< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Vovo toelating (maatschappelijke) opvang afgewezen. Geen aanleiding voor twijfel aan de conclusie dat verzoekster genoeg zelfredzaam is.

Uitspraak



REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4947

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster] mede in de hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoekster

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Catakli).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toegelaten te worden tot de (maatschappelijke) opvang afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. J. Kruseman als waarnemer van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Aanleiding

2. Verzoekster en haar kinderen zijn in 2019 vanuit Curaçao naar Nederland gekomen om zich te vestigen in [provincie] . Na aankomst in Nederland hebben zij gelogeerd bij verschillende familieleden en kennissen, waaronder in [plaats 2] bij de zus van verzoekster. Verzoekster en haar kinderen verblijven op dit moment bij mevrouw [A] in [plaats 1] . Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat zij tot uiterlijk 7 september 2020 hier kan blijven.

Eerdere procedure

3. Verzoekster heeft op 17 april 2020 een eerdere aanvraag gedaan om toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). In dat kader is een Wmo-rapportage opgesteld, waarin staat dat verzoekster een redelijk netwerk heeft; naast haar zus in [plaats 2] heeft zij vrienden/kennissen in [plaats 3] , [plaats 1] , [provincie] en [plaats 4] . Verzoekster geeft aan geen problemen te ervaren op psychisch gebied, er is geen sprake van middelengebruik en geen problemen met (het opvoeden van) de kinderen. Verzoekster geeft aan wel schulden te hebben. In de Wmo-rapportage wordt geconcludeerd dat verzoekster niet dakloos is, omdat zij nog terecht kan in haar netwerk. Verzoekster lijkt op basis van de door haar verstrekte informatie zelfredzaam genoeg. Zij kampt met een huisvestingsprobleem, aldus de rapportage. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 1 mei 2020 afgewezen, omdat verzoekster nog op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of met hulp van personen uit haar sociale netwerk kan voorzien in de behoefte aan opvang.

Het bestreden besluit

4. In het bestreden besluit heeft verweerder weer besloten verzoekster en haar kinderen geen toegang te verlenen tot de maatschappelijke opvang. Volgens verweerder is de situatie niet gewijzigd ten opzichte van het eerdere besluit van 1 mei 2020. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar eigen netwerk niet meer in haar opvang kan voorzien. Verder heeft verzoekster volgens verweerder nog geen aanvraag voor een woning in [provincie] ingediend. Ten slotte is volgens verweerder niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan verzoekster is aangewezen op opvang in Den Haag.

Het verzoek

5. Verzoekster voert aan dat haar netwerk is uitgeput. Verder klopt het niet dat zij geen aanvraag voor een woning in [provincie] heeft ingediend, aangezien zij een makelaar heeft benaderd om een woning te vinden. Verzoekster betoogt verder dat zij (ook) heeft gevraagd om noodopvang. Volgens haar voert verweerder het beleid ‘geen kind op straat’ en heeft zij op basis hiervan recht op noodopvang.

5.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang op grond van de Wmo 2015. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat hiervoor bepalend is of zij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar kinderen te voorzien. De Wmo 2015 is niet bedoeld om een oplossing te bieden voor schaarste op de woningmarkt waardoor het niet lukt om woonruimte te vinden (zie de uitspraak van 13 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3446). Verweerder heeft in de Wmo-rapportage in het kader van het besluit van 1 mei 2020 aan de hand van het criterium beperkte zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden getoetst of verzoekster in staat is zich te handhaven in de samenleving. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding voor twijfel aan de conclusie dat verzoekster genoeg zelfredzaam is.

5.2.

Verweerder heeft ter zitting een toelichting gegeven op het beleid ‘geen kind op straat’. Dit beleid houdt in dat voor een korte periode noodopvang wordt geregeld voor gezinnen met kinderen die niet in aanmerking komen voor opvang op grond van de Wmo 2015 en die daadwerkelijk op straat staan. Niet in geschil is dat verzoekster en haar kinderen op dit moment niet daadwerkelijk op straat staan, omdat zij bij mevrouw [A] kunnen verblijven. Dit betekent dat verzoekster op grond van het beleid ‘geen kind op straat’ niet in aanmerking komt voor noodopvang.

5.3.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor zover al sprake is van een spoedeisend belang aangezien verzoekster en haar kinderen op dit moment kunnen verblijven bij mevrouw [A] , geldt dat verweerder zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet in aanmerking komt voor opvang op grond van de Wmo 2015 of noodopvang.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is op 27 augustus 2020 gedaan door mr. J. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature