eventueel naar [naam 53] zou kunnen sturen.

[naam 53] zegt dat [getuige 4] dit soort dingen niet heeft gezegd en dat men haar wel gevraagd heeft of hij haar geslagen heeft en dat hij dit niet ontkent en zegt: en ik heb haar geslagen.

(…)

Verdachte: zij hoeft alleen maar te zeggen dat hij haar niet geslagen heb.

(…)

Op 11 november 2017 omstreeks 10.22 uur belde de verdachte met zijn zus [naam 47] , welk gesprek (vertaald en samengevat weergegeven) als volgt is uitgewerkt:

“De verdachte zegt dat hij met zijn zwager [naam 14] heeft gesproken over zijn dochter [getuige 4] die tegen hem een getuigenverklaring heeft afgelegd. Hij zei tegen mij dat hij haar heeft geslagen en tegen haar heeft geschreeuwd en zei dat hij dit niet goedkeurt. Ik zei tegen hem dat zijn dochter haar verklaring hoort te corrigeren en hij zei tegen mij: tot je dienst. Ik heb met [naam 60] gesproken en hem gevraagd om haar de rechtbank te brengen.”

Op 15 november 2017 belde de verdachte wederom met [naam 53] , welk gesprek (vertaald weergegeven) als volgt verliep:

“Verdachte: Amen oh Heer. Mijn broer [naam 53] wat betreft mijn [naam 56] heeft zij nu een verklaring afgelegd en heeft verward gesproken, maar gelukkig kwam dat in mijn voordeel.

[naam 53] : Gelukkig, gelukkig.

Verdachte: Maar nu hangt af van jou dochter [getuige 4] .

[naam 53] : Ja.”

Op 25 november 2017 belde de verdachte nogmaals met [naam 53] , welk gesprek (vertaald en samengevat weergegeven) als volgt verliep:

“Verdachte is gisteren door zijn advocaat bezocht en zegt dat de verklaring van [getuige 4] zeer belangrijk is.

[naam 53] zegt dat bereid is om te verklaren.

(…)

[naam 53] heeft met zijn dochter [getuige 4] gesproken en zij gaat gewoon getuigen als zij opgeroepen wordt.”

De verdachte heeft verklaard dat hij telefonisch contact vanuit de penitentiaire inrichting heeft gehad om het telefoonnummer van de vader van [getuige 4] te vragen en dat hij ook telefonisch met de vader van [getuige 4] heeft gesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte wist dat [getuige 4] bij de politie een voor hem belastende verklaring heeft afgelegd over de mishandeling van [naam 10] en dat hij wenste dat die verklaring zou worden gewijzigd. Het afgeluisterde telefoongesprek van 11 november 2017 omstreeks 9.27 uur kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachte opzettelijk probeert om [naam 14] (die kennelijk [naam 53] wordt genoemd), de vader van [getuige 4] , te bewegen om zijn dochter [getuige 4] een voor hem ontlastende verklaring te laten afleggen bij de rechter (rechter-commissaris). De verdachte zegt er immers ook bij dat die gewijzigde verklaring ervoor zal zorgen dat hij uit detentie zal komen. De verdachte blijft [naam 14] ook aansporen om [getuige 4] anders te laten verklaren, aangezien in de telefoongesprekken op 15 en 25 november 2017 door de verdachte wordt genoemd dat de af te leggen verklaring van [getuige 4] zeer belangrijk is en dat hij van haar verklaring afhankelijk is.

Dat de raadsman heeft aangevoerd dat [getuige 4] een liegende getuige is, omdat zij – naar eigen zeggen bij de rechter-commissaris – bij de politie niet de waarheid heeft gesproken zodat zij niet onder het bereik van artikel 285a Sr valt, is daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet van belang. Het tenlastegelegde feit strekt er immers (alleen) toe getuigen te beschermen om in vrijheid, onbelemmerd, ten overstaan van een rechter of een ambtenaar een verklaring af te leggen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

9 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

Parketnummer 09/767275-17

1.

hij in de periode van 9 november 2016 tot en met 15 mei 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener met een zetel in Nederland heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht ,

immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s) opzettelijk:

- ten behoeve van en/of op verzoek van begunstigden en/of betalers en/of anderen geldtransacties en/of geldtransfers uitgevoerd en voor rekening van begunstigden en/of betalers ontvangen en

- aan begunstigden en/of betalers geldbedragen beschikbaar gesteld en voor begunstigden en/of betalers geldbedragen gehouden,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s) opzettelijk onder andere de volgende geldtransacties/geldtransfers uitgevoerd en/of geldbedragen ontvangen en/of beschikbaar gesteld:

1- omstreeks 9 november 2016 een geldbedrag van € 80 (afkomstig van [naam 1] ), en

A- omstreeks 24 juni 2017 een geldbedrag van 5.000 Amerikaanse dollar en

B- omstreeks 1 juli 2017 een geldbedrag van 5.000 Amerikaanse dollar en

C- omstreeks 4 juli 2017 een geldbedrag van 525 euro en

D- omstreeks 3 augustus 2017 een geldbedrag van 21.290 euro en

E- omstreeks augustus 2017 een geldbedrag van 200 Amerikaanse dollar en

F- omstreeks 17 augustus 2017 een geldbedrag van 2.842 euro en

G- omstreeks 22 augustus 2017 een geldbedrag van 10.000 euro en

H- omstreeks 17 juni 2017 een geldbedrag van 2.000 Amerikaanse dollar en

I- omstreeks 18 juni 2017 een geldbedrag van 500 dollar en

J - omstreeks 18 juni 2017 een geldbedrag van 5.000 Amerikaanse dollar en

K- omstreeks 27 augustus 2017 een geldbedrag van 200 Amerikaanse dollar en

L- omstreeks 21 augustus 2017 een geldbedrag van 57.000 Syrische Lires en

M- omstreeks 23 augustus 2017 een geldbedrag van € 411 (ten behoeve van [naam 2] ),

en andere geldtransacties en/of geldtransfers als vermeld in een witte map die onder [medeverdachte] in beslag is genomen)

van welk misdrijf verdachte een gewoonte heeft gemaakt;

2.

hij in de periode van 1 april 2015 tot en met 9 september 2017 in Nederland meermalen een ander opzettelijk middelen heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf,

immers heeft verdachte (middels (zogenaamde Hawala-)geldtransfers/geldtransacties en/of meerdere opdrachten tot uitbetaling en/of overhandiging van geld), geldbedragen,

(te weten:

- 100.000 Syrische lira (op 11 april 2015) en

- 500 Amerikaanse dollars (op 16 juli 2016) en

- 1.700 Amerikaanse dollars (op 16 juli 2016) en

- 4.010 en/of 500 en/of 2.000 Amerikaanse dollars en

- 1.600 Amerikaanse dollars (op 6/10/2016) en

- 300 Amerikaanse dollars (op 31 augustus 2017)

verzonden en/of doen toekomen aan [broer van de verdachte ] en/of (een) andere (tussen)perso(o)n(en) (te weten (onder andere) [naam 4] ) in Syrië en/of Turkije, ten behoeve van [broer van de verdachte ] ,

zijnde [broer van de verdachte ] een broer van verdachte en een strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van de terroristische organisatie IS en/of Jabhat al-Nusra,

terwijl deze geldbedragen bestemd waren om (geldelijke) steun te verlenen aan de gewapende (Jihad)strijd in Syrië, in welke strijd terroristische misdrijven werden/worden gepleegd;

3.

hij in de periode van 9 november 2016 tot en met 15 mei 2018 in Nederland meerdere geldbedragen (te weten provisiegelden voor geldtransacties/geldtransfers die hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen heeft verricht), heeft verworven en voorhanden heeft gehad en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit eigen misdrijf,

van welk misdrijf (te weten witwassen) verdachte een gewoonte heeft gemaakt;

4.

hij in de periode van 1 september 2015 tot en met 30 november 2015 in Nederland anderen, te weten [naam 5] en [naam 6] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,

en die [naam 5] en [naam 6] daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

immers heeft hij, verdachte,

- die [naam 5] en [naam 6] in contact gebracht met een mensensmokkelaar/reisagent genaamd [naam 7] en

- die [naam 5] en [naam 6] met behulp van een mensensmokkelaar vanuit Turkije naar Griekenland laten vervoeren en

- in contact gestaan met die [naam 5] en [naam 6] gedurende hun reis naar Nederland en hen daarbij geadviseerd (ten behoeve van hun doorreis) en

- die [naam 5] en [naam 6] bij aankomst in Nederland opgehaald en vervoerd en

- die [naam 5] en [naam 6] onderdak verschaft in Nederland;

terwijl verdachte wist dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was;

5.

hij in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 15 november 2015 in Nederland anderen, te weten [naam 47] en [naam 9] behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,

en die [naam 47] en [naam 9] daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

immers heeft hij, verdachte,

- aan die [naam 47] en [naam 9] geld (te weten ongeveer 300 of 400 euro) verstrekt gedurende hun reis vanuit Griekenland naar Nederland en

- die [naam 47] en [naam 9] bij aankomst in Duitsland opgehaald en vervolgens over de grens met Nederland vervoerd en

- die [naam 47] en [naam 9] onderdak verschaft in Nederland;

terwijl verdachte wist dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was;

Parketnummer 09/827550-17

1.

hij op 9 september 2017 te Rijswijk [naam 10] heeft mishandeld door haar met kracht (met zijn vuist) tegen het hoofd te stompen;

3.

hij op 9 september 2017 te Rijswijk, een ander, te weten [naam 10] , door bedreiging met geweld wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten sambal te eten, door tegen die [naam 10] te zeggen dat hij haar zou slaan als zij dit niet zou doen;

Parketnummer 09/765005-19

1.

hij in de periode van 1 december 2018 tot en met 15 januari 2019 te Rijswijk, opzettelijk

[naam 10] in haar tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door aan [naam 10] meerdere ingesproken WhatsApp-berichten toe te sturen met onder andere als inhoud: “je bent een hoer, een slet” en “je blijft een hoer en een slet, iedereen weet dat je een hoer bent, iedereen weet dat je een slet bent”;

2.

hij in de periode van 11 november 2017 tot en met 25 november 2017 te Alphen aan den Rijn, heeft gepoogd om [naam 14] (de vader van [getuige 4] ) te bewegen opzettelijk mondeling zich jegens [getuige 4] te uiten, kennelijk om haar vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen, te beïnvloeden,

terwijl hij ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd,

door in telefoongesprekken aan die [naam 14] na te noemen inlichtingen te verschaffen - zakelijk weergegeven - te weten,

dat die [naam 14] hem, verdachte, een dienst zou bewijzen door [getuige 4] naar de rechter te laten gaan om haar getuigenverklaring te laten wijzigen en

dat [getuige 4] alleen maar zou hoeven te zeggen dat hij, verdachte, haar ( [naam 10] ) niet had geslagen en

dat hij, verdachte, een auto zou laten sturen om [getuige 4] op te halen en naar de rechtbank te brengen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

10 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

11 De strafbaarheid van de verdachte

11.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot de onder de feiten 4 en 5 (parketnummer 09/767275-17) tenlastegelegde mensensmokkel op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd (kort samengevat) dat de verdachte de gesmokkelde personen, die in Syrië in een noodsituatie verkeerden, uit een culturele en morele plicht heeft geholpen om naar Nederland te komen. De verdachte ervaarde een zodanige druk om die personen te helpen, dat hij aan die druk geen weerstand kon, maar ook niet hoefde te bieden.

11.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich (kort samengevat) op het standpunt gesteld dat de verdachte geen gerechtvaardigd beroep toekomt op overmacht, zodat ontslag van alle rechtsvervolging achterwege dient te blijven. Niet is gebleken dat de gesmokkelde personen elders, bijvoorbeeld in Griekenland, asiel konden verkrijgen.

11.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verstaat het verweer van de raadsman als een beroep op psychische overmacht en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht in de zin van artikel 40 Sr sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

De verdachte heeft verklaard dat [naam 47] en haar man [naam 9] het moeilijk hadden in Idlib (Syrië) en dat zij wel moesten vluchten, zodat hij hen heeft geholpen naar Nederland te komen. Omdat hij hen dichtbij hem wilde hebben, heeft hij ze gevraagd naar Nederland te komen. Wat betreft zijn neef [naam 5] heeft de verdachte verklaard dat hij hoorde dat zijn neef op straat sliep en dat hem werd verzocht om hulp. De verdachte werd daar emotioneel van en besloot hem daarom te helpen.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van deze verklaring niet aannemelijk geworden dat bij de verdachte een van buiten komende drang heeft bestaan waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden, aangezien de bij hem ontstane emoties over de slechte omstandigheden waarin [naam 47] , [naam 9] , [naam 5] en [naam 6] verkeerden niet te kwalificeren zijn als dusdanige druk waardoor hij redelijkerwijs niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de vier gesmokkelde personen vanuit Turkije naar Griekenland – een land dat geldt als een ‘veilig’ land – zijn gebracht en daarna via verschillende landen uiteindelijk in Nederland terecht zijn gekomen. Niet aannemelijk is geworden dat er geen geschikte alternatieven waren als het gaat om andere landen waar mogelijk asiel kon worden aangevraagd. De enkele omstandigheid dat de verdachte zijn familie graag in de buurt, in Nederland, wil hebben is, hoe voorstelbaar en invoelbaar dat ook mag zijn, daartoe onvoldoende. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

12 De strafoplegging

12.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd in de vorm van een contactverbod met [naam 10] en de drie kinderen [naam 49] , [naam 48] en [getuige 3] (artikel 38v, tweede lid en onder b Sr ). Hij heeft daarbij verzocht te bepalen dat bij overtreding van deze maatregel telkens één week vervangende hechtenis wordt toegepast. Ten slotte heeft de officier van justitie verzocht deze vrijheidsbeperkende maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren (artikel 38v, vierde lid, Sr).

12.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte waaronder zijn beperkte strafblad, verzocht om de eis van de officier van justitie te matigen en te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast oplegging van ofwel een voorwaardelijke gevangenisstraf ofwel een taakstraf. Daartoe heeft de raadsman verwezen naar jurisprudentie waarin in zaken van mensensmokkel en Hawala-bankieren lagere straffen zijn opgelegd dan de straf waarvan de officier van justitie als uitgangspunt uitgaat.

Tevens heeft de raadsman verzocht om oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod met [naam 10] en de kinderen achterwege te laten, omdat dat de afronding van de procedure in het kader van een omgangsregeling bemoeilijkt. Ook doorkruist een dergelijk contactverbod de mogelijkheid voor de verdachte om een band met zijn kinderen op te bouwen, wat (ook gelet op de inhoud van artikel 3 EVRM) onwenselijk is.

12.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan

De verdachte heeft zich in de periode van 1 april 2015 tot en met 15 januari 2019 schuldig gemaakt aan een groot aantal, verschillende strafbare feiten.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer 10 maanden, samen met zijn mededaders, schuldig gemaakt aan het verrichten van illegale geldtransacties (zogeheten Hawala-bankieren). Door hem zijn veelvuldig contante geldbedragen buiten het formele geldcircuit ontvangen, verplaatst en overgedragen. In de tenlastelegging is slechts een aantal geldtransacties opgenomen, maar uit het dossier blijkt dat de verdachte veel meer van dit soort transacties heeft verricht. Hij is daar zelfs mee doorgegaan nadat hij eind december 2017 uit voorlopige hechtenis was gekomen.

De verdachte heeft deze geldtransacties bedrijfsmatig als betaaldienstverlener verricht, zonder dat hij beschikte over een daartoe verleende vergunning van De Nederlandsche Bank, dan wel een door die instelling geregelde vrijstelling. Door zo te handelen heeft de verdachte zich onttrokken aan de regels van het financiële toezichtrecht. Hij heeft geen oog gehad voor het feit dat illegaal geldverkeer in staat is het formele geldcircuit te ontwrichten met alle gevolgen van dien.

Omdat de verdachte ook provisie-inkomsten verwierf voor deze strafbare wijze van

(Hawala-)bankieren en vervolgens van dat geld gebruik heeft gemaakt, heeft hij zich tevens schuldig gemaakt aan het witwassen van die geldbedragen.

Op dezelfde illegale wijze heeft de verdachte gedurende een periode van ongeveer tweeëneenhalf jaar geldbedragen verzonden naar zijn broer in Syrië, terwijl hij wist dat die broer strijder was van de gewapende Jihadstrijd en zich had aangesloten bij de terroristische organisatie IS en/of Jabhat-Al Nusra. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het financieren van terrorisme.

De verdachte heeft daarmee het verbod daartoe naast zich neergelegd. De regels met betrekking tot dit verbod zijn van groot belang, omdat het doel ervan is te komen tot een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid, en de internationale rechtsorde en de bestrijding van terrorisme te bevorderen. Door zijn handelen heeft de verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en aldus aan de (verdergaande) destabilisering en onveiligheid in (de regio van) Syrië. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat jihadistische groeperingen, in het bijzonder IS en Jabhat al Nusra, in Syrië zich op grote schaal schuldig hebben gemaakt aan grove mensenrechtenschendingen.

Eind 2015 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel door vier personen

naar Nederland te smokkelen. Mensensmokkel is een ernstig feit, waarmee niet alleen een inbreuk wordt gemaakt op de (internationale) rechtsorde, maar ook een bijdrage wordt geleverd aan de instandhouding van een illegaal en crimineel circuit, met alle (levens)gevaren voor de betreffende personen van dien.

Tevens heeft de verdachte zich, in het bijzijn van de kinderen, schuldig gemaakt aan het dwingen van het slachtoffer [naam 10] om sambal te eten en aan mishandeling toen zij dat weigerde te eten. Zij heeft als gevolg daarvan pijn en letsel bekomen. Ook heeft hij haar via toegestuurde spraakberichten beledigd. Met zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van [naam 10] en dat in haar eigen huis, waar zij zich bij uitstek veilig had moeten voelen. Ook heeft hij haar in haar eer en goede naam geschaad.

Ten slotte heeft hij, nadat hij kennis had genomen van een voor hem belastende verklaring van een minderjarig meisje die aanwezig was bij voornoemde mishandeling, geprobeerd om de vader van die getuige te bewegen zijn dochter een ontlastende verklaring te laten afleggen bij de rechter-commissaris. Hiermee heeft de verdachte de verklaringsvrijheid van een persoon in een strafrechtelijk onderzoek proberen te ondermijnen. Beïnvloeding van een getuige is, ongeacht of het kennelijk beoogde gevolg is ingetreden, op zich reeds een ernstig feit waardoor de rechtsgang kan worden geschaad. Het raakt de fundamentele beginselen van de rechtsstaat en belemmert de waarheidsvinding.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal ernstige strafbare feiten. Gelet op de aard en ernst van die bewezen verklaarde feiten – met name het langdurig ondergronds bankieren, het financieren van terrorisme en het smokkelen van mensen naar Nederland – kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet worden volstaan met een andere straf dan een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank ten eerste acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 2 januari 2020, waaruit blijkt dat hij op 7 oktober 2015 ter zake van huiselijk geweld is veroordeeld.

Reclasseringsadviezen

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het reclasseringsadvies van 11 januari 2019. Daaruit blijkt dat de verdachte kampt met psychische problemen, geen dagbesteding heeft, schulden heeft en een beperkt netwerk in Nederland heeft, mede als gevolg van het feit dat hij geen Nederlands spreekt. Daar komt bij dat hij een strafblad heeft en een beperkt reflectief vermogen op zijn aandeel in de problemen in zijn leven. De reclassering acht de kans op recidive dan ook reëel. De reclassering adviseert oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting bij De Waag en een contactverbod met zijn ex-vrouw [naam 10] en hun drie kinderen.

In een vervolg op voornoemd advies van 24 december 2019 komt de reclassering tot hetzelfde advies. Over de huidige stand van zaken vermeldt de reclassering dat de verdachte huisvesting heeft, maar dat hij (na zijn baan te zijn kwijtgeraakt) nog steeds geen dagbesteding heeft. Verder is er nog sprake van schulden. Over het gebrek aan contact met zijn kinderen heeft de verdachte meermalen aangegeven dat hij daar onder lijdt. Een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming naar de vraag of een omgangsregeling kan worden getroffen, is recent opgestart.

Wat betreft het psychosociaal functioneren heeft de reclassering de verdachte eerder (vrijwillig) aangemeld bij De Waag om daar te worden behandeld door een Arabisch sprekende behandelaar voor zijn oorlogstrauma. Die behandeling is voortijdig afgebroken, omdat het niet te combineren viel met de baan die de verdachte destijds had. De reclassering acht behandeling echter wel aangewezen.

Over het in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis opgelegde reclasseringstoezicht vermeldt de reclassering ten slotte dat de verdachte zijn meldplicht nakomt, maar dat de ondersteuning die de reclassering hem voorts heeft geboden vanwege het gebrek aan medewerking door de verdachte onvoldoende van de grond is gekomen.

Ter terechtzitting van 30 januari 2020 heeft [naam 61] (reclasseringswerker en tevens opsteller van voornoemde adviezen) nog aangevuld dat een behandeling bij De Waag, in de vorm van een traumabehandeling, cruciaal is om tot een positieve ontwikkeling van de situatie van de verdachte te komen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard open te staan voor en bereid is mee te werken aan een behandeling bij De Waag.

Ten slotte houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte – het aantal dagen voorlopige hechtenis in de zaken met de parketnummers 09/767275-17 en 09/827550-17 bij elkaar opgeteld – reeds 230 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM is overschreden, aangezien pas ruim 29 maanden na aanvang de van de redelijke termijn – te weten de aanhouding van verdachte op 9 september 2017 – vonnis wordt gewezen. De rechtbank houdt echter rekening met de complexiteit en de omvang van de zaak en de omstandigheid dat op verzoek van de verdediging een groot aantal getuigen is gehoord. Gelet daarop volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt zij daaraan geen gevolgen.

Eindconclusie

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren maanden passend en geboden. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een voorwaardelijk deel van de straf op zijn plaats, gelet op hetgeen door de reclassering naar voren is gebracht. De rechtbank zal aan verdachte een aantal bijzondere voorwaarden opleggen.

De rechtbank is oordeel dat behandeling van de verdachte voor zijn persoonlijkheidsproblematiek (traumaverwerking) aangewezen is. Gelet daarop wordt aan voornoemde voorwaardelijke straf ten eerste de bijzondere voorwaarde verbonden van een ambulante behandeling bij De Waag. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering op te leggen en – ter voorkoming van recidive als het gaat om de bewezenverklaarde feiten met als slachtoffer [naam 10] – een contactverbod met die [naam 10] .

Voor de oplegging van een contactverbod – als bijzondere voorwaarde danwel als vrijheidsbeperkende maatregel ex 38v, zoals door de officier van justitie bepleit – met de kinderen van [naam 10] en de verdachte ziet de rechtbank geen noodzaak.

De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om het bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 09/767275-17, dat tot de einduitspraak op 20 februari 2020 was geschorst, op te heffen.

13 De inbeslaggenomen goederen

13.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat:

de op de beslaglijst onder de nummers 2 tot en met 8, 10, 11, 12, 19 en 20 vermelde voorwerpen moeten worden verbeurd verklaard;

de op de beslaglijst onder de nummers 1 en 13 tot en met 18 vermelde voorwerpen aan het verkeer zullen worden onttrokken;

het op de beslaglijst onder nummer 9 vermelde voorwerp aan de verdachte moet worden teruggegeven.

13.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.150,- en de inbeslaggenomen geschriften en telefoons van de verdachte aan hem terug te geven. Met betrekking tot die geschriften en telefoons heeft de raadsman opgemerkt dat het openbaar ministerie daarvan een (digitale) kopie kan maken.

13.3

Het oordeel van de rechtbank

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder de nummers 1 en 18 genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren toe aan de verdachte en zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvan hij wordt verdacht aangetroffen, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten als bewezenverklaard onder parketnummer 09/767275-17, onder 1 (Hawala-bankieren) en/of 4 en 5 (mensensmokkel), dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de voorwerpen genummerd 2 tot en met 8, 10 tot en met 17 en 19 verbeurdverklaren (te weten telefoons, notities en administratie), aangezien die aan de verdachte toebehoren en dat het onder parketnummer 09/767275-17, feit 1, bewezenverklaarde met behulp van die voorwerpen is begaan of voorbereid.

Tevens zal de rechtbank het geldbedrag van € 1.150,- (nummer 20) verbeurdverklaren, aangezien dat geldbedrag door middel van het onder parketnummer 09/767275-17, feit 1 en/of feit 3, bewezenverklaarde geheel of grotendeels is verkregen.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Teruggave aan de verdachte

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de teruggave van het onder nummer 9 vermelde arbeidscontract aan de verdachte moet worden gelast, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

14 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36d, 46a, 47, 57, 197a, 266, 285a, 300, 420bis.1, 420ter en 421 van het Wetboek van Strafrecht;

1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

2:3a Wet op het financieel toezicht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij rechtens golden dan wel gelden.

15 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 09/827550-17, onder 2, tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte

het onder parketnummer 09/767275-17, onder de feiten 1, 2, 3, 4 en 5;

het onder parketnummer 09/827550-17, onder de feiten 1 en 3;

het onder parketnummer 09/765005-19, onder de feiten 1 en 2,

tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 9. bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

parketnummer 09/767275-17:

ten aanzien van feit 1

medeplegen van een gewoonte maken van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht , terwijl dit feit opzettelijk wordt begaan;

ten aanzien van feit 2

het financieren van terrorisme, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3

van witwassen een gewoonte maken;

ten aanzien van feit 4

mensensmokkel, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5

mensensmokkel, meermalen gepleegd;

parketnummer 09/827550-17 (gev. ttz):

ten aanzien van feit 1

mishandeling;

ten aanzien van feit 3

een ander door bedreiging met geweld gericht tegen die ander wederrechtelijk dwingen iets te doen;

parketnummer 09/765005-19 (gev. ttz):

ten aanzien van feit 1

eenvoudige belediging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2

poging tot uitlokking van het opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (twaalf) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met

[naam 10] ( [geboortedatum 6] 1985), anders dan met tussenkomst van Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

en

- zich binnen vijf dagen na het uitspreken van dit vonnis meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag en zich hierna daar zal blijven melden op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

en

- zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als Reclassering Nederland nodig acht, onder behandeling stelt van de forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling, te bepalen door Reclassering Nederland, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

heft op het – onder parketnummer 09/767175-17 – geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de inbeslaggenomen goederen

verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder de nummers 2 tot en met 8, 10 tot en met 17, 19 en 20;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder de nummers 1 en 18;

gelast de teruggave aan de verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder nummer 9.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,

mr. D.C. Laagland, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2020.

Dit onderzoek heeft betrekking op de tenlastegelegde feiten onder parketnummer 09/767275-17.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Het betreft steeds pagina’s van het proces-verbaal onderzoek Dunajec met nummer DH5R017049 van de politie eenheid Den Haag, team Financieel-economische Criminaliteit (met bijlagen). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal Ambtshandelingen (AMB), doorgenummerde pagina’s A1 tot en met A3132.

AMB166, p. A1052 tot en met A1056; AMB167, p. A1060 tot en met A1069.

AMB193, p. A1376 tot en met A1385.

AMB180, p. A1275 tot en met A1278.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.

AMB392, p. A2903 tot en met A2911.

AMB393, p. A2912 tot en met A2930.

AMB193, p. A1382; AMB017, p. A157.

AMB193, p. A1382.

AMB292, p. A1862 t/m A1865.

Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019.

Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019.

AMB167, p. A1062 en A1063.

AMB167, p. A1063.

AMB167, p. A1063.

AMB216, p. A1555 t/m 1558.

AMB167, p. A1064 en A1065.

AMB167, p. A1067.

AMB167, p. A1065.

AMB167, p. A1066.

AMB168, p. A1107

AMB192, p. A1371 t/m A1374.

AMB193, p. A1377.

AMB193, p. A1378.

AMB193, p. A1378.

AMB194, p. A1424 en A1425.

AMB217, p. A1559 t/m 1562.

AMB180, p. A1276 en A1277.

AMB225, p. A1586; AMB398, p. A2973 en A2974; vertaling van de inhoud van de witte map, p. A.2993 t/m A3007.

AMB355, p. A2440.

Een afzonderlijk in het dossier gevoegd proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2020, met proces-verbaalnummer 843.

Zie ECLI:NL:GHDHA:2017:2854, bekrachtigd door de Hoge Raad (HR: ECLI:NL:HR:2019:906)).

Kennisdocument ‘Van opstand naar Jihad. (Jihadi-)Salafistische groepen in Syrië en Irak’ (met bijlagen) d.d. 18 januari 2018, opgesteld door [naam 55] (p. 1 tot en met 294), p. 38, 40, 44, 54 en 58.

AMB352, p. A2430.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.

AMB352, p. A2437.

AMB352, p. A2428 en A2429.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.

AMB352, p. A2432.

AMB415 d.d. 27 januari 2020, afzonderlijk in het dossier gevoegd.

AMB352, p. A2431.

AMB415 d.d. 27 januari 2020, afzonderlijk in het dossier gevoegd.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.

AMB352, p. A2432.

AMB415 d.d. 27 januari 2020, afzonderlijk in het dossier gevoegd.

AMB352, p. A2430.

AMB415 d.d. 27 januari 2020, afzonderlijk in het dossier gevoegd.

AMB166, p. A1052 tot en met A1056.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.

AMB198, p. A1448 tot en met p. A1455.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.

AMB198 (met bijlagen), p. A1479 rapport nader gehoor van de IND, als bijlage 2 gevoegd bij AMB 198.

AMB004, proces-verbaal van aangifte van [naam 10] , p. A66 tot en met A68; een foto, als bijlage gevoegd bij voornoemde aangifte waarop twee mannen (één in wit gekleed en één in zwart gekleed) zijn afgebeeld, p. A75.

AMB007, p. A116 tot en met A119.

AMB214, p. A1539 tot en met A1549.

AMB400, p. A3011 tot en met A3020.

AMB401, p. A3022 tot en met A3026.

AMB402, p. A3027 tot en met A3036.

AMB215, p. A1551.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.

AMB215, p. A1550 tot en met A1554.

AMB198, p. A1448 tot en met A1555.

AMB350, p. A2424 en A2425.

Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 26 juli 2019.

AMB408, p.A3092 t/m 3102.

Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 5 juli 2019.

AMB413, p. A3127 tot en met A3132.

AMB409, p. A3105 tot en met A3109.

Proces-verbaal verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019.

AMB410, p. A3111 tot en met A3118.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017258689, van de politie eenheid Den Haag, district Westland – Delft, districtsrecherche Westland – Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina’s 1 t/m 95).

Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het studioverhoor van [naam 11] , p. 70 tot en met 95.

Proces-verbaal van aanhouding [verdachte] , p. 8 tot en met 10; proces-verbaal van bevindingen, p. 32 tot en met 34.

Een foto, als bijlage gevoegd bij de onder voetnoot 3 gevoegde aangifte van [naam 10] , p. 29.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal ‘Kort Dossier’ (zaaksdossier belediging), met het nummer PL1500-2019013145, van de politie eenheid Den Haag, Team Financieel-economische Criminaliteit, opgenomen in onderzoeksdossier Dunajec (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 22).

Dit onderzoek heeft betrekking op de tenlastegelegde feiten onder parketnummer 09/767275-17.

Een afzonderlijk in het dossier gevoegd proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 maart 2019, proces-verbaalnummer 830.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal ‘zaaksdossier Beïnvloeding getuige’, van de politie eenheid Den Haag, Team Financieel-economische Criminaliteit, opgenomen in het onderzoeksdossier Dunajec (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 22).

Relaas proces-verbaal, p. 7.

Tapgesprek d.d. 11 november 2017, sessienummer 6, p. T185 en T186, opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal onderzoek ‘Dunajec’.

Tapgesprek d.d. 11 november 2017, sessienummer 70, p. T186 en T187, opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal onderzoek ‘Dunajec’.

Tapgesprek d.d. 11 november 2017, sessienummer 34, p. T188 en T189, opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal onderzoek ‘Dunajec’.

Tapgesprek d.d. 15 november 2017, sessienummer 31, p. T196 en T197, opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal onderzoek ‘Dunajec’.

Tapgesprek d.d. 25 november 2017, sessienummer 3, p. T479, opgenomen in het onder voetnoot 2 genoemde proces-verbaal onderzoek ‘Dunajec’.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature