< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) hoeft een christelijke man uit Pakistan geen asiel te verlenen.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.10997 en NL19.10998

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 7 juni 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, thans de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jonkman).

Procesverloop Bij besluit van 6 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is verschenen M. Dahiya, tolk Urdu. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1.1

Eiser is geboren op [geboortedag] 1986 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij heeft op 21 november 2018 zijn huidige asielaanvraag ingediend; dit is zijn tweede asielaanvraag in Nederland. Hij vraagt bescherming omdat hij vreest als christen in Pakistan gevaar te lopen. Dat hij christen is, is niet in geschil.

1.2

Verweerder heeft de eerste asielaanvraag van eiser afgewezen bij besluit van

9 juni 2015 om samengevat de volgende redenen. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Pakistan zodanig gevaar loopt dat asiel moet worden verleend. Daarbij heeft verweerder betrokken dat christenen in Pakistan weliswaar worden aangemerkt als risicogroep maar dat niet aannemelijk is dat elke christen enkel vanwege zijn religie wordt vervolgd of een risico op ernstige schade loopt. Van de zijde van eiser zijn geen specifieke individuele omstandigheden gesteld die leiden tot vergunningverlening.

1.3

Dit besluit staat in rechte vast. Het door eiser daartegen ingestelde beroep en hoger beroep zijn ongegrond verklaard bij uitspraken van respectievelijk 6 oktober 2015 en

17 maart 2016.

1.4

Aan zijn huidige asielaanvraag legt eiser ten grondslag dat er inmiddels een fatwa tegen hem is uitgevaardigd en dat de situatie in Pakistan voor christenen is verslechterd.

1.5

Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat er ten aanzien van de vorige procedure geen nieuwe elementen of bevindingen aan de opvolgende aanvraag ten grondslag zijn gelegd. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de fatwa alleen in kopie is overgelegd en daarom niet op echtheid kan worden beoordeeld. Verder blijkt niet dat de situatie voor christenen in Pakistan zodanig is verslechterd dat elke christen ook zonder geringe individuele indicaties een risico loopt op vervolging of ernstige schade.

1.6

Eiser heeft de volgende beroepsgronden aangevoerd tegen het bestreden besluit.

Zoals volgt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) mag niet van eiser worden verlangd dat hij van godsdienstige handelingen afziet. Eiser loopt in Pakistan risico op gevangenisstraf, onder meer omdat hij als christen niet meedoet met de ramadan. De situatie voor christenen is slechter geworden na eisers vorige asielprocedure zoals blijkt uit een rapport van de UK Home Office. Uit een door eiser overgelegd stuk van [naam] van de Oase blijkt verder dat eiser zijn religie actief uitdraagt. De overgelegde fatwa is geen origineel document maar wel een gewaarmerkte kopie. Uit rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat meer van verweerders onderzoek verwacht mag worden dan vaststellen of een document een kopie is.

Beoordeling door de rechtbank

2.1

Niet in geschil is dat eiser alleen een kopie van een fatwa heeft overgelegd. Hij heeft bij zijn gehoor twee kopieën laten zien: één met en één zonder stempel. Hij heeft verklaard dat hij eerst alleen een kopie zonder stempel had en toen aan een kennis die naar Pakistan ging heeft gevraagd om een kopie met stempel mee terug te nemen. Niet blijkt waar het originele document zou zijn. De stempel is gezet door de High Court en niet door de instantie die het document heeft afgegeven (de matrassa). Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat verweerder zich al vanwege het ontbreken van het origineel op het standpunt mag stellen dat dit document niet kan worden aangemerkt als nieuw element of nieuwe bevinding. Het EHRM-arrest waar eiser naar verwijst, ziet niet op de situatie van een opvolgende aanvraag. Ook volgt daaruit dat een vreemdeling een overtuigende verklaring moet kunnen geven over waarom het origineel niet is overgelegd, wat bij eiser niet het geval is. Uit dit arrest volgt daarom niet dat verweerder enige waarde heeft hoeven toekennen aan de kopie. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat dit geen nieuw element of nieuwe bevinding is.

2.2

Verder stelt de rechtbank vast dat noch uit de M-35O noch uit de verklaringen van eiser zelf tijdens het gehoor blijkt dat eiser van plan is om in Pakistan evangeliseringswerk uit te gaan voeren. Dit blijkt ook niet uit de bij de zienswijze overgelegde verklaring van [naam] . Dat is een weergave van activiteiten die hij bij of namens de kerk in Nederland heeft uitgevoerd. De rechtbank ziet daarom evenmin als verweerder aanleiding om te beoordelen welk risico eiser loopt als hij in Pakistan dergelijke activiteiten zou verrichten.

2.3

In de vorige procedure is beoordeeld of eiser vanwege zijn christelijke geloof in Pakistan risico loopt op vervolging of ernstige schade. Die vraag is door verweerder ontkennend beantwoord, wat is bevestigd door de rechtbank en de Afdeling. Eiser heeft niet onderbouwd dat de situatie in Pakistan sindsdien dusdanig is veranderd dat tot een ander oordeel moet worden gekomen. Eiser heeft vooral verwezen naar stukken over het verbod om in het openbaar te eten tijdens de ramadan en het risico dat eiser loopt om daarvoor gevangenisstraf te krijgen. Zoals verweerder ter zitting heeft opgemerkt valt niet in te zien dat eiser door een verbod op eten in het openbaar wordt beperkt in de uitoefening van zijn religie. De Afdeling heeft eerder overwogen dat niet blijkt dat de Pakistaanse overheid christenen vervolgt vanwege hun religie. De blasfemiewetgeving wordt weliswaar vaak misbruikt en beschermt in de praktijk uitsluitend de islam, maar de beschuldigingen van blasfemie houden vaak geen verband met de geloofsovertuiging van een persoon en zijn ook betrekkelijk gering in aantal. Uit het UK Home Office rapport dat eiser heeft aangehaald komt een soortgelijk beeld naar voren: misbruik van de blasfemiewetgeving tegenover religieuze minderheden komt voor, maar zowel de behandeling van christenen door de autoriteiten als die door de samenleving zijn niet zodanig dat christenen een reëel risico op ernstige schade lopen alleen vanwege hun geloofsovertuiging. Ook eisers beroep op de algemene situatie voor christenen in Pakistan slaagt daarom niet.

Conclusie

3. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Omdat de rechtbank op het beroep beslist, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank (NL19.10997) verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter (NL19.10998) wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 juni 2019.

griffier (voorzieningen)rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover gericht tegen het beroep, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Het arrest van 5 september 2012 in de zaak van Y en Z tegen Duitsland, C-71/11.

Country policy and information note, Pakistan: Christians and Christian converts, September 2018.

Het arrest van 18 november 2014 in de zaak M.A. tegen Zwitserland, 52589/13.

Zie de uitspraak ECLI:NL:RVS:2015:2419.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature