< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Dublin Roemenië – tussenuitspraak – verweerder moet zich nader vergewissen - de rechtbank verwijst naar de tussenuitspraak van 30 september 2020 in een vergelijkbare zaak – het verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2020 volstaat niet als motivering dat in de onderhavige zaak mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

De rechtbank acht, gelet op de verschillende grondslagen tussen het claimverzoek en het claimakkoord, de vaststelling dat niet blijkt uit het dossier dat eiser in Roemenië is gehoord over zijn asielmotieven en de door hem overgelegde informatie over de gevolgen als hij zou zijn gehouden een opvolgende aanvraag in te dienen in Roemenië, het noodzakelijk nader te worden geïnformeerd over de stand waarin de asielprocedure zich na een mogelijke overdracht zal bevinden.

De rechtbank kan de vraag of verweerder in de procedure van eiser onverkort kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië en of van hem kan en mag worden verwacht dat hij in Roemenië klaagt pas beoordelen nadat de feiten zijn vastgesteld. Aan verweerder kan worden toegegeven dat eiser zijn gestelde detentie niet met documenten kan onderbouwen. De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee echter een te zware bewijslast bij eiser legt. Indien mocht blijken dat de Roemeense autoriteiten asielzoekers na grensoverschrijding zonder wettelijke grondslag detineren totdat de vingerafdrukken worden afgestaan, zich daarbij schuldig maken aan ernstige mishandelingen en de vreemdeling aansluitend onder uitreiking van een schriftelijk bevel sommeren het land binnen 48 uur te verlaten is het namelijk weinig realistisch om te verwachten dat de Roemeense autoriteiten deze mogelijke onrechtmatige detentie op schrift zullen stellen en zullen uitreiken aan de vreemdeling om hem daarmee in staat te stellen zijn verweer tegen een overdrachtsbesluit in een andere lidstaat te onderbouwen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel ontslaat verweerder niet van zijn gehoudenheid om een kritische grondhouding aan te nemen ten aanzien van de andere lidstaten als hem uit openbare informatie genoegzaam bekend is en/of kan zijn dat wellicht sprake is van het niet voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn, de Procedurerichtlijn, het Handvest en het EVRM. Verweerder zal dit ook moeten betrekken bij zijn standpunt of van eiser daadwerkelijk kan worden verwacht dat hij in Roemenië klaagt, ondanks dat het vaste jurisprudentie is dat dit in zijn algemeenheid wel kan worden verwacht van vreemdelingen. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen zich nader te vergewissen van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden voor zover hij heeft verklaard dat hij is gedetineerd.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.16233

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1987 en van Syrische nationaliteit, eiser,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van Zijl).

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 31 augustus 2020 beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL20.16234.

Verweerder heeft op 28 september 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft verklaard dat hij Syrië in 2014 heeft verlaten en dat hij via Turkije, Griekenland, Roemenië en Servië naar Nederland is gereisd. Op 11 april 2020 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, Vw 2000 waarin staat dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder op 2 juni 2020 een verzoek om terugname gedaan bij Roemenië, omdat uit Eurodac (Europese Dactyloscopie) blijkt dat eiser daar op 24 maart 2020 vingerafdrukken heeft afgegeven wat is geregistreerd als een asielaanvraag. Roemenië heeft dit verzoek op 16 juni 2020 aanvaard. In het claimakkoord is verzocht om gelet op Covid-19 af te zien van overdracht tot nader bericht.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Verweerder heeft eiser in verband met de Corona-maatregelen telefonisch gehoord. Eiser voert aan dat dit gehoor niet zorgvuldig is verlopen omdat eiser uitgebreider had willen verklaren over zijn negatieve ervaringen in Roemenië en stelt zich hierbij op het standpunt dat sprake is van schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en wil daarom aanvullend gehoord worden. Verweerder heeft aangegeven dat eiser alle gelegenheid heeft gehad om zijn relaas, voor zover dat relevant is voor de beoordeling welke lidstaat verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag, naar voren te brengen in het gehoor. Verweerder heeft –ook- ter zitting daaraan toegevoegd dat in de zienswijze niet concreet is gesteld wat eiser nog meer had willen verklaren. De rechtbank overweegt dat los van deze discussie tussen partijen eiser in ieder geval – onder meer – het navolgende heeft verklaard:

(…)

U heeft vingerafdrukken afgestaan in Roemenië. Dit is het eerste land binnen Europa waar uw vingerafdrukken zijn geregistreerd. De Nederlandse autoriteiten zullen de autoriteiten van Roemenië vragen u terug te nemen.

(…)

Toen ik daar was ben ik mishandeld, geslagen. Ze hebben mijn documenten afgenomen en vingerafdrukken genomen. Ze hebben gezegd dat de vingerafdrukken bedoeld zijn omdat zij wilden dat wij het land zouden verlaten. Vervolgens ben ik naar Servië gestuurd.

(…)

Ik was in Hongarije. De Hongaren hadden mij terug naar Roemenië gestuurd. In Roemenië ben ik geslagen. Ze hebben vingerafdrukken afgenomen. Ik ben analfabeet. Ze hebben gezegd dat de vingerafdrukken nodig waren om mij een beschikking tot vertrek te geven. Na de vingerafdrukken ben ik naar Servië uitgezet.

(…)

Uit Eurodac is gebleken dat dat u op 24 maart 2020 een verzoek om internationale bescherming hebt ingediend in Roemenië. Wanneer bent u in Roemenië aangekomen?

Hongarije had ons uitgeleverd aan Roemenië. Om 12 uur ’s nachts hebben de Roemenen mij ergens gebracht en geslagen. Ik heb gevraagd waarom word ik geslagen? Wat is het doel van de vingerafdrukken? In gebarentaal zeiden ze je moet het land binnen 48 uur verlaten. Ik kan niet lezen of schrijven. Ze hebben tegen mij gelogen en me geslagen.

(…)

Heeft u documenten ontvangen van de Roemeense autoriteiten?

Ja. Ik had een briefje. Hierop stond dat ik het land binnen 48 uur moest verlaten. Ik ben deze brief in het water kwijtgeraakt.

Hebben de autoriteiten van Roemenië u verteld dat u terug zou moeten keren naar uw land van herkomst?

Nee. In Roemenië hebben ze mijn vingerafdrukken afgenomen, geslagen en ze hebben mij bij de Servische grens gegooid.

Heeft u opvang gehad in Roemenië?

Ik zat alleen in een gevangenis. Wij werden als criminelen behandeld en niet als mensen.

Hoe lang heeft u in detentie gezeten?

Drie of vier dagen. Voor twee dagen had ik geen eten.

(…)

Ook wordt u mogelijk overgedragen aan de autoriteiten van Roemenië. Heb ik het goed begrepen dat u niet naar Roemenië wilt terugkeren omdat ze u daar mishandeld hebben?

Ze hebben mij uitgekleed. Ik was daar bloot. In mijn blootje. Ze hebben mijn telefoon ingenomen en alles wat ik bij mij had afgenomen.

(…)

5. Eiser heeft zich in de gronden van beroep – onder verwijzing naar de relevante passages in het rapport van Asylum Information Database (AIDA) van 29 april 2020 – op het standpunt gesteld dat blijkt van push-backs door de Roemeense autoriteiten en dat na overdracht sprake zal zijn van indirect refoulement. Eiser heeft als bijlage bij de gronden van beroep twee foto’s gevoegd waarvan hij stelt dat hij de persoon op de foto is en dat beide foto’s zijn gemaakt na de mishandelingen door de Roemeense autoriteiten. Op één foto is te zien dat een man die buiten op de grond ligt ernstige bloeduitstortingen op zijn onderrug heeft die de hele breedte van zijn onderrug bestrijken. Op de andere foto is een bloeduitstorting en een diepe beschadiging van de huid op de kuit waarneembaar. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat hij ook restanten van verwondingen met een sigaret op zijn arm heeft die zijn toegebracht door de Roemeense autoriteiten.

6. De rechtbank constateert dat aan eiser in het aanmeldgehoor op 18 mei 2020 niet is gevraagd of hij door de Roemeense autoriteiten is gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft evenmin spontaan verklaard dat hij in Roemenië is gehoord over zijn asielmotieven. Hij heeft verklaard dat hij na afstaan van zijn vingerafdrukken is opgedragen Roemenië te verlaten en dat ook heeft gedaan. Verweerder heeft op basis van de registratie in Eurodac van een asielaanvraag van eiser een claimverzoek gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening bij de Roemeense autoriteiten ingediend. In artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening is – kort gezegd – bepaald dat de lidstaat die een verzoek heeft afgewezen verplicht is tot terugname van de vreemdeling als die in de claimende lidstaat (ook) een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft niet verklaard dat hij is gehoord en een afwijzing heeft gehad; hij stelt aansluitend aan het afstaan van de vingerafdrukken Roemenië te hebben (moeten) verlaten. In het voornemen is overwogen dat uit verklaringen van eiser zou zijn gebleken dat zijn asielaanvraag is afgewezen en dat hij is uitgeprocedeerd in Roemenië (zie voornemen, pagina). In het bestreden besluit is enkel herhaald dat uit de registratie in Eurodac blijkt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. De rechtbank stelt vast dat het dossier geen gegevens bevat waaruit kan worden afgeleid dat de Roemeense autoriteiten eiser hebben gehoord en op grond daarvan de asielaanvraag van eiser hebben behandeld en afgewezen, zodat de keuze voor deze grondslag van het claimverzoek zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat het claimakkoord is gebaseerd op artikel 18, eerste lid onder c, van de Dublinverordening en dat dit betekent dat zijn asielprocedure in Roemeni ë is beëindigd. Onder verwijzing naar de relevante passages in het AIDA-rapport van 29 april 2020 en door overlegging van een afwijzende beschikking die een andere asielzoeker in Roemenië heeft ontvangen in een vergelijkbare situatie heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij door dit claimakkoord na overdracht een opvolgende aanvraag zal moeten doen. In dat geval zal het besluit geen opschortende werking hebben en hierdoor zal ook het recht op opvang niet zijn gewaarborgd. Eiser stelt dat de Roemeense autoriteiten blijkens de grondslag van het claimakkoord geen garantie hebben gegeven om zijn asielverzoek in behandeling te nemen maar enkel de verplichting tot terugname hebben aanvaard. Verweerder stelt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en als de Roemeense autoriteiten in strijd met hun juridische verplichtingen handelen eiser hierover dient te klagen bij de (hogere) Roemeense autoriteiten.

7. De rechtbank acht, gelet op de verschillende grondslagen tussen het claimverzoek en het claimakkoord, de vaststelling dat niet blijkt uit het dossier dat eiser in Roemenië is gehoord over zijn asielmotieven en de door hem overgelegde informatie over de gevolgen als hij zou zijn gehouden een opvolgende aanvraag in te dienen in Roemenië, het noodzakelijk nader te worden geïnformeerd over de stand waarin de asielprocedure zich na een mogelijke overdracht zal bevinden. De rechtbank kan deze beroepsgrond pas te gronde beoordelen nadat de feiten zijn vastgesteld. Daarom zal de rechtbank verweerder, gelet op de grondslag van het claimakkoord, het gebrek aan onderbouwing in het dossier voor deze grondslag en de onderbouwing van de beroepsgrond door eiser, opdragen zich nader te vergewissen van de fase waarin de asielprocedure van eiser zich in Roemenië bevindt en de feitelijke en juridische gevolgen daarvan voor eiser.

8. Verweerder mag in beginsel ten aanzien van Roemenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat verweerder dit in zijn geval niet kan. Verweerder heeft zich ten aanzien van de gestelde detentie in het voornemen en besluit – kort gezegd – overwogen dat eiser zijn relaas niet met documenten heeft onderbouwd, dat hij overigens hierover kan en moet klagen in Roemenië en dat dit relaas ook geen aanknopingspunten biedt voor de stelling dat sprake is van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) en artikel 3 EVRM .

9. De rechtbank kan de vraag of verweerder in de procedure van eiser onverkort kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië en of van hem kan en mag worden verwacht dat hij in Roemenië klaagt pas beoordelen nadat de feiten zijn vastgesteld. Aan verweerder kan worden toegegeven dat eiser zijn gestelde detentie niet met documenten kan onderbouwen. De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee echter een te zware bewijslast bij eiser legt. Indien mocht blijken dat de Roemeense autoriteiten asielzoekers na grensoverschrijding zonder wettelijke grondslag detineren totdat de vingerafdrukken worden afgestaan, zich daarbij schuldig maken aan ernstige mishandelingen en de vreemdeling aansluitend onder uitreiking van een schriftelijk bevel sommeren het land binnen 48 uur te verlaten is het namelijk weinig realistisch om te verwachten dat de Roemeense autoriteiten deze mogelijke onrechtmatige detentie op schrift zullen stellen en zullen uitreiken aan de vreemdeling om hem daarmee in staat te stellen zijn verweer tegen een overdrachtsbesluit in een andere lidstaat te onderbouwen. Verweerder zal zich er, gelet op de gestelde ernst van de persoonlijke ervaringen van eiser, de onderbouwing hiervoor in het AIDA-rapport en de bewijspositie van eiser zich nader van moeten vergewissen van hetgeen hij in Roemenië stelt te hebben moeten ondergaan. De rechtbank betrekt hierbij dat het mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet betekent dat verweerder niet gehouden is om zich –steeds- rekenschap te geven van de vraag of Roemenië zich daadwerkelijk aan zijn juridische verplichtingen houdt indien eiser gemotiveerd en onder verwijzing naar algemene landeninformatie stelt dat in zijn geval de verantwoordelijke lidstaat in strijd met Europese richtlijnen, het Handvest en het EVRM heeft gehandeld. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel ontslaat verweerder niet van zijn gehoudenheid om een kritische grondhouding aan te nemen ten aanzien van de andere lidstaten als hem uit openbare informatie genoegzaam bekend is en/of kan zijn dat wellicht sprake is van het niet voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn, de Procedurerichtlijn, het Handvest en het EVRM. Verweerder zal dit moeten betrekken bij zijn standpunt of van eiser daadwerkelijk kan worden verwacht dat hij in Roemenië klaagt, ondanks dat het vaste jurisprudentie is dat dit in zijn algemeenheid wel kan worden verwacht van vreemdelingen. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen zich nader te vergewissen van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden voor zover hij heeft verklaard dat hij is gedetineerd.

10. In het verweerschrift heeft verweerder voorts verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2020:1804) ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij ten aanzien van Roemenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank overweegt, zoals ook besproken ter zitting, dat het in de zaak die voorlag bij de Afdeling grotendeels om een ander feitencomplex ging. De beoordeling van de Afdeling in die zaak ziet voornamelijk op de rechtsvraag of sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië. Voor zover het interstatelijk vertrouwensbeginsel overigens aan de orde is geweest, is –kennelijk- alleen een beroep gedaan op landeninformatie uit 2018. De Afdeling noemt in deze uitspraak specifiek dat een beroep is gedaan op het “Country Report: Romania, februari 2018” van Asylum Information Database. Ook benoemt de Afdeling het rapport “Country Report in Human Rights Practices” van de US Departement of State, maar hierbij is niet vermeld van welke datum dit landenrapport is dat aan de orde is gesteld. De Afdeling heeft overwogen dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de door de vreemdeling aangehaalde rapporten en genoemde omstandigheden niet kan worden afgeleid dat hij ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Verder kan de rechtbank uit de uitspraak van de Afdeling niet afleiden wanneer het onderzoek in die zaak is gesloten en of overige, niet door de vreemdeling overgelegde, openbaar toegankelijke landeninformatie is betrokken bij de beoordeling door de Afdeling. De Afdeling heeft de landeninformatie waar eiser in de onderhavige zaak een beroep op doet niet – kenbaar – betrokken bij de uitspraak en overigens is in die zaak geen discussie over het claimakkoord en de stand van de asielprocedure na overdracht aan de orde geweest. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat uit de door de vreemdeling genoemde omstandigheden ook niet kan worden afgeleid dat hij niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In die zaak heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht opnieuw in detentie terecht zal komen en de detentieomstandigheden in strijd zijn met artikel 3 EVRM . De rechtbank beschikt echter niet over de verklaringen die de vreemdeling in die procedure heeft afgelegd en de beoordeling hiervan door verweerder en constateert verder dat het besluit dat in die procedure ter toetsing voorlag dateert van 29 november 2019. Verweerder heeft in de onderhavige procedure niet onderbouwd dat het feitencomplex en de landeninformatie die in de procedure bij de Afdeling aan de orde zijn geweest vergelijkbaar zijn met het relaas van eiser en de informatie waar hij zich op beroept. De enkele verwijzing naar deze uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2020 brengt om bovengenoemde reden niet met zich mee dat verweerder reeds gelet op deze uitspraak van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en eiser in de onderhavige zaak reeds daarom niet aannemelijk kan maken dat dit ten aanzien van hem anders is. De rechtbank is ambtshalve bekend met de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2020 (ECLI:NL:RVS2020:131) waarin het ook ging om een overdrachtsbesluit aan Roemenië, maar in die zaak is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. In de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4458) is alleen geoordeeld of de medische situatie van de vreemdeling aan de overdracht aan Roemenië in de weg staat. De daaraan voorafgaande meest recente (gepubliceerde en dus voor de rechtbank kenbare) uitspraak van de Afdeling waarin een Dublinoverdracht aan Roemenië aan de orde is gesteld, betreft de uitspraak van 13 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:834). In die uitspraak, waarbij het ging om het hoger beroep tegen een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 7 augustus 2018, heeft de Afdeling geconcludeerd dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gelet op het tijdsverloop tussen die uitspraak van 13 maart 2019 en de onderhavige procedure van eiser dient verweerder zelf – na zich te hebben vergewist van concrete feiten en omstandigheden – een nader standpunt in te nemen en te motiveren waarom hij uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondanks het relaas van eiser en de onderbouwing hiervoor met een landenrapport van AIDA van 29 april 2020. De rechtbank is niet op de hoogte of de Afdeling in de periode tussen 13 maart 2019 en het onderzoek ter zitting op 6 oktober 2020 in de onderhavige procedure uitspraken van rechtbanken, waarin is geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië onverkort van toepassing is, met een zogenaamde artikel 91, tweede lid, Vw 2000-motivering heeft bevestigd omdat deze uitspraken niet worden gepubliceerd. Ook om deze reden volstaat de verwijzing van verweerder naar de jurisprudentie van de Afdeling niet om te onderbouwen dat hij nog altijd mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië.

11. De rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken dat op 30 september 2020 door deze rechtbank en zittingsplaats uitspraak is gedaan in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBDHA:2020:9526). In die zaak verschillen de grondslag van het claimverzoek en het claimakkoord ook. Tevens heeft in die zaak de vreemdeling ook verklaard dat hij door de Hongaarse autoriteiten is overgedragen aan de Roemeense autoriteiten die hem vervolgens detineerden totdat hij bereid was vingerafdrukken af te staan en hem vervolgens is aangezegd zich onmiddellijk naar Servië te begeven. In beide zaken verklaren de vreemdelingen dat zij zonder te zijn gehoord zijn gedetineerd, dat het afstaan van vingerafdrukken de invrijheidstelling tot gevolg heeft gehad en dat direct na afstaan van de vingerafdrukken, zonder in staat te zijn gesteld om een asielrelaas naar voren te brengen, door de Roemeense autoriteiten een document waarin een vertrekplicht is opgenomen is afgegeven. In beide zaken hebben de Roemeense autoriteiten in het claimakkoord aangeven dat de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend maar – kort gezegd – door te vertrekken hun aanvraag hebben ingetrokken en het dossier om die reden is gesloten. De rechtbank heeft ter zitting nader uitgelegd waarom in de andere zaak is overgegaan tot het doen van een tussenuitspraak om zodoende verweerder in de gelegenheid te stellen zich te vergewissen van de stand van de asielprocedure na een mogelijke overdracht en om de Roemeense autoriteiten te vragen of eiser is gedetineerd totdat hij zijn vingerafdrukken heeft afgestaan, op welke juridische grondslag de detentie is bevolen en onder welke omstandigheden de detentie heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft daarop ter zitting aangegeven dat gelet op de overeenkomsten tussen beide zaken en het feitencomplex dat ten grondslag heeft gelegen aan de bovengenoemde uitspraak van de rechtbank hij zich kan voorstellen dat ook in deze zaak een tussenuitspraak wordt gedaan en verweerder wordt opgedragen zich nader te vergewissen. Verweerder heeft aangegeven zich daarom in de onderhavige procedure niet te verzetten tegen het doen van een tussenuitspraak.

12. Eiser en zijn gemachtigde hebben in reactie hierop en op vragen van de rechtbank eveneens aangegeven akkoord te zijn met het doen van een tussenuitspraak. De rechtbank heeft eiser uitgelegd dat de rechtbank voornemens is in zijn zaak een tussenuitspraak te doen, maar dat verweerder ook na deze uitspraak nog kan aangeven niet aan de opdracht van de rechtbank te willen voldoen en een einduitspraak te vragen om zodoende hoger beroep in te kunnen stellen. Ook bestaat de mogelijkheid dat de Roemeense autoriteiten de vragen die verweerder moet stellen niet beantwoorden of in de beantwoording het relaas van eiser niet bevestigen. Tot slot is ook denkbaar dat verweerder, in plaats van zich te vergewissen of een einduitspraak te vragen, het overdrachtsbesluit intrekt en eiser toelaat tot de nationale procedure. Verweerder heeft op vragen van de rechtbank aangegeven dat thans geen zicht is op de proceshouding die verweerder na deze uitspraak zal innemen. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat hij begrijpt dat hij hierover op dit moment geen duidelijkheid kan verkrijgen.

13. Gelet op het dossier, het verhandelde ter zitting en de rechtsvragen die voorliggen zal de rechtbank verweerder opdragen om zich door middel van het stellen van vragen aan de Roemeense autoriteiten nader te vergewissen van het navolgende:

Is het correct dat eiser door de Hongaarse autoriteiten aan de Roemeense autoriteiten is overgedragen?

Is eiser aansluitend aan het eerste contact met de Roemeense autoriteiten gedetineerd? Zo ja, op welke grondslag, gedurende welke periode en onder welke omstandigheden?

Heeft eiser indien hij gedetineerd is geweest toegang gehad tot een tolk, een arts en een advocaat?

Indien eiser gedetineerd is geweest wat is de directe aanleiding geweest voor beëindiging van de detentie?

Is eiser nadat hij zijn vingerafdrukken heeft afgestaan aangezegd te vertrekken uit Roemenië en zich naar Servië te begeven? Zo ja, heeft eiser hiervan een document gehad, zo ja, kan daarvan een kopie worden verstrekt aan de Nederlandse autoriteiten?

Is eiser gehoord op zijn asielaanvraag? Wat is de stand van zaken waarin de asielprocedure van eiser zich zal bevinden als hij wordt overgedragen?

Dient eiser na overdracht een opvolgende asielaanvraag in te dienen of wordt de procedure die een aanvang heeft genomen met de asielaanvraag op 24 maart 2020 heropend?

In het claimakkoord is vermeld dat in verband met Covid 19 wordt verzocht de overdracht tot nader order uit te stellen. Is thans voorzienbaar dat op 16 december 2020 deze situatie onverkort van toepassing is?

14. De rechtbank gaat er van uit dat verweerder (gemachtigde van) eiser en de rechtbank op de hoogte houdt van zijn handelen. De rechtbank verzoekt verweerder de gestelde vragen en de door de Roemeense autoriteiten gegeven antwoorden integraal toe te voegen aan het digitale dossier zodra deze beschikbaar zijn. De rechtbank zal vervolgens in overleg met partijen bepalen of een nadere behandeling ter zitting wenselijk is of dat partijen willen volstaan met een nadere schriftelijke reactie.

15. De rechtbank acht het niet opportuun om thans de overige beroepsgronden te bespreken.

16. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op zich nader ter vergewissen, zoals aangegeven in rechtsoverweging 13;

- houdt ieder verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. B.J. Groothedde, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 7 oktober 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak kunnen partijen géén hoger beroep instellen. Hoger beroep is slechts mogelijk tegelijk met het hoger beroep tegen de nog te wijzen einduitspraak.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature