< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Staatloze Palestijn uit Syrië. VAE gebruikelijke verblijfplaats. Art 1(D) Vluchtelingenverdrag. Daadwerkelijk bijstand UNRWA?

Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij niet direct voorafgaand of kort vóór het indienen van zijn asielaanvraag bijstand van de UNRWA heeft ontvangen. Eiser heeft immers op 18 juni 2014 Syrië verlaten en meer dan drie jaar later zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Dit betekent dat eiser, ondanks dat hij daadwerkelijk bescherming en/of bijstand van de UNRWA heeft gehad én dat deze is opgehouden vanwege omstandigheden buiten invloed en onafhankelijk van de wil van eiser, niet valt onder de insluitingsclausule van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft zich daarmee terecht op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor uitsluiting en insluiting van de vluchtelingenstatus. Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag is dan ook niet op eiser van toepassing. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest El Kott van het HvJEU.

Uit artikel 1A, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag volgt dat vreemdelingen, ook als zij geen nationaliteit bezitten, aannemelijk moeten maken dat zij een gegronde vrees hebben voor vervolging in het land waar zij hun gebruikelijke verblijfsplaats hebben. De Afdeling heeft reeds geoordeeld dat de VAE voor eiser een gebruikelijke verblijfplaats is. Er zijn in deze procedure geen nieuwe feiten aangedragen om tot een andere conclusie te komen. Niet aannemelijk is geworden dat eiser in de VAE heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. De gestelde problemen met zijn werkgever zijn bij het eerdere besluit ongeloofwaardig geacht. Dit staat reeds in rechte vast. Ook staat reeds in rechte vast dat voor zover eiser geen geldig verblijfsrecht meer heeft voor de VAE, onaannemelijk is dat hij die niet opnieuw zou kunnen krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in deze procedure niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen verblijfsrecht heeft voor de VAE.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.31447

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , geboren op [geboortedag] 1977, eiser

[V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Geçoğlu),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop Bij besluit van 17 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 19 juli 2017 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Daarnaast heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en dat geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Ook heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat verweerder aan hem een dwangsom van € 1.037,00 is verschuldigd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer NL19.31448.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de voorlopige voorziening, plaatsgevonden op 9 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Kadro. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het asielrelaas

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft op 19 juli 2017 in Nederland een asielaanvraag ingediend waaraan hij het volgende asielrelaas ten grondslag heeft gelegd. Eiser stelt dat hij [naam] is, dat hij is geboren in het vluchtelingenkamp Al Yarmouk in Damascus (Syrië), dat hij Soennitisch moslim is, dat hij behoort tot de bevolkingsgroep van de Arabieren en dat hij een staatloze Palestijn is. Verder heeft eiser verklaard dat hij van 2003 tot 15 september 2011 en van 18 juni 2014 tot en met 21 november 2016 in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) heeft gewoond en gewerkt op grond van een werkvergunning. Van 2003 tot 2011 was eiser locatieingenieur en van 2014 tot 2016 was eiser toezichthouder. Eiser is in september 2011 teruggegaan naar Syrië omdat hij had gesolliciteerd op een baan bij de overheid in Syrië. Van oktober 2011 tot 18 juni 2014 heeft eiser gewerkt als Engineer Assistant bij het ministerie van elektriciteit in Damascus. Verder heeft eiser verklaard dat hij op een dag samen met een aantal collega’s onderweg was naar Qudseya toen zij werden beschoten. Er is toen een gevecht ontstaan tussen Al Defaa Al Watani (Nationale defensie) en degenen die hen dood wilden schieten. Een paar dagen na dat incident hoorde eiser van zijn buurman [naam] dat het Al Nusra front en het Vrije Syrische leger hen wilden doden. Eiser en zijn collega’s waren een doelwit voor de oppositie omdat zij ambtenaren waren van de overheid en daardoor werden beschouwd als aanhangers van het regime. Eiser is toen samen met zijn zwangere vrouw en dochter naar Dahiyat Qudseya gegaan. Van november 2013 tot 18 juni 2014 heeft eiser daar gewoond. Op 18 juni 2014 is eiser naar de VAE gegaan vanwege de onveilige oorlogssituatie en omdat ze het financieel zwaar hadden. Eiser is in de VAE gaan werken en hoorde op een gegeven moment van een vrouwelijke collega uit Syrië dat zijn onbetaalde verlof was afgelopen en dat hij bij terugkomst verhoord zou worden door de inlichtingendienst of door militairen. Vervolgens heeft eiser contact opgenomen met [naam] , een militair die in Dahiyat Qudseya woont, en hem gevraagd of hij inderdaad werd gezocht. [naam] verzekerde hem toen dat dat het geval is. Vanwege problemen met zijn garantsteller en zijn financiële situatie, heeft eiser in november 2016 de VAE verlaten. Eiser is via Libanon, waar hij van 21 november 2016 tot 21 december 2016 heeft verbleven, Irak, en Turkije naar Nederland gereisd. Eiser is met een vervalst identiteitsdocument op naam van [naam] , van Franse nationaliteit, Nederland ingereisd. Eiser vreest bij terugkeer naar Syrië te worden gearresteerd door het regime, omdat hij zonder reistoestemming is vertrokken en vreest daarnaast voor de oppositie omdat zij hem willen doden.Het besluit van 9 februari 2018

Verweerder heeft op 23 november 2017 een voornemen uitgebracht en vervolgens in het besluit van 9 februari 2018 de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verweerder volgt eiser in zijn identiteit en Palestijnse afkomst en stelt dat er geen reden is om te twijfelen aan de burgerlijke staat en religie van eiser. Daarnaast heeft verweerder de VAE aangemerkt als de gebruikelijke verblijfplaats van eiser omdat hij daar het centrum van zijn activiteiten (wonen, werk, familie) heeft gehad. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in het bezit is van een verblijfsrecht voor de VAE dan wel dat hij niet opnieuw een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen. Verweerder ziet in hetgeen eiser is overkomen in de VAE ook geen aanleiding om eiser in het bezit te stellen van een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser hem heeft misleid zoals bedoeld in artikel 30b, aanhef en onder c, van de Vw 2000 door Nederland in te reizen op een vals Frans paspoort, te verzwijgen dat hij tot 21 september 2018 een verblijfsrecht heeft in de VAE, een paspoort te overleggen waaruit een geldig visum voor de VAE is verwijderd en vervolgens een kopie van dat visum te overleggen waarop de expiratiedatum onleesbaar is gemaakt. De eerdere uitspraak in beroep en hoger beroep

Bij uitspraak van 8 maart 2018 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht (NL18.2845), het door eiser tegen het besluit van 9 februari 2018 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 februari 2018 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op eisers asielaanvraag. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat verweerder ten onrechte de door eiser aangevoerde omstandigheden over zijn verblijf en banden met Syrië niet kenbaar heeft meegewogen en daarom ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de VAE voor eiser als gebruikelijke verblijfplaats moet worden aangemerkt. Vervolgens heeft verweerder tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen waarbij wordt bepaald dat hij in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank. Op 30 maart 2018 (201802214/2/V1) heeft de Afdeling het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.

De Afdeling heeft bij haar uitspraak van 19 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:557) het hoger beroep van verweerder gegrond verklaard, de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank vernietigd, het door eiser bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 9 februari 2018 vernietigd. De Afdeling heeft over het hoger beroep van verweerder onder andere het volgende geoordeeld: “(…) 5.3 De staatssecretaris heeft bij de beoordeling van de gebruikelijke verblijfplaats van de vreemdeling terecht van belang geacht dat de vreemdeling van 2003 tot 2011 en van 18 juni 2014 tot 20 november 2016 legaal in de VAE heeft verbleven, in dat land heeft gewerkt en van 2003 tot 2011 gezinsleven heeft uitgeoefend met zijn vrouw en kinderen, die met hem legaal in de VAE hebben verbleven. Verder heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omstandigheden dat de VAE aan de vreemdeling een rijbewijs hebben verstrekt en in het paspoort van de vreemdeling een e-gate sticker zit waarmee de vreemdeling de VAE via elektronische poorten kan in- en uitreizen voorts erop duiden dat het voor de vreemdeling gebruikelijk was zich in de VAE te bewegen en hij daar het centrum van zijn activiteiten had. Ook heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling nauwe banden had met de VAE, aangezien hij na beëindiging van een dienstbetrekking in Syrië met zijn gezin naar de VAE is teruggekeerd om daar te gaan wonen en werken en daar rechtmatig verblijf had tot en met 21 september 2018. Aldus heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling in de VAE het centrum van zijn activiteiten heeft gehad en dit land zijn gebruikelijke verblijfplaats is.

5.4

Dat de vreemdeling in Syrië is geboren, daar 29 jaar heeft verbleven en daarmee langer in Syrië dan in de VAE heeft verbleven, dat hij in Syrië een opleiding heeft gevolgd en daar zijn militaire dienstplicht heeft vervuld, is getrouwd en zijn kinderen in Syrië zijn geboren, betekent niet dat de staatssecretaris ten onrechte de VAE heeft aangemerkt als land van bestendig verblijf. Die omstandigheden nemen immers de onder 4.3 vermelde omstandigheden niet weg en doen daarom niet af aan de aard en duur van het verblijf van de vreemdeling in de VAE en zijn banden met dat land. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 9 februari 2018 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist. (…)”.

5. Verder heeft de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser hem heeft misleid zodat artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 op eisers aanvraag van toepassing is. Ook heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen met zijn werkgever ongeloofwaardig zijn en dat verweerder niet ten onrechte onaannemelijk heeft geacht dat eiser geen verblijfsrecht heeft voor de VAE. De reden daarvoor is dat het visum van eiser voor de VAE geldig is tot en met 21 september 2018, eiser heeft verklaard dat zijn werkgever tot op heden de autoriteiten van de VAE niet op de hoogte heeft gebracht van zijn vertrek en eiser niet heeft gestaafd dat zijn werkgever hem heeft ontslagen. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, voor zover eiser geen geldig verblijfsrecht meer heeft voor de VAE, onaannemelijk is dat eiser niet opnieuw een verblijfsrecht zou kunnen krijgen voor de VAE.

6. Tot slot heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of eiser daadwerkelijk bescherming en bijstand van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) heeft ontvangen en of dit is opgehouden om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van eiser zodat artikel 1(D) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (het Vluchtelingenverdrag) mogelijk op eiser van toepassing is. Standpunt van verweerder

7. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling heeft verweerder onderzoek gedaan naar de registratie van eiser bij de UNRWa. Uit dat onderzoek is gebleken dat eiser een Palestijnse vluchteling is die bij de UNRWA is geregistreerd in het vluchtelingenkamp Al Yarmouk. Vervolgens heeft verweerder een nieuw voornemen uitgebracht. In het voornemen van 12 november 2019 heeft verweerder vastgesteld dat het asielrelaas van eiser bestaat uit de volgende relevante elementen:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Ondervonden problemen in de Verenigde Arabische Emiraten.

8. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser in het bestreden besluit opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verweerder volgt eiser in zijn identiteit en Palestijnse afkomst en stelt dat er geen reden is om te twijfelen aan de burgerlijke staat en religie van eiser. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2019 heeft verweerder gesteld dat in rechte vaststaat dat de VAE de gebruikelijke verblijfplaats van eiser is. Verder neemt verweerder aan dat eiser daadwerkelijk bescherming of bijstand heeft genoten van de UNRWA en dat deze bescherming of bijstand is opgehouden vanwege omstandigheden buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil. Volgens verweerder is echter niet voldaan aan de derde voorwaarde. Niet is namelijk gebleken dat eiser onmiddellijk of kort voorafgaand aan de indiening van zijn asielaanvraag de bescherming van de UNRWA nog heeft genoten zodat de uitsluitingsgrond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag niet op hem van toepassing is. Als gevolg hiervan vindt de gewone asieltoets plaats. Nu de VAE kan worden beschouwd als eisers gebruikelijke verblijfplaats, wordt de VAE beschouwd als eisers land van herkomst en moet worden getoetst of eiser naar de VAE kan terugkeren. Verweerder stelt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling op het hoger beroep van eiser dat de verklaringen van eiser over de problemen met de werkgever in de VAE ongeloofwaardig zijn en dat de discriminatoire bejegening door de autoriteiten onvoldoende is om eiser aan te merken als vluchteling. Eiser heeft volgens verweerder evenmin aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tot slot stelt verweerder dat ook in rechte vaststaat dat op eisers asielaanvraag artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 van toepassing is. Gelet op het voorgaande komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Het standpunt van eiser

9. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser betoogt in beroep allereerst dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag niet op hem van toepassing is. Eiser is van mening dat hij heeft aangetoond dat de bescherming die hij van UNRWA heeft genoten, om redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil is opgehouden. Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag is inmiddels omgezet in artikel 12, eerste lid, onder a van Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn). In dat verband verwijst eiser naar de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak El Kott. Het standpunt van verweerder dat eiser niet onmiddellijk of kort voorafgaand aan de indiening van zijn asielaanvraag in Nederland de bescherming van de UNRWA heeft genoten, is niet in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) en de Guidelines van de UN High Commissioner of Refugees (UNHCR) van december 2017 ‘Applicability of Aricle 1D of the 1951 Convention relating tot he Status of Refugees tot Palestinian Refugees’, in het bijzonder paragraaf 3. Toen eiser gedwongen werd de VAE te verlaten, was het voor hem onmogelijk om terug te gaan naar Syrië om daar opnieuw bescherming te vragen. Eiser heeft Syrië niet vrijwillig verlaten en daar komt nog bij dat uit onderzoek van verweerder is gebleken dat UNRWA niet in staat is om Palestijnen in Syrië te beschermen. Eiser verwijst daarbij ook naar punt 143 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 25 juli 2018 in de zaak Alheto (C-585/16). Volgens eiser kan de VAE niet worden aangemerkt als een land dat bescherming of bijstand van de UNRWA erkent en het beginsel van non-refoulement toepast. Daarnaast voert eiser aan dat de VAE in zijn geval niet op juiste gronden als gebruikelijke verblijfplaats is aangemerkt. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar een brief van UNHCR Nederland en een COI note van de UNHCR in Amman. Eiser zal geen toegang krijgen tot de VAE. Tot slot heeft eiser een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

Het oordeel van de rechtbank

10. De rechtbank overweegt allereerst dat de verwijzing van eiser in het beroepschrift naar alles wat eerder in de procedure naar voren is gebracht onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op dient in te gaan. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op wat eiser naar voren heeft gebracht in onder andere de zienswijze en eiser heeft niet concreet aangegeven waarom de reactie van verweerder daarop niet voldoende is. De rechtbank zal zich daarom alleen richten op wat eiser in beroep concreet heeft aangevoerd.

10. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in geschil is of eiser, als staatloze Palestijn die is geregistreerd bij UNRWA, als vluchteling moet worden aangemerkt en dus of de insluitingsgrond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is, of de VAE voor eiser het land is waar hij zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft en of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen toegang zal krijgen tot de VAE.Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag

10. Op grond van artikel 1D, eerste volzin, van het Vluchtelingenverdrag is dit verdrag niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen. In de tweede volzin staat vermeld dat wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, deze personen van rechtswege onder dit verdrag zullen vallen.

13. Het Hof heeft in punt 51 van het arrest van 17 juni 2010 in de zaak Bolbol (ECLI:EU:C:2010:351) overwogen dat uit de duidelijke bewoordingen van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag volgt dat alleen degenen die daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp hebben ingeroepen onder de in dat artikel genoemde grond voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus vallen. De bepaling moet strikt worden uitgelegd en kan niet tevens betrekking hebben op personen die enkel voor die bescherming of bijstand in aanmerking komen of kwamen.

13. In punt 52 van het arrest van 19 december 2012 in de zaak El Kott (ECLI:EU:C:2012:826) heeft het Hof overwogen dat de neergelegde uitsluiting van de vluchtelingenstatus in artikel 12, eerste lid, onder a, eerste volzin, van de Kwalificatierichtlijn, dat de evenknie is van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag, niet alleen van toepassing is op personen die thans de door UNRWA verleende bijstand genieten, maar ook op degenen die deze bijstand hebben genoten kort vóór het indienen van een asielverzoek in een lidstaat, voor zover die bijstand niet is opgehouden als bedoeld in de tweede volzin van dat artikel. De bijstand is opgehouden in de zin van de tweede volzin van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag als het orgaan of de instelling die de bescherming of bijstand verleent is opgeheven of als het orgaan of de instelling onmogelijk zijn opdracht kan volbrengen (punt 56). De bijstand is ook opgehouden in de zin van de tweede volzin als de bijstand is opgehouden door dwingende omstandigheden buiten de wil van de betrokken persoon, die hem ertoe dwingen het gebied waarin de UNRWA werkzaam is, te verlaten (punten 58 en 59). Om uit te maken of de bijstand of bescherming daadwerkelijk is opgehouden in de zin van die bepaling, dienen de bevoegde nationale autoriteiten en rechterlijke instanties na te gaan of het vertrek van de betrokken persoon zijn rechtvaardiging vindt in redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil die hem dwingen dat gebied te verlaten en hem op die manier beletten de door de UNRWA verleende bijstand te genieten (punt 61).

13. In punt 90 van het arrest van 25 juli 2018 in de zaak Alheto (ECLI:EU:C:2018:584) heeft het Hof overwogen dat artikel 12, eerste lid, onder a, van de Kwalificatierichtlijn meebrengt dat bij de behandeling van een asielverzoek dat is ingediend door een persoon die bij de UNRWA is geregistreerd, onderzoek nodig is naar de vraag of deze persoon daadwerkelijk bescherming of bijstand van de UNRWA geniet.

13. Het voorgaande komt – kort gezegd – op het volgende neer. Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag bepaalt dat personen die de bijstand of bescherming genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties, zoals de UNRWA, uitgesloten dienen te worden van de vluchtelingenstatus. Deze uitsluiting geldt echter niet wanneer de bijstand of bescherming van de UNRWA om welke reden dan ook is beëindigd. In het arrest El Kott is uitgelegd in welke gevallen de bijstand is opgehouden als bedoeld in artikel 1(D), tweede volzin, van het Vluchtelingenverdrag. Wanneer van dit laatste sprake is, dienen die personen van rechtswege als vluchtelingen te worden erkend, tenzij hij of zij op grond van artikel 1(E) en 1(F) van het Vluchtelingenverdrag dient te worden uitgesloten. Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag bevat dus niet alleen een uitsluitingsgrond maar ook een insluitingsgrond.

13. De Afdeling leidt uit de arresten Bolbol en El Kott af dat een vreemdeling is uitgesloten van de werking van het Vluchtelingenverdrag als de betreffende vreemdeling direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van een asielverzoek daadwerkelijk bijstand van UNRWA heeft ontvangen, voor zover die bijstand niet is opgehouden om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van die vreemdeling (zie de uitspraak van 19 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:447).

13. Verweerder heeft in paragaaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) zijn beleid opgenomen ten aanzien van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag. Dit beleid is verder uitgewerkt in Werkinstructie 2019/13. Volgens paragraaf C2/3.2 van de Vc 2000 is artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag in de huidige praktijk van toepassing op de staatloze Palestijnse vreemdeling die onder het mandaat valt van de UNRWA. Het beleid en de werkinstructie komen erop neer dat in elke zaak zal moeten worden beoordeeld of artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Valt de vreemdeling daar niet onder, dan volgt de “normale” asieltoets. Dat houdt in dat na de artikel 1D-toets, wordt getoetst aan vluchtelingschap (a-grond) en de b-grond. Als de uitsluitingsgrond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is, volgt de “1D-toets”. Als de vreemdeling het UNRWA-gebied vrijwillig heeft verlaten, wordt de vreemdeling geacht nog onder de bescherming van de UNRWA te vallen en wordt de asielaanvraag afgewezen voor zover het de a-grond betreft. De toets aan de b-grond vindt dan nog wel plaats. Als de vreemdeling het UNRWA-gebied niet vrijwillig heeft verlaten, leidt dat ertoe dat de vreemdeling wordt erkend als vluchteling zonder verdere toetsing van de asielmotieven.

13. Omdat eiser is geregistreerd bij de UNRWA, moet onderzocht worden of hij daadwerkelijk bescherming van de UNRWA ontvangt en of die bescherming is opgehouden om redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil. Verweerder gaat er in het onderhavige geval vanuit dat eiser daadwerkelijk bescherming of bijstand van de UNRWA heeft gehad én dat deze is opgehouden vanwege omstandigheden buiten invloed en onafhankelijk van de wil van eiser. Volgens verweerder is echter niet voldaan aan de derde voorwaarde voor insluiting van de vluchtelingenstatus, aangezien niet is gebleken dat eiser deze bescherming of bijstand van UNRWA heeft gehad onmiddellijk of kort voorafgaand aan het indienen van zijn asielaanvraag.

13. Eiser heeft verklaard dat hij is geboren in het vluchtelingenkamp Al Yarmouk in Damascus (Syrië) en dat hij van 2003 tot 15 september 2011 en van 18 juni 2014 tot 20 november 2016 legaal in de VAE heeft verbleven op grond van een werkvergunning. In september 2011 is eiser teruggekeerd naar Syrië omdat hij had gesolliciteerd bij de overheid in Syrië. Op 18 juni 2014 heeft hij Syrië weer verlaten en is hij naar de VAE gegaan vanwege de onveilige oorlogssituatie en omdat hij het financieel zwaar had. Vervolgens heeft eiser in november 2016 de VAE verlaten wegens problemen met zijn garantsteller en zijn financiële situatie. Ook heeft eiser verklaard dat het voor hem onmogelijk was om vanuit de VAE terug te keren naar Syrië om daar opnieuw bescherming te vragen en dat de UNRWA niet in staat is om Palestijnen in Syrië te beschermen.

13. Uit de verklaringen van eiser volgt naar het oordeel van de rechtbank dat hij niet direct voorafgaand of kort vóór het indienen van zijn asielaanvraag op 19 juli 2017 bijstand van de UNRWA heeft ontvangen. Eiser heeft immers op 18 juni 2014 Syrië verlaten en meer dan drie jaar later zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Dit betekent dat eiser, ondanks dat hij daadwerkelijk bescherming en/of bijstand van de UNRWA heeft gehad én dat deze is opgehouden vanwege omstandigheden buiten invloed en onafhankelijk van de wil van eiser, niet valt onder de insluitingsclausule van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft zich daarmee terecht op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor uitsluiting en insluiting van de vluchtelingenstatus. Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag is dan ook niet op eiser van toepassing.

13. Eisers betoog dat de voorwaarde dat hij de bijstand van de UNRWA direct voorafgaand of kort vóór het indienen van zijn asielaanvraag moet hebben ontvangen niet in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof en de Guidelines van de UNHCR van december 2017, volgt de rechtbank niet. Uit het arrest El Kott van het Hof volgt immers duidelijk dat de uitsluiting van de vluchtelingenstatus alleen van toepassing is op personen die bijstand van de UNRWA genieten of die deze bijstand kort vóór het indienen van hun asielverzoek hebben genoten. Dat geldt ook voor de insluitingsclausule van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag. De stelling dat het voor eiser onmogelijk was om vanuit de VAE terug te keren naar Syrië om daar bescherming te vragen leidt evenmin tot een ander oordeel. Dat neemt namelijk niet weg dat eiser in juni 2014, en dus niet kort voor het indienen van zijn asielaanvraag, voor het laatst de bescherming van de UNRWA heeft genoten. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat hij niet kan terugkeren naar een vluchtelingenkamp in Syrië omdat de UNRWA niet in staat is om Palestijnen in Syrië te beschermen, overweegt de rechtbank dat aan de beoordeling daarvan in dit kader niet wordt toegekomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar overweging 4.4 van de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:447.

13. Dat eiser niet onder de reikwijdte van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag valt betekent niet dat aan hem automatisch, zonder verdere individuele beoordeling, een asielvergunning moet worden verleend. Het betekent dat zijn asielaanvraag moet worden beoordeeld op grond van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Uit artikel 1A, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag volgt dat vreemdelingen, ook als zij geen nationaliteit bezitten, aannemelijk moeten maken dat zij een gegronde vrees hebben voor vervolging in het land waar zij hun gebruikelijke verblijfsplaats hebben. Dit is de ‘gewone’ asieltoets. De rechtbank zal hierna eerst bespreken welk land als gebruikelijke verblijfplaats van eiser moet worden aangemerkt, nu partijen hierover verdeeld zijn.Gebruikelijke verblijfplaats

13. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in haar uitspraak van 19 februari 2019, onder verwijzing naar het ‘UNHCR Handbook and Guidelines on procedures and criteria for determining refugee status’ (UNHCR Handbook) en de ‘UNHCR Guidelines on statelessness no. 4’ (UNHCR Guidelines), reeds heeft geoordeeld dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser in de VAE het centrum van zijn activiteiten heeft gehad en dat dit land als zijn gebruikelijke verblijfplaats kan worden aangemerkt. De Afdeling heeft daarbij ook expliciet overwogen dat uit paragraaf 41 van de hiervoor genoemde Guidelines van de UNHCR volgt dat het begrip 'gebruikelijke verblijfplaats' feitelijk moet worden uitgelegd en gaat over een stabiele, feitelijke verblijfplaats van een vreemdeling. Door de uitspraak van de Afdeling staat derhalve vast dat de VAE de gebruikelijke verblijfplaats van eiser is.

25. De rechtbank begrijpt eisers betoog in beroep en de daarbij overgelegde brief van UNHCR Nederland en de COI note aldus dat eiser stelt dat de Afdeling in de uitspraak van 19 februari 2019 een onjuist criterium heeft gehanteerd bij de vaststelling van de VAE als gebruikelijke verblijfplaats van eiser. Voor een dergelijke beoordeling is in onderhavige procedure echter geen plaats. Onderhavige procedure kan immers niet dienen als een verkapt hoger beroep op de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling. De rechtbank overweegt daarnaast dat eiser in onderhavige procedure geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen die nog niet bij de Afdeling bekend waren en die, als die omstandigheden bij de Afdeling bekend waren geweest, tot een andere uitkomst hadden geleid. Ook in zoverre ziet de rechtbank dan ook geen aanknopingspunten om te komen tot een andersluidend oordeel dan de Afdeling.

25. De rechtbank merkt in dit kader tot slot nog op dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vraag of eiser feitelijk toegang zal (kunnen) krijgen tot de VAE geen rol speelt bij de vraag of de VAE als gebruikelijke verblijfplaats kan worden aangemerkt, daargelaten dat de Afdeling hierover reeds heeft geoordeeld in de uitspraak van 19 februari 2019. Uit het UNHCR Handbook en de UNHCR Guidelines blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat voor het aanmerken van een gebruikelijke verblijfplaats onvoorwaardelijke toegang een voorwaarde is. De vraag of eiser toegang zal krijgen tot de VAE is wel van belang bij de beoordeling of er bij terugkeer naar de VAE een risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en zal dan ook bij de ‘gewone’ asieltoets worden beoordeeld. De ‘gewone’ asieltoets

25. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar de VAE heeft te vrezen voor vervolging. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 februari 2019 reeds geoordeeld dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen met zijn werkgever in de VAE ongeloofwaardig zijn. Dat oordeel staat in rechte vast. Eiser heeft in beroep geen argumenten aangedragen waarom zijn gestelde problemen in de VAE toch geloofwaardig zouden moeten worden geacht.

25. Over de stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar de VAE niet zal worden toegelaten en een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 19 februari 2019 geoordeeld dat verweerder niet ten onrechte onaannemelijk heeft geacht dat eiser geen verblijfsrecht heeft voor de VAE, aangezien het visum van eiser voor de VAE geldig was tot en met 21 september 2018, eiser heeft verklaard dat zijn werkgever tot op heden de autoriteiten van de VAE niet op de hoogte heeft gebracht van zijn vertrek en hij niet heeft gestaafd dat zijn werkgever hem heeft ontslagen. Ook heeft verweerder volgens de Afdeling niet ten onrechte gesteld dat, voor zover eiser geen geldig verblijfsrecht meer heeft voor de VAE, onaannemelijk is dat hij die niet opnieuw zou kunnen krijgen. Het voorgaande staat in rechte vast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in deze procedure niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen verblijfsrecht heeft voor de VAE. Zo heeft eiser geen nieuwe informatie of documenten overgelegd waaruit blijkt dat zijn werkgever de VAE inmiddels op de hoogte heeft gebracht van zijn vertrek en zijn werkgever hem heeft ontslagen. Ook heeft eiser niet alsnog aannemelijk gemaakt dat hij, voor zover hij geen geldig verblijfsrecht meer heeft, dit niet opnieuw kan verkrijgen door opnieuw werk in de VAE te vinden. De door eiser in dit verband overgelegde landeninformatie biedt naar het oordeel van de rechtbank daartoe onvoldoende grond, nu hieruit tevens blijkt dat er in geval van werk een werkvisum kan worden verstrekt waarmee eveneens rechtmatig verblijf in en toegang tot de VAE kan worden verkregen. Eiser heeft verder in beroep ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij geen toegang zal krijgen tot de VAE een afwijzing van een visumaanvraag van 25 februari 2020 overgelegd. Uit dit document blijkt echter dat deze afwijzing de aanvraag van een toeristenvisum betreft. Met deze afwijzing heeft eiser derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij niet opnieuw een werkvergunning, eventueel bij zijn oude werkgever, en daarmee samenhangend visum, kan krijgen waarmee hij toegang tot en rechtmatig verblijf in de VAE kan krijgen. Tot slot heeft verweerder in dit verband terecht opgemerkt dat wanneer eiser meent dat hij Nederland buiten zijn schuld niet kan verlaten omdat hij geen toegang (meer) heeft tot de VAE en die ook niet kan verkrijgen, hij daartoe een strekkende aanvraag kan indienen bij verweerder.

25. Voorts begrijpt de rechtbank eisers nadere toelichting ter zitting zo dat hij een beroep doet op punt 140 van het arrest Alheto en dat hij betoogt dat er sprake is van indirect refoulement wanneer hij naar de VAE wordt gestuurd terwijl hij daar geen toegang heeft. Eiser vreest dat hij door de VAE zal worden teruggestuurd naar Syrië, waar hij niet veilig is. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij geen verblijfsrecht meer heeft in de VAE dan wel dat hij niet opnieuw verblijfsrecht in de VAE zou kunnen verkrijgen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen reëel risico is dat eiser in de VAE zal worden teruggestuurd naar Syrië omdat hij geen toegang tot en verblijfsrecht in de VAE heeft. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van indirect refoulement.

25. Ook anderszins heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de VAE te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Het gelijkheidsbeginsel

25. Tot slot heeft eiser een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. In de zienswijze heeft eiser vier namen, waarvan één met V-nummer, genoemd van personen die in dezelfde situatie als eiser zouden verkeren en waarbij positief is beslist op hun asielaanvragen. In beroep heeft eiser daar twee nieuwe namen en geboortedata aan toegevoegd met het verzoek aan verweerder om aan te geven waarom deze aanvragen wel zijn ingewilligd en die van eiser niet.

25. Zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft gesteld, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat het hier gaat om gelijke gevallen. Met het uitsluitend naar voren brengen van namen, geboortedata en soms een V-nummer, zonder dat is geconcretiseerd waarom het zou gaan om gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld, is eiser daarin niet geslaagd. Dat het voor eiser lastig zou zijn om aan deze gegevens te komen, ontslaat eiser niet van de verplichting een dergelijk beroep op het gelijkheidsbeginsel nader te onderbouwen. Het is immers eiser die stelt dat de genoemde gevallen gelijk zijn. Dan mag ook van eiser worden verwacht dat hij toelicht waaruit die gelijkheid bestaat. Nu eiser dit heeft nagelaten ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om verweerder op te dragen een nadere toelichting te geven op de gestelde inwilligingen van de asielaanvragen van de door eiser in beroep genoemde vreemdelingen. De conclusie

33. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting naar de VAE een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Omdat eiser verweerder heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden, heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

33. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.S. Abbing, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar geschied op: 21 september 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature