< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden voor deelname aan de terroristische organisatie Islamitische Staat en voorbereidingshandelingen tot het plegen van een terroristisch misdrijf. Verdachte is van 30 mei 2014 tot 15 juni 2016 tot bij IS verbleven. Op een aanmeldformulier van de verdachte bij IS staat hij opgegeven als fighter. Er zijn aanwijzingen dat hij in een trainingskamp van IS heeft gezeten. In het dossier zitten veel foto’s waarop de verdachte gewapend en in gevechtskleding te zien is. Verder zitten er belastende chats in het dossier. Daarin praat hij over het goede leven in Syrië, de strijd, dat het knallen wordt als de Turken aanvallen. Hij is op verschillende plaatsen in Syrië en Irak is geweest die onder controle van IS stonden. Vrijspraak voor ronselen voor de gewapende strijd.

Geen sprake van ne bis in idem, ondanks veroordeling in Turkije, aangezien de straf niet volledig ten uitvoer is gelegd in Turkije. Wel houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de tijd die de verdachte in Turkije heeft vastgezeten

Uitspraak



Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/748004-18

Datum uitspraak: 23 juli 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Vught" te Vught.

Onderzoeksnaam: 26Neptunium

1 Vooraf

In het voorjaar van 2011 is in Syrië een opstand begonnen tegen het regime van president Bashar al-Assad (hierna: Assad). Het regime probeerde de roep om hervormingen met grof geweld de kop in te drukken, maar dit bracht het verzet niet tot zwijgen. Al snel mondde het van beide kanten uit in geweldplegingen. In de daaropvolgende jaren bleven geweldplegingen plaatsvinden en deze breidden zich geleidelijk uit naar (delen van) het grondgebied van Irak. Reeds in de loop van 2012 werd duidelijk dat diverse jihadistische strijdgroepen in toenemende mate betrokken waren bij de opstand. Veel van deze jihadistische strijdgroepen worden gezien als terroristische organisatie. Vanuit meerdere strijdgroepen werden wereldwijde oproepen gedaan om deel te nemen aan de gewapende strijd. Die oproepen hadden tot gevolg dat een groot aantal personen uitreisde - waaronder uit Nederland - naar het strijdgebied in Syrië en Irak om daar als zogenaamde ‘foreign fighters’ deel te nemen aan de strijd. In juni 2014 had de groepering Islamitische Staat (hierna: IS) in Irak en de Levant (ISIL) meerdere delen van Syrië en Irak in handen en doopte zich op 29 juni 2014 om tot IS. Na 2016 begon IS steeds meer gebied te verliezen en eind 2018 viel uiteindelijk het bolwerk van IS.

De verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij is uitgereisd vanuit Nederland en heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten één van de jihadistische strijdgroepen die destijds in Syrië en Irak actief waren en dat hij twee personen heeft geronseld voor de gewapende jihadstrijd.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 oktober 2018 (pro forma),

9 januari 2019 (pro forma), 18 februari 2019 (pro forma), 13 mei 2019 (pro forma) en

8 en 9 juli 2019 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft aldaar kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. N. Vogelenzang en L.B. Haneveld (hierna aangeduid als: de officier van justitie) en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. Y. Özdemir naar voren is gebracht.

Verwijzing naar bewijsmiddelen geschiedt in voetnoten. Voorts wordt in eindnoten verwezen naar literatuur en jurisprudentie. Die verwijzingen geschieden zo veel mogelijk volgens de Leidraad voor juridische auteurs.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na de nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt deel uit van dit vonnis. Kort gezegd is aan de verdachte ten laste gelegd:

- medeplegen van deelname aan een organisatie IS, Islamic State of lraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of lraq and Levant (ISIL) of Al Qaida (AQ) of Ha’yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham (beiden voorheen Jabhat al Nusra, JaN) en/of een aan voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep) die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (feit 1 eerste cumulatief/alternatief);

- medeplegen van voorbereiding dan wel bevordering van moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk (feit 1 tweede cumulatief/alternatief);

- ( (medeplegen van) het werven voor de gewapende jihadstrijd van twee met name genoemde personen (feit 2).

3 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1

Standpunt van de verdediging

3.1.1

Ne bis in idem

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte wegens strijd met artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr). De verdediging voert daartoe – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende aan. Er is sprake van vervolging voor hetzelfde feit als waarvoor verdachte in Turkije is veroordeeld. Voorts is het hoger beroep/cassatieberoep (de verdediging gebruikt beide termen) door de verdachte ingetrokken waardoor het Turkse vonnis een definitief karakter heeft. Daarmee is aan de voorwaarde van onherroepelijkheid voldaan. Daarbij komt dat de verdachte zijn straf in Turkije heeft ondergaan. Turkije heeft weliswaar niet vermeld dat de verdachte zijn straf volledig heeft uitgezeten of afziet van verdere tenuitvoerlegging, maar dat laat onbesproken dat het Openbaar Ministerie Turkije niet heeft verzocht om de tenuitvoerlegging van het vonnis over te nemen (de rechtbank begrijpt: over te dragen) dan wel om informatie over de resterende straf. Ten slotte had het Openbaar Ministerie ervoor kunnen kiezen de verdere executie van het vonnis in Nederland te laten plaatsvinden. Vervolging omdat de verdachte zijn straf nog niet volledig heeft uitgezeten is dan ook in strijd met de geest van de wet, met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en met de uitgangspunten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM).

3.1.2

Rechtsmacht

De verdediging voert aan (naar de rechtbank begrijpt over het onder feit 1 tenlastegelegde) dat Nederland geen rechtsmacht heeft op basis van artikel 2 WvSr , aangezien de feiten zouden zijn gepleegd buiten Nederland, noch op basis van artikel 3 WvSr , aangezien er geen sprake is van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig waar een misdrijf zijn gepleegd, evenmin op basis van artikel 5 WvSr , aangezien er geen Nederlandse slachtoffers zijn gemaakt, of op grond van artikel 7 WvSr , aangezien er geen sprake is van dubbele strafbaarheid omdat de verdachte volgens Syrisch recht voldoet aan de voorwaarde dat hij wordt vrijgesteld van strafoplegging. De verdachte heeft immers, nadat hij was overgelopen naar het Vrije Syrische Leger informatie gegeven met betrekking tot IS’ers. Met betrekking tot de vraag of Nederland rechtsmacht heeft op grond van artikel 6 WvSr , voert de verdediging aan dat de nieuwe regeling inzake de vestiging van extraterritoriale rechtsmacht per 1 juli 2014 in werking is getreden. De tenlastegelegde periode begint echter op 1 mei respectievelijk 1 januari 2014. Tot 1 juli 2014 is derhalve de oude rechtsmacht regeling van artikel 4, sub 13 (oud) WvSr op de verdachte van toepassing, zodat er naar de mening van de verdediging geen rechtsmacht bestaat voor - zo begrijpt de rechtbank althans het verweer - onderdeel E eerste cumulatief/alternatief en F tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde.

3.2

Standpunt van de officier van justitie

3.2.1

Ne bis in idem

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van dubbele vervolging in de zin van artikel 68 WvSr. De officier van justitie stelt in dat kader voorop dat artikel 68 WvSr een strakke regel is, waarbij uit de jurisprudentie niet volgt dat de reikwijdte van dat artikel ruimer kan worden opgevat dan de wettekst. Volgens de officier van justitie is er aan verschillende vereisten van artikel 68 WvSr niet voldaan. In de eerste plaats is het maar de vraag of sprake is van hetzelfde feit gelet op de in het Turkse vonnis tenlastegelegde periode. Verder is nog niet duidelijk of het Turkse vonnis onherroepelijk is geworden. Ook is geen sprake van gehele uitvoering van de straf. Een groot deel van de opgelegde straf is nog niet uitgezeten en de Turkse autoriteiten hebben niet ondubbelzinnig laten weten dat de straf volledig ten uitvoer is gelegd.

3.2.2

Rechtsmacht

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat Nederland ook voor de periode vóór 1 juli 2014 ten aanzien van feit 1 rechtsmacht heeft om tot vervolging over te gaan en verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank in de zogenaamde Contextzaak. Feit 2 is ook in Nederland gepleegd, zodat ook voor dat feit rechtsmacht bestaat.

3.3.1

Het oordeel van de rechtbank

Ne bis in idem

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of het ne bis in idem-beginsel is geschonden enkel betrekking kan hebben op de tenlastegelegde deelname aan een terroristische organisatie (feit 1 eerste cumulatief/alternatief). De verdachte is immers in Turkije alleen veroordeeld voor deelname aan een gewapende terroristische organisatie.

Het ne bis in idem-beginsel of het verbod van dubbele vervolging, zoals dat onder meer is neergelegd in artikel 68 WvSr , houdt in dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit. Het beginsel is alleen van toepassing als sprake is van een criminal charge als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM . De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank te Kĭlĭs (Turkije) van17 mei 2018 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en drie maanden wegens deelname aan een gewapende terroristische organisatie. Daarmee is zonder meer aan het vereiste van criminal charge voldaan.

Teneinde vervolgens de vraag te beantwoorden of het beginsel van ne bis in idem in het geding is, moet in de onderhavige zaak worden bezien in hoeverre sprake is van hetzelfde feit, of er sprake is van een onherroepelijke veroordeling en of de opgelegde straf is gevolgd door gehele uitvoering, gratie of verjaring.

Hetzelfde feit

De Hoge Raad geeft in zijn arrest van 1 februari 2011, onder verwijzing naar Europese rechtspraak, een toetsingsmaatstaf voor het begrip hetzelfde feit. De Hoge Raad zet in voormeld arrest uiteen dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’, de rechter in de situatie waarop artikel 68 WvSr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten dient te vergelijken.

Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Indien de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak voor wat betreft de tenlastegelegde deelname aan een terroristische organisatie sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 WvSr. Uit het Turkse vonnis van 17 mei 2018 volgt dat de veroordeling van de verdachte betrekking heeft op het naar Syrië afreizen, dat hij naar Rakka (de rechtbank begrijpt dat hiermee Raqqa wordt bedoeld) is geweest, een tweewekelijkse opleiding heeft gevolgd in religie en sharia, is opgeleid in het gebruik van een kalasjnikov, in de streek Haseke de wacht heeft gehouden en dat men van plan was hem te sturen naar Kobani voor de strijd met PKK/PYD. De conclusie van de meervoudige kamer in voormeld vonnis is dat de verdachte naar Syrië is gegaan om zich aan te sluiten bij de terroristische organisatie IS. Gezien het feitencomplex waar van uit is gegaan in het Turkse vonnis, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat dit feitencomplex valt onder de gedraging die de verdachte door het Openbaar Ministerie wordt verweten onder feit 1 eerste cumulatief/alternatief. Dat in het vonnis 1 november 2016 wordt genoemd als pleegdatum, doet daar gezien de inhoud van het vonnis niet aan af.

Onherroepelijkheid

Niet in geschil is dat de verdachte het hoger beroep tegen het vonnis van 17 mei 2018 heeft ingetrokken. Voor zover de verdediging bedoelt te betogen dat daarmee sprake is van een vonnis in kracht van gewijsde, volgt de rechtbank dat betoog niet. De verdediging heeft zelf ter zitting meegedeeld dat hij nog geen bevestiging heeft ontvangen van de advocaat in Turkije dat de zaak daar onherroepelijk is geworden met de intrekking van het hoger beroep. Ook het Openbaar Ministerie heeft een dergelijk bericht niet ontvangen van de Turkse autoriteiten. Ter terechtzitting van 9 juli 2019 is door de officier van justitie daarover nog toegelicht dat zij in afwachting is van een bericht dat de betreffende Turkse rechters bevestigen dat de veroordeling onherroepelijk is geworden. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het vereiste van onherroepelijkheid zoals bepaald in artikel 68 WvSr . Zelfs als het vonnis wel onherroepelijk is (geworden), dan is daarmee nog geen sprake van een ontoelaatbare dubbele vervolging. Er geldt nog een aanvullende eis als het gewijsde afkomstig is van een andere rechter dan de in het eerste lid van dat artikel genoemde rechter. De rechtbank gaat daar onder het volgende kopje op in.

Veroordeling in Turkije

Naar het oordeel van de rechtbank laat de tekst van artikel 68, tweede lid, WvSr op het punt van de volledige tenuitvoerlegging van de straf geen ruimte voor een andere of ruimere interpretatie. Integendeel, dat de eis van volledige tenuitvoerlegging onverkort geldt valt af te leiden uit een recent arrest van de Hoge Raad.

Zoals eerder vermeld heeft de rechtbank in Turkije de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en drie maanden. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte op 2 november 2016 in Turkije is aangehouden en 17 mei 2018, de dag van het vonnis, is vrijgelaten. De verdachte heeft van de volledige opgelegde straf dus nog niet een derde deel uitgezeten. De rechtbank volgt de verdediging dan ook niet in zijn stelling dat de verdachte zijn straf in Turkije heeft ondergaan. Voorts is niet gebleken van objectieve en verifieerbare gegevens waaruit volgt dat Turkije afziet van executie van de resterende aan de verdachte opgelegde straf of hem gratie heeft verleend dan wel dat de opgelegde straf is verjaard. Uit de stukken van het geding rijst ook niet een (rechtstreeks en ernstig) vermoeden dat aan deze voorwaarde is voldaan.

De eis dat de straf volledig ten uitvoer moet zijn gelegd is voorts, anders dan de verdediging meent, niet in strijd met de uitgangspunten van het EHRM over artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat Nederland het Zevende Protocol niet heeft geratificeerd, zodat dat protocol niet doorwerkt in het Nederlandse recht. Dat laat echter onverlet dat de rechtspraak van het EHRM over die bepaling van belang kan zijn voor de gedachtevorming over de toepassing van artikel 68 WvSr . Echter juist uit de door de verdediging aangehaalde rechtspraak van het EHRM volgt dat sprake moet zijn van een onherroepelijke veroordeling voordat überhaupt sprake kan zijn van schending van het ne bis in idem-beginsel. Dat is zoals hiervoor is overwogen in de onderhavige zaak niet aan de orde.

Verder moet voor ogen worden gehouden dat een buitenlands vonnis in Nederland ingevolge het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) alleen ten uitvoer kan worden gelegd voor zover de rechterlijke beslissing in die staat voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Reeds gelet op het feit dat op het moment van het instellen van vervolging in Nederland van de verdachte het Turkse vonnis nog niet onherroepelijk was, kon het Openbaar Ministerie niet kiezen voor overname van de tenuitvoerlegging van dat vonnis in plaats van de verdachte te vervolgen ter zake van hetzelfde feit in Nederland.

Voorwaardelijk verzoek tot heropening

Gelet op het voorgaande is het niet noodzakelijk dat kennis wordt genomen van het antwoord op de vraag of het hoger beroep definitief is ingetrokken. De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek om het onderzoek te heropenen teneinde bevestiging van de onherroepelijkheid van de Turkse autoriteiten te krijgen daarom af.

Conclusie

Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat de onderhavige strafvervolging geen inbreuk vormt op het beginsel dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor hetzelfde feit, zoals neergelegd in artikel 68 WvSr . Het Openbaar Ministerie is in zoverre ontvankelijk.

3.3.2

Rechtsmacht

Aan de verdachte is deelname aan een terroristische organisatie en voorbereidingshandelingen voor het plegen van een terroristisch misdrijf ten laste gelegd, gepleegd in Syrië en/of Irak en/of Turkije en/of België en/of Duitsland en/of Nederland.

De onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten zijn blijkens artikel 83 WvSr terroristische misdrijven. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van

10 december 2015 reeds uitvoerig overwogen waarom Nederland ten aanzien van dergelijke misdrijven, ook indien deze zijn gepleegd vóór 1 juli 2014 en buiten Nederland, rechtsmacht heeft. Kort gezegd komen deze overwegingen op het volgende neer. Op 1 juli 2014 is de herziene regeling van de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet in werking getreden, in het bijzonder het nieuwe artikel 6 WvSr en artikel 4, tweede lid van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (hierna: het Besluit). Ingevolge de laatstgenoemde bepaling is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander (of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft) die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een terroristisch misdrijf. De rechtbank acht het, zoals gemotiveerd is uiteengezet in voormeld vonnis, gerechtvaardigd aan deze bepaling terugwerkende kracht toe te kennen.

Het onder 2 tenlastegelegde feit betreft ingevolge artikel 83b WvSr een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Nederland heeft ook in dit geval rechtsmacht op grond van artikel 6 WvSr en artikel 4, tweede lid, van het Besluit.

Conclusie

Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat Nederland ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten rechtsmacht heeft. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk.

4. Deelname aan een terroristische organisatie en voorbereidingshandelingen voor terroristische misdrijven

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie ISIL (dat later is uitgeroepen tot Islamitische Staat), en dat hij voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor terroristische misdrijven.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 eerste alternatief/cumulatief en tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte weliswaar is afgereisd naar ISIL (later IS), maar daaraan niet heeft deelgenomen zoals bedoeld in artikel 140 en 140a WvSr. De verdachte heeft verklaard dat hij hier enkel naar toe is gegaan voor humanitaire doeleinden en dat hij gedurende zijn verblijf enkel in de medische sector heeft gewerkt.

4.3

De beoordeling van de tenlastelegging

4.3.1

Inleiding

De verdachte worden gedragingen verweten die zouden zijn gepleegd vanaf 1 januari 2014 tot en met 1 november 2016. Voor wie ook maar een beetje het nieuws over Syrië heeft gevolgd en zijn ogen daarvoor niet heeft gesloten, moet het al ver voor die periode volstrekt duidelijk zijn geweest dat de jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden. Veel van de misdaden van de jihadistische strijdgroepen stonden in geen enkele relatie tot de strijd tegen het leger van president Assad, maar kwamen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden. Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst. De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van The Human Rights Council van de Verengde Naties heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population”.

De rechtbank zal in paragraaf 4.3.2 tot enkele algemene vaststellingen komen. In de daaropvolgende paragraaf zal het toetsingskader voor de tenlastegelegde feiten worden geschetst, waarna de rechtbank dat kader zal toepassen op de zaak.

4.3.2

Algemene vaststellingen

De rechtbank zal hieronder uiteenzetten welke stukken zich in het dossier bevinden en tot welke vaststellingen zij kan komen. In de voetnoten zijn verwijzingen naar bewijsmiddelen opgenomen. Wanneer wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld het ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) met het nummer LERCA15024, van de Dienst Landelijke Recherche met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 980).

Door de politie is geverbaliseerd dat zij op 28 juni 2014 met de ouders van de verdachte hebben gesproken naar aanleiding van diens vermissing.Uit nadere gesprekken met zijn ouders en zus ontstond de verdenking dat de verdachte via Antwerpen en Düsseldorf via Turkije was uitgereisd naar Syrië en zich aldaar had aangesloten bij IS. Tijdens die gesprekken heeft de vader van de verdachte verklaard dat de verdachte in enkele maanden tijd onder invloed is gekomen van ronselaars, die opereerden in of bij een bekende moskee in Antwerpen. De verdachte vertelde dat hij bijeenkomsten bezocht en lezingen volgde in Antwerpen en zijn baard liet staan, aldus de vader van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting van 8 juli 2019 verklaard dat hij de reis naar Syrië heeft gemaakt. De verdachte heeft echter ontkend dat hij zich als strijder heeft aangesloten bij IS en heeft verklaard dat hij enkel heeft gewerkt bij een ziekenhuis.

In juli 2018 werd door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst een ambtsbericht verstrekt met betrekking tot door de Verenigde Staten van Amerika verkregen persoonsgegevens - bestaande uit een aanmeldformulier - dat mogelijk betrekking zou hebben op de verdachte. Op dit formulier is vermeld dat Muhammad [achternaam verdachte], geboren in 1994, zich op 30 mei 2014 bij de ‘general border’ te Tall Abyad heeft aangemeld bij ISIL als ‘fighter’.Voorts hebben verbalisanten de beschikking gekregen over een lijst afkomstig van Sky News met daarop duizenden namen van Foreign Terrorist Fighters die zich kennelijk bij ISIS in Syrië hadden aangemeld. Op basis van die lijst is de verdachte geïdentificeerd als de persoon op die zogenoemde Sky list. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij daar inderdaad bij de grens is geweest en het aanmeldformulier over hem is opgemaakt. Het gaat volgens de verdachte hier om een standaardprocedure. Hij ontkent echter dat hij zich heeft opgegeven als fighter.

In het dossier zit een door de politie opgemaakte mutatie van 22 juli 2014 waarin de vader van de verdachte tegenover de politie heeft gemeld dat hij via Facebook in contact is gekomen met ene [persoon 3], die hem heeft verteld dat de verdachte in een trainingskamp zit. De vader van de verdachte heeft later tegenover de politie bevestigd dat de verdachte in een trainingskamp heeft gezeten voor de duur van zes weken en dat de verdachte hierna weer contact opnam.

In het dossier bevinden zich voorts verschillende foto’s van de verdachte waarop hij te zien is in gevechtskleding en met vuurwapens in zijn handen. Op sommige foto’s is ook te zien dat de verdachte de moslimgroet met (rechter) wijsvinger omhoog maakt, het zogenaamde Tawhid-gebaar. Deze foto’s zijn onder meer aangetroffen op de telefoon van zijn vader. Ook op het Facebook-account van ‘[voornaam verdachte] South’, welk account door de zus van de verdachte voor hem is aangemaakt, zijn verschillende foto’s geplaatst van de verdachte in gevechtskleding en met wapens in zijn handen. Ter terechtzitting heeft de verdachte niet ontkend dat hij op deze foto’s te zien is op de wijze zoals hiervoor omschreven. Het betreft hier volgens de verdachte echter stoerdoenerij.

Daarnaast heeft de verdachte tussen 24 augustus 2015 en 27 oktober 2015 in een chatgesprek met [persoon 4] het volgende geschreven:

“Ik fiks alles. Ik ga je in mijn team gooien”.

“Hier trouwen alles broer. Goeie leven. Strijden. Paradijs is sha allah”.

Op 15 augustus 2015 is op het Facebook-profiel '[voornaam verdachte] South' een chatgesprek gestart met '[persoon 2]'. Hierin heeft '[persoon 2]' aan '[voornaam verdachte] South' gevraagd of het nog steeds gevaarlijk is 'daar' en of hij nog steeds in Raqqa is. Hierop heeft '[voornaam verdachte] South' geantwoord dat hij in 'El Bab' was, een grensstad. Verder heeft '[voornaam verdachte] South' op dezelfde dag vanaf 17.58 uur over strijd geschreven:

"maar kk turken hebben aangevallen man

die blocken de grens

voor syriers om turkije in te gaan

ze hebben 29 vluchtelingen dood geschoten".

Hierop heeft '[persoon 2]' gevraagd: “wat jullie gaan doen”.

'[voornaam verdachte] South' heeft hierop op dezelfde dag om 17:59 uur geantwoord:

"is hun grond

we kunnen hun nu niet aanvallen

maar als ze op on s grond schieten

word het knallen

dan zit ik binnenkort in istanbul hahaha

inplaats van raaq4".

In het dossier zit een proces-verbaal met een overzicht van contactmomenten tussen familieleden van de verdachte en de politie. De vader van de verdachte heeft op 15 juni 2016 aan de politie verteld dat hij op 13 juni (de rechtbank begrijpt: 2016) was gebeld door [verdachte] die hem vertelde dat hij niets meer met IS te maken wilde hebben. Op 20 juni 2016 heeft de vader van de verdachte aan de politie verteld dat [verdachte] hem had verteld dat hij was overgestapt naar het Vrije Syrische Leger en nog steeds in Syrië was.

4.3.3

Deelname aan een terroristische organisatie en het voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven

4.3.3.1 Het toetsingskader

De wetgever heeft in artikel 83 WvSr bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk. In artikel 83a WvSr is dit omschreven als “het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”.

Deelname aan een (terroristische) criminele organisatie

Voor een bewezenverklaring van een op artikel 140a WvSr toegesneden tenlastelegging moet worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie die beoogt misdrijven met een terroristisch oogmerk te plegen. Met een organisatie in de zin van de artikel 140a WvSr wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen.

Terroristische misdrijven zijn misdrijven die gericht zijn op het aanjagen van ernstige vrees van de bevolking dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. De rechtbank leidt uit de wijze waarop de wetgever deelneming aan een terroristische organisatie strafbaar heeft willen stellen en de daaropvolgende omschrijving van artikel 140a WvSr af dat bij de beoordeling van de vraag of een organisatie een terroristisch oogmerk heeft, het aankomt op het geheel van concrete feitelijke gedragingen van de organisatie, de omvang van de beoogde gevolgen daaronder begrepen. Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Vooropgesteld moet worden dat van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk. Elke dergelijke bijdrage, ook wel deelnemingshandeling genoemd, aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Voorbeelden daarvan zijn het verlenen van geldelijke bijdragen of andere stoffelijk steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie.

Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van

onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven. Enige vorm van opzet op de door de organisatie concreet beoogde concrete

misdrijven is niet vereist.

Voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven

Samenspanning tot brandstichting, het teweegbrengen van een ontploffing, moord en/of doodslag, (te) begaan met een terroristisch oogmerk, is strafbaar gesteld in artikel 176b respectievelijk artikel 289a WvSr . In voormelde artikelen is bepaald dat artikel 96, tweede lid, WvSr van overeenkomstige toepassing is. Dat artikel betreft een lex specialis ten opzichte van artikel 46 WvSr . Ingevolge artikel 96, tweede lid, WvSr is sprake van strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen indien een persoon:

1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

5°. enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.

Deze handelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, WvSr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. Indien sprake is van voorbereidingshandelingen die bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden ook als dagelijkse, niet-criminele bezigheden kunnen worden beschouwd, is strikte toetsing noodzakelijk. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen mogen wel in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid. De voorbereiding en bevordering zijn zelfstandig strafbaar gesteld als voltooide delicten. Hiervan is geen vrijwillige terugtred mogelijk.

4.3.3.2 Het oordeel van de rechtbank

Deelname aan een terroristische organisatie

De rechtbank komt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen tot het oordeel dat de verdachte in mei 2014 is uitgereisd naar Syrië en daar en in Irak lid is geweest van ISIL (later IS), alwaar hij een trainingskamp heeft gevolgd en heeft deelgenomen aan de gewapende strijd. Hij is lid geweest van IS tot ongeveer 15 juni 2016, het moment dat hij zich aansloot bij het Vrije Syrische Leger.

De chatgesprekken, de informatie via vader, de foto’s waarop de verdachte (al dan niet samen met anderen) in gevechtskleding en/of met wapens te zien is en/of het Tawhid-gebaar maakt, het feit dat hij in plaatsen is geweest die door IS werden gecontroleerd en beheerst alsmede het feit dat hij zich op 30 mei 2014 klaarblijkelijk als fighter heeft aangemeld bij ISIL, laten geen andere conclusie toe dan dat de verdachte zich heeft aangesloten bij ISIL/IS, daadwerkelijk een feitelijke bijdrage heeft geleverd aan de gewapende strijd en dus heeft deelgenomen aan ISIL/IS.

Aan de verklaring van de verdachte dat de foto’s slechts stoerdoenerij waren hecht de rechtbank geen geloof. Dat geldt ook voor zijn stelling dat hij enkel humanitair hulpverlener zou zijn geweest. Objectieve gegevens die deze stelling kunnen onderbouwen ontbreken, terwijl een dergelijke onderbouwing voor verdachtes deelname aan de gewapende strijd juist wel kan worden gevonden in de foto’s, het aanmeldformulier en in de chat met [persoon 4] waarin de verdachte schrijft hem ‘in zijn team te gooien’. Dit geldt ook voor het volgen van een trainingskamp, waarvan vader kort na de aanmelding melding maakt bij de politie. Dit vindt immers steun in de ‘Kennisbijlage 140a PV de Islamitische Staat’. In dit rapport staat beschreven dat mannen na aankomst in Syrië worden overgebracht naar trainingskampen waar een religieuze en militaire training volgt.

Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 10 december 2015 vastgesteld dat er in ieder geval

vanaf juli 2012 sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict op het gehele

grondgebied van Syrië, tussen het Syrische regeringsleger en verscheidene georganiseerde

gewapende groepen zoals ISIL/ISIS/IS. Op dat moment waren de gewapende groepen voldoende georganiseerd, waardoor zij de beschikking hadden over militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie en grootschalige militaire operaties konden uitvoeren. Er was aldus sprake van verschillende samenwerkingsverbanden met een grote mate van duurzaamheid en structuur. Zoals reeds overwogen, was het naaste doel van deze verscheidene jihadistische strijdgroepen het plegen van terroristische misdrijven en kunnen zij derhalve worden beschouwd als criminele terroristische organisaties. IS is dan ook op 30 mei 2013 en 1 juli 2013 op respectievelijk de sanctielijsten van de VN en de EU geplaatst als verboden terroristische organisatie.

De rechtbank acht medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen omdat het dossier geen concrete bewijsmiddelen bevat dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen heeft gehandeld.

Voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven

Op grond van de al genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank ook tot het oordeel dat de verdachte zich in dezelfde periode heeft schuldig gemaakt aan de voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven. De verdachte is in Syrië en Irak in het strijdgebied geweest, heeft zich aangesloten bij IS, een bijdrage aan de door IS gevoerde Jihadstrijd geleverd en vuurwapens voorhanden gehad. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de verdachte zich voor zijn vertrek naar Syrië en met het oogmerk om terroristische misdrijven te gaan plegen, is gaan verdiepen in het radicale extremistische gedachtegoed en het gedachtegoed zich met dat oogmerk eigen heeft gemaakt, hetgeen blijkt uit de mutaties over de vermissing van de verdachte, waarbij door zijn familie is aangegeven dat hij naar Syrië is uitgereisd om zich aan te sluiten bij ISIL. Door zich op het aanmeldformulier op te geven als strijder heeft de verdachte anderen inlichtingen verschaft en zichzelf getracht gelegenheid te verschaffen tot het plegen van terroristische misdrijven.

De rechtbank zal de verdachte van onderdeel B vrijspreken, nu er geen concreet bewijs voorhanden is betreffende het zich laten informeren over het afreizen en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak.

De rechtbank acht medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen omdat het dossier geen concrete bewijsmiddelen bevat dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen heeft gehandeld.

4.4

Zonder toestemming van de Koning werven voor de gewapende (terroristische) strijd van [persoon 4] en [persoon 5]

4.4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte [persoon 4] heeft geworven voor de gewapende strijd. De verdachte heeft [persoon 4] in chatgesprekken onder meer laten weten dat het leven in Syrië goed was, dat hij hem in zijn team zou gooien, dat hij kon trouwen, “strijden, Paradijs, In sha allah”. Ook het werven voor de gewapende strijd van [persoon 5] is naar de mening van de officier van justitie te bewijzen doordat de verdachte [persoon 5] zou hebben voorgesteld dat zij in Syrië bij de vrouwenpolitie kon gaan om andere vrouwen aan te spreken op, bijvoorbeeld, het dragen van een hoofddoek.

4.4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de verdachte vrij te spreken van dit feit. Bij de chatgesprekken met [persoon 4] is het initiatief niet van de verdachte uitgegaan. Er zijn slechts twee, niet diepgaande, gesprekken over en weer geweest. [Persoon 4] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat niet de verdachte maar juist anderen hem overhaalden naar Syrië te komen. [persoon 5] heeft na haar mislukte uitreis verklaard dat zij door niemand is beïnvloed om naar Syrië te gaan en dat zij niet van plan was daar te gaan vechten.

4.4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Het juridisch kader

De rechtbank zal eerst het juridisch kader schetsen. Artikel 205 van het WvSr stelt het werven voor de gewapende strijd strafbaar en luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

1. Hij die, zonder toestemming van de Koning, iemand voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd werft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

(...)

3. Indien de gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

Het werven voor de gewapende strijd is met de invoering van de Wet terroristische misdrijven, aan dit wetsartikel toegevoegd, waarbij tevens de maximumstraf is verhoogd van één jaar naar vier jaar gevangenisstraf. De wijziging stond in de sleutel van het bevorderen van de mogelijkheden tot strafrechtelijk optreden tegen rekrutering ten behoeve van de Jihad. Beoogd werd ook die rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen die betrekking hebben op het werven van personen voor de rechtstreekse inzet ten behoeve van de (islamitische) gewapende en gewelddadige strijd, zonder dat daarbij aantoonbaar sprake is van deelname aan een groep of samenwerkingsverband. Een strijd is “gewapend” wanneer de (beoogde) toepassing van geweld vergelijkbaar is met het ingrijpende geweld dat wordt toegepast in een oorlogs- of guerrillasituatie. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de Jihad binnen het begrip gewapende strijd valt. De wetgever omschrijft de Jihad als een “islamitische strijd die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitische geloof - de koran en de soenna - staat vermeld”, een strijd waarvan het een feit van algemene bekendheid wordt geacht dat de Koning (lees: de regering) daar nimmer toestemming voor zal verlenen. De verhoging van de strafmaat hangt samen met de verscherpte afkeur voor werven voor de Jihad, een volgens de wetgever zeer kwalijke en bedreigende vorm van rekrutering die mogelijk desastreuze gevolgen heeft voor de betrokkene en de mogelijke slachtoffers. Voor de vaststelling of sprake is van het bestanddeel gewapende strijd speelt het geweldselement in een oorlogs- of guerrillasituatie een rol. De werving moet aldus de daadwerkelijke deelname aan dan wel de rechtstreekse inzet (zoals het verlenen van concrete hand- en spandiensten) bij de strijd beogen.

Voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van artikel 205 WvSr volstaat het enkele ronselen van personen voor - onder meer - de gewapende (terroristische) strijd, waarbij het - zoals hiervoor reeds overwogen - aankomt op de (feitelijke) gedragingen van degene die werft, zonder dat op zichzelf van belang is of het werven resultaat heeft of niet en hoe degene die wordt geworven op dat moment tegenover die strijd staat. Het delict is voltooid wanneer een handeling die ertoe strekt iemand tot aansluiting bij de gewapende strijd te bewegen, zich heeft geopenbaard.

Aan het bestanddeel “werven” komt een ruime betekenis toe en het werven kan op allerlei manieren plaatsvinden. Het werven zal over het algemeen geen eenmalige handeling betreffen, doch omvat veeleer een proces dat begint met het spotten van een mogelijke rekruut en via het wekken van vertrouwen eindigt met het daadwerkelijk bewegen van iemand tot deelname aan een gewelddadige strijd. Echter, het is niet uitgesloten dat het een eenmalige handeling betreft.

Uit de wetsgeschiedenis valt verder af te leiden dat het bespelen van personen met behulp van communicatiemiddelen, zoals bijvoorbeeld een internetsite, werven in de zin van artikel 205 WvSr zal kunnen opleveren en dat sprake moet zijn van werven in de zin van beïnvloeden, ideologisch rijp maken, bewegen of vergelijkbare handelingen.

Van werven voor de gewapende strijd is slechts dan sprake indien een persoon wordt geworven met het oog op diens daadwerkelijke deelname aan dan wel rechtstreekse inzet ten behoeve van de gewapende strijd. Onder deelname aan de gewapende strijd vallen niet alleen de eigenlijke gevechtshandelingen, maar ook het verlenen van concrete hand- en spandiensten zoals het fouilleren van personen, het controleren van voertuigen en het verlenen van hulp bij het plegen van een aanslag.

Werven van [persoon 4]

In het dossier bevinden zich chatgesprekken tussen [persoon 4] en de verdachte. De rechtbank leidt uit die chatgesprekken af dat [persoon 4] op 24 augustus 2015 via Facebook contact heeft gezocht met de verdachte en hem onder andere gevraagd heeft hoe het met hem ging. Een dag later reageert de verdachte met “lekkker man met jou bro”, waarop [persoon 4] een dag later vraagt “is gaos daar of valt het mee”. De verdachte antwoordt op 26 augustus 2015 “knallen broerrr” waarop [persoon 4] een dag later reageert met “hahahaha inshallah broer”. Op 18 oktober 2015 vraagt [persoon 4] aan de verdachte “Zitte er ook hollandse jongengs daar? Die wel moslim zijn Ik word para hier broer”. Op 22 oktober 2015 antwoordt de verdachte “Jaà Pure hollanders Bekeerlingen ensoi”. Op 23 oktober 2015 vraagt [persoon 4] “Inshallah broeder Via Turkije toch alleen nog maar?” Nadat de verdachte daar een dag later met “Ja bro” op antwoordt vraagt [persoon 4] “Maar als ze vragen daar wat ik kom doen wat moek zegge bro Ze shoote me gelijk maat” waarop de verdachte meldt; “ Nee ik haal je oo bro Kan je bidden enso” en “Niks aan de hand I k fiks alles hahah lk ga je in mijn team gooien“. [persoon 4] schrijft op 24 oktober 2015: Gahahah Warme dinge lk ben zwaar aant drnke Denken” waarop de verdachte schrijft: “Hier trouwen alles broer Goeie leven Strijden Paradijs in sha allah”. [Persoon 4] heeft na het zien van een foto van een laptop nog gevraagd “Hahaha lappie gahah Hoeveel strijders zitte in je team dan broer” waarop de verdachte antwoordt “Kom naar hier En je zult zienn”.

[Persoon 4] heeft in november 2015 tegenover de politie verklaard dat de verdachte hem vroeg naar Syrië te komen om te strijden en dat de verdachte ook een filmpje maakte over dat hij in een tank aan het rijden is en hoe mooi het leven daar is. Bij de rechter-commissaris heeft hij in november 2018 verklaard dat de verdachte hem niet ronselde, als de verdachte hem al in Syrië wilde krijgen was dat omdat hij hem weer wilde zien.

De verdachte heeft ter terechtzitting niet ontkend dat hij deze chatgesprekken met

[persoon 4] heeft gevoerd maar heeft benadrukt dat deze gesprekken in een lacherige sfeer van oude vrienden onder elkaar plaatsvonden. Met de woorden “ik ga je in mijn team gooien” had hij geen bijzondere bedoeling, het was hun soort van humor. De verdachte heeft wel ontkend dat hij aan [persoon 4] filmpjes over het rijden in een tank heeft getoond, daartoe stellend dat hij nog nooit in een tank heeft gezeten.

De rechtbank is van oordeel dat uit de chatgesprekken en de verklaringen van [persoon 4] niet kan worden afgeleid dat de verdachte [persoon 4] heeft geworven voor de gewapende strijd. Het initiatief tot het eerste gesprek in augustus 2015 lag bij [persoon 4] en ook in oktober 2015 was hij degene die het contact weer oppakte. Het dossier bevat geen steunbewijs voor de verklaring van [persoon 4] dat de verdachte hem heeft gevraagd te komen strijden in Syrië, nu dat niet uit de berichten blijkt. Datzelfde geldt voor de filmpjes over het rijden in een tank die de verdachte zou hebben gestuurd, omdat dergelijke filmpjes niet zijn aangetroffen. De - overigens niet in de tenlastelegging opgenomen - woorden “Ik ga je in mijn team gooien” roepen vraagtekens op, mede gelet op hetgeen de rechtbank ten aanzien van feit 1 hiervoor heeft vastgesteld. Maar ook wanneer deze woorden op zichzelf of in samenhang met de verdere gesprekken en verhoren worden beschouwd kan de rechtbank daar niet met voldoende zekerheid uit afleiden dat de verdachte [persoon 4] opzettelijk heeft bewogen tot daadwerkelijke deelname aan dan wel rechtstreekse inzet ten behoeve van de gewapende (terroristische) strijd. Dat betekent dat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het onder 2 tenlastegelegde voor zover dit op het werven van [persoon 4] betrekking heeft.

Werven van [persoon 5]

Op 13 februari 2015 hebben de toen zestienjarige [persoon 5] en de vijftienjarige [persoon 6] een poging ondernomen om via Duitsland uit te reizen naar Syrië. Ze zijn een dag later gestrand in Istanbul en op het vliegtuig terug naar Duitsland gezet, waarna de Duitse politie hen bij de grens aan de Nederlandse politie heeft overgedragen. [Persoon 5] heeft verklaard dat ze via Facebook werd benaderd door een broeder die actief was in Syrië. Hij benaderde haar omstreeks december 2014 omdat ze een IS-vlag in haar Facebookprofiel had staan en hij vertelde haar hoe mooi het leven in IS was. Hij stuurde haar filmpjes en deze broeder heeft ook via via gezorgd voor geld voor de reis. Die broeder vertelde haar ook dat ze in IS bij de vrouwenpolitie kon werken om vrouwen aan te spreken op hun hoofddoek. Later heeft zij verklaard dat deze broeder [voornaam verdachte] heette. Mede gelet op de verklaring van [persoon 6] stelt de rechtbank vast dat deze [voornaam verdachte] de verdachte is. De chatgesprekken tussen [persoon 5] en de verdachte bevinden zich in het dossier en bevestigen de verklaringen van [persoon 5]. Het dossier bevat voorts aanwijzingen dat er tussen de verdachte en [persoon 5] een islamitisch huwelijk is gesloten.

De rechtbank vindt de wijze waarop de verdachte [persoon 5] heeft bewerkt om naar Syrië af te reizen uitermate kwalijk. Het tegen [persoon 5] zeggen dat zij, eenmaal aangekomen, bij de vrouwenpolitie kan gaan en/of vrouwen kan aanspreken op het dragen van een hoofddoek levert echter naar het oordeel van de rechtbank niet op het werven van [persoon 5] met het oog op haar daadwerkelijke deelname aan dan wel rechtstreekse inzet ten behoeve van de gewapende (terroristische) strijd. Dat betekent dat de rechtbank de verdachte ook vrijspreekt van het onder 2 tenlastegelegde voor zover dit op het werven van [persoon 5] betrekking heeft.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij in de periode van 30 mei 2014 tot 15 juni 2016, in Syrië en Irak, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of lraq and the Levant (ISIL), welke organisatie tot oogmerk had en/of heeft het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht ),(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht ) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht ) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht ) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en /of 288a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)

en

hij in de periode van 01 januari 2014 tot 15 juni 2016, in Syrië en Irak en Turkije en België en Duitsland, met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht ) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht ) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht )

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het misdrijf

immers heeft hij, verdachte,

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), of Islamic State of lraq and the Levant (ISIL) eigen gemaakt en

C. de reis naar Syrië en/of Irak gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar door de terroristische Organisatie IS (of ISIL) gecontroleerd gebied en/of (gedurende enige tijd) verbleven in bedoeld (strijd)gebied in Syrië en/of Irak en

D. zich gevoegd bij IS (of ISIL) en

E. in Syrië en/of Irak deelgenomen en bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische Organisatie IS(IS/IL) en

F. in Syrië en/of Irak vuurwapens gedragen en voorhanden gehad en

G. in Syrië en/of Irak deelgenomen aan ideologische- en/of gevechtstrainingen en/of trainingskampen en/of opleidingen bij terroristische organisaties zoals IS (of ISIL),

in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk en

welke gedragingen en/of voorwerp(en) al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het begaan van die misdrijven.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

7 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

8 De strafoplegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest doorgebracht in Nederland en Turkije.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, voor het geval de rechtbank het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaart in de vervolging, op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat, met toepassing van artikel 63 WvSr , geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan de periode die de verdachte thans in voorlopige hechtenis verblijft. De verdediging verzoekt derhalve om onmiddellijke invrijheidstelling.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Strijd in Syrië en Irak

Zoals hiervoor in dit vonnis kort is beschreven, heeft het regime van president Assad op uiterst gewelddadige wijze geprobeerd vreedzame protesten de kop in te drukken. Verzet tegen dit dictatoriale regime ontmoette in Nederland in brede kring sympathie. Dat geldt niet voor (het deelnemen aan) de jihadistische terroristische strijdgroepen. Het doel dat deze groepen voor ogen staat is niet alleen het ten val brengen van het regime van Assad, maar vooral het vestigen van een islamitische staat. Door deze strijdgroepen worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan, zoals standrechtelijke executies, moord, marteling, deportatie, verminking en verkrachting van krijgsgevangenen en burgers. Veel van deze hierboven beschreven misdaden komen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden, waarin de mensenrechten van andersdenkenden - christenen, joden, sjiieten, alawieten en ook niet fundamentalistische soennieten - op zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Veel van deze misdaden worden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Daarmee zijn het ontegenzeggelijk terroristische misdrijven.

Terrorisme wordt internationaal gezien als een van de ernstigste misdrijven. Op Nederland rust dan ook een internationale verplichting om terrorisme te bestrijden, ook als dat in een ander land plaatsvindt. Het afreizen naar Syrië en/of Irak om deel te nemen aan de gewapende Jihadstrijd doel moet daarom ontmoedigd worden.

Handelen van de verdachte

De verdachte is in mei 2014 uitgereisd naar Syrië en heeft zich daar op 30 mei 2014 als strijder aangesloten bij de verboden jihadistische terroristische organisatie ISIL, thans IS genaamd voor een periode van ongeveer twee jaar. Met diezelfde gedragingen heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van onder meer moord en doodslag met een terroristisch oogmerk.

De verdachte is - in vergelijking met andere inmiddels veroordeelde uitreizigers - op een laat moment uitgereisd. Weliswaar was het kalifaat nog niet uitgeroepen maar ook in die periode was er al veel bekend omtrent de door (toen nog) ISIL genoemde gepleegde ernstige mensenrechtenschendingen en overige wandaden. De verdachte moet hiervan op de hoogte zijn geweest maar is niettemin uitgereisd, hetgeen de rechtbank de verdachte uiterst kwalijk neemt.

Op bovengenoemde ernstige strafbare feiten kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar de hoogte van de straffen die in enigszins vergelijkbare zaken zijn opgelegd en heeft op basis daarvan in deze zaak voor deelneming aan een terroristische organisatie en voorbereidingshandelingen als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren genomen. Daarbij is meegewogen dat het onbekend is of de verdachte daadwerkelijk geweld tegen mensenlevens heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd tijdens zijn deelname aan de gewapende strijd.

In strafmatigende zin laat de rechtbank meewegen dat de verdachte reeds achttien maanden in voorlopige hechtenis heeft gezeten in verband met het strafproces in Turkije voor dezelfde feiten als waarvoor de verdachte thans wordt veroordeeld. De rechtbank verdisconteert deze periode in de op te leggen straf omdat de door de officier van justitie voorgestane aftrek van voorarrest geen steun vindt in de wet. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het resterende Turkse strafdeel niet in Nederland kan worden tenuitvoergelegd omdat artikel 7, eerste lid, van de WOTS dat verbiedt. De rechtbank geeft overigens geen toepassing aan artikel 63 WvSr , omdat strafoplegging door een buitenlandse rechter geen veroordeling in de zin van dat artikel oplever t.

Persoonlijke omstandigheden

Uit de justitiële documentatie van 13 juni 2019 betreffende de verdachte, is gebleken dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Het betreft echter een ander soort feit dat bovendien langer dan vijf jaar geleden is gepleegd en derhalve niet relevant is voor de strafoplegging.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de pro justitia triple-rapportage van

25 januari 2019 betreffende de verdachte. De verdachte heeft niet volledig meegewerkt aan de totstandkoming van de rapportage. Het milieuonderzoek is niet van de grond gekomen, omdat geen van de familieleden hieraan heeft willen meewerken. Vanwege de summiere informatie en het ontbreken van test-diagnostisch onderzoek en hetero-anamnestische gegevens kunnen diagnoses niet met zekerheid worden gesteld. Er zijn vermoedens van psychiatrische stoornissen, zoals een antisociale en/ of narcistische persoonlijkheidsstoornis. Het risico op herhaling en van extremistisch gewelddadig gedrag wordt tussen matig en hoog geschat. Er is onvoldoende informatie beschikbaar om een verband te leggen tussen eventuele stoornissen en de tenlastegelegde feiten. Er is daarom geen strafrechtelijk advies mogelijk, aldus de rapporteurs. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het bewezenverklaarde de verdachte volledig kan worden toegerekend.

De rechtbank heeft voorts het reclasseringsadvies van 1 juli 2019 van Reclassering Nederland betreffende de verdachte betrokken bij haar oordeel over de straftoemeting. Volgens de reclassering komen de standpunten van de verdachte overeen met de jihadistische salafistische ideologie. De rechtbank vindt daarin bevestiging door de houding van de verdachte ter terechtzitting, meer in het bijzonder door zijn verklaring dat hij de democratische Nederlandse rechtsstaat niet erkent.

De reclassering baseert zich op de aanwijzingen voor persoonlijkheids- en/of psychische problematiek, stelt vast dat er sprake is van een marginale sociaal maatschappelijke situatie en uit haar zorgen over de ideologie van de verdachte. Het risico op geweldsrecidive wordt door OXREC en de reclassering als gemiddeld ingeschat. Geadviseerd wordt om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals in het rapport weergegeven. De rechtbank volgt dit advies niet. Bij straffen met een hoogte van vier jaar of meer, kan de rechtbank geen voorwaardelijk deel opleggen. De geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen later wel aan bod komen bij een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling.

Conclusie

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden is.

Gelet op de op te leggen straf wijst de rechtbank het verzoek om onmiddellijke invrijheidstelling af.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57, 83, 96, 134a, 140a, 157, 176a, 176b, 288a, 289, 289a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 tenlastegelegde feiten en heeft begaan, zoals hierboven onder 5. bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, eerste alternatief/cumulatief: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

ten aanzien van feit 1, tweede alternatief/cumulatief: met het oogmerk om opzettelijk brand te stichten en/of ontploffingen teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en te bevorderen, zich en anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf verschaffen en trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN en 6 (ZES) MAANDEN.

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.T. Renckens, voorzitter,

mr. N.S.M. Lubbe, rechter,

mr. J. Holleman, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. M.R. Ekkart en M. Sepmeijer-Kovacevic, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juli 2019.

BIJLAGE 1: TENLASTELEGGING

1.

hij

op één of meerdere tijdstippen in de periode van 01 mei 2014 tot

01 november 2016, in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak en/of Turkije

en/of België en/of Duitsland en/of Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

heeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie zoals de Islamitische

Staat (verder IS), dan wel Islamic State of lraq and Shaam (ISIS) of Islamic

State of lraq and Levant (ISIL) of Al Qaida (verderAQ) of Ha’yat Tahrir

al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham (beiden voorheen Jabhat al Nusra, JaN),

althans een aan voornoemde organisatie(s) gelieerde

Jihadistische strijdgroep, althans (een) organisatie die de gewapende

Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie tot oogmerk had en/of heeft het

plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht ),(te)

begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht ) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en /of 288a en/of289a

en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens

en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)

en/of

hij

op één of meerdere tijdstippen in de periode van 01januari 2014 tot

01 november 2016, in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak en/of Turkije

en/of België en/of Duitsland en/of Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het

(meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals

bedoeld in artikel 157jo 176a van het Wetboek van Strafrecht ) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen

plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe

gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan

zichzelf of aan anderen heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot

het plegen van het misdrijf

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie

zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of lraq and

Shaam (ISIS) of Islamic State of lraq and Levant (ISIL) of Al Qaida (verder

AQ) of Ha’yat Tahrir al-S ham (HTS) of Jabhat Fateh Al-S ham (beiden voorheen

Jabhat al Nusra, JaN), althans een aan voornoemde

organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep, althans (een) organisatie

die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

B. zich laten informeren over het afreizen naar en/of verblijven in het

strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

C. de reis naar Syrië en/of Irak gemaakt teneinde zich te begeven naar het

strijdgebied, althans naar door de terroristische Organisatie IS(IS/IL) of Al

Qaida of Jabhat al Nusra gecontroleerd gebied en/of (gedurende

enige tijd) verbleven in bedoeld (strijd)gebied in Syrië en/of Irak en/of

D. zich gevoegd bij één of meer mededader(s) en/of IS(IS/IL) en/of Al Qaida

en/of Jabhat al Nusra strijder(s), althans perso(o)n(en) gelieerd

aan (een) terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd

voorstaat/voorstaan, althans een of meer perso(o)n(en) die (eveneens)

deelnam(en) aan een terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd

voorstaat en/of

E. in Syrië en/of Irak deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende

Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) Organisatie lS(IS/IL) en/of Al Qaida

en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde

terroristische organisaties, althans (een) terroristische Organisatie die de

gewapende Jihadstrijd voorstaat en/of

F. in Syrië en/of Irak (vuur)wapens gebruikt en/of gedragen en/of voorhanden

gehad en/of

G. met één of meer mededader(s) (in Syrië en/of Irak) deelgenomen aan

ideologische- en/of gevechtstrainingen en/of trainingskampen en/of opleidingen

bij (een) terroristische organisatie(s) zoals IS(IS/IL) en/of Al Qaida

en/of Jabhat al Nusra, althans (een) organisatie(s) die de gewapende

Jihadstrijd voorstaat,

in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting

en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een

terroristisch oogmerk en/of

welke gedragingen en/of voorwerp(en) en/of informatie al dan niet in combinatie

met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het in vereniging, althans alleen, begaan

van dat/die misdrijf/misdrijven;

2.

hij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2014 tot

01 november 2016, in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak en/of Turkije

en/of Nederland,

zonder toestemming van de Koning, de perso(o)n(en) [persoon 4]

en/of [persoon 5], in elk geval één of meer perso(o)n(en), heeft geworven voor

de gewapende (terroristische) strijd, immers heeft hij verdachte,

[persoon 4], geboren 26juli 1991 te Zutphen,

geworven voor de gewapende (terroristische) strijd door (onder meer)

- deze [persoon 4] [persoon 4] via Facebook te benaderen en/of

- tegen deze [persoon 4] te zeggen dat hij “hier kan trouwen’, ‘het een goed leven

is”, ‘strijden” en “paradijs” en/of

- tegen deze [persoon 4] te zeggen “alles te regelen’ en “naar daar moest komen”

en/of

- via het internet filmpjes te tonen over het rijden in een tank en het mooie leven

daar en/of

- ( hiermee) die [persoon 4] (geleidelijk aan) te beïnvloeden en/of te overreden (om af te

reizen naar Syrië en/of andere landen) om aldaar te strijden en/of Jihad te

te voeren) en/of die [persoon 4] geestelijk rijp te maken voor het afreizen naar Syrië

en/of

B. tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

[persoon 5], geboren 14januari1999 te Zeist,

heeft geworven voor de gewapende (terroristische) strijd, door (onder meer)

- die [persoon 5] via facebook te benaderen en/of met die [persoon 5] intensief contact te

onderhouden en/of

- tegen die [persoon 5] te zeggen dat het leven in Syrië normaal en goed was en/of

- die [persoon 5] voor te stellen, in elk geval tegen die [persoon 5] te zeggen bij de

vrouwenpolitie te gaan en/of te zeggen ‘dat zij dan andere vrouwen kan aanspreken

op bijvoorbeeld de hoofddoek’ en/of

- die [pesoon 5] informatie te verschaffen over (de wijze van) het afreizen/de reis naar

en/of het verblijf in Syrië en/of

- die [persoon 5] financiële middelen in het vooruitzicht te stellen en/of te verschaffen

om af te reizen naar Syrië en/of

- die [persoon 5] filmpjes en/of foto’s te tonen en/of voor te houden van (onder meer)

het mooie leven daar (in Syrië) en/of

- ( met) die [persoon 5] (kort voor diens vertrek/afreis) voor de Islamitische wet te trouwen

en/of

- ( hiermee) die [persoon 5] (geleidelijk aan) te beïnvloeden en/of te overreden (om af te

reizen naar Syrië en/of andere landen) om aldaar te strijden en/of Jihad te

te voeren) en/of die [persoon 5] geestelijk rijp te maken voor het afreizen naar Syrië,

terwijl de gewapende strijd waarvoor (telkens) werd geworven het plegen van een

terroristisch misdrijf inhoudt.

BIJLAGE II: EINDNOTEN

Hoge Raad 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, r.o. 2.9.1.

Hoge Raad 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:472.

Rechtbank Den Haag 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Context), hoofdstuk 3.

Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht, Stb. 2014, 47.

Proces-verbaal van verdenking met bijgevoegde mutatierapporten, p. 61 e.v..

Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 en 9 juli 2019 inhoudende de verklaring van de verdachte.

Een geschrift, te weten een ambtsbericht van de MIVD met bijlagen, p. 185 tot en met 189.

Proces-verbaal van bevindingen, blz. 190 en proces-verbaal van bevindingen, p. 191 tot en met 200.

Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 en 9 juli 2019 inhoudende de verklaring van de verdachte.

Proces-verbaal van verdenking met bijgevoegde mutatierapporten, p. 72.

Proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 1] van 10 juli 2018, p. 575.

Proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 1], met als bijlagen verschillende foto’s, p. 414 tot en met 419 en p. 421, 424 tot en met 427 en 434 tot en met 436.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 594 tot en met 610.

Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 en 9 juli 2019 inhoudende de verklaring van de verdachte.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 625 en 626.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 605.

Proces-verbaal van bevindingen contactmomenten, 569 en 570.

Hoge Raad 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5193, r.o. 4.3.

Hoge Raad 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, r.o. 3.4.

Hoge Raad 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:12.

Hoge Raad 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, r.o. 3.4.

Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, r.o. 4.3.

Hoge Raad 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012BW5132, r.o. 2.2.3 en 2.4.

Zie: artikel 140a, derde lid, WvSr juncto artikel 130, vierde lid, WvSr .

Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, r.o. 3.3.

Zie ook rechtbank Den Haag 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 (Context), r.o. 15.3 t/m 15.9.

Kennisbijlage 140a PV de Islamitische Staat, p. 95 tot en met 97.

United Nations Human Rights Council, Third report of the Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic, U.N. Doc. A/HRC/21/50 (16 August 2012); ICRC, Syria: ICRC and Syrian Arab Red Crescent maintain aid effort amid increased fighting, 17 juli 2012.

Gerechtshof Den Haag 23 oktober 2018, ECLI:NL:GHDH:2018:2765.

Wet terroristische misdrijven, Stb. 2004, 290, iwtr 10 augustus 2004.

Kamerstukken II, 2003/2004, 28 463, nr. 10, p. 9, 12 en 13.

Rechtbank Den Haag 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365.

Kamerstukken II, 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 11.

Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 16.

Hoge Raad 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:897.

Gerechtshof Den Haag 7 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1979.

Hoge Raad 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9198.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature