< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Dublin, Italië, gezin met minderjarige kinderen, kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel. Verweerder heeft zich er onvoldoende van vergewist dat dat de opvang in Italië voldoet aan de eisen die op grond van het arrest Tarakhel gesteld mogen worden. Dat de situatie in Italië wezenlijk anders is dan ten tijde van het arrest Tarakhel is onvoldoende gemotiveerd. Niet gebleken dat in Italië geen sprake meer is van een capaciteitsgebrek of dat de omstandigheden in de opvang zijn verbeterd. De brief van Italiaanse autoriteiten volstaat niet. Beroep gegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.6219 en NL19.6221

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 mei 2019 in de zaken tussen

[de man] , eiser en

[de vrouw] , eiseres,

mede ten behoeve van hun twee minderjarige kinderen,

V-nummers: […] , […] , […] en […]

hierna tezamen ook aangeduid als eisers,

(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Procesverloop

Bij besluiten van 18 maart 2019 (hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van die wet.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaken betrekking hebben ter beschikking gesteld en heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 9 mei 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Als tolk is verschenen R. Daudu.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen beiden burger van Nigeria te zijn. Eiser stelt geboren te zijn op

[geboortedatum] . Eiseres, zijn echtgenote, stelt geboren te zijn op [geboortedatum] .

Op 29 oktober 2018 hebben zij de eerder genoemde aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De aanvraag van eiseres heeft mede betrekking op de twee minderjarige kinderen [naam] , geboren op

[geboortedatum] en [naam] , geboren op [geboortedatum] .

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen van eisers niet in behandeling genomen omdat uit informatie uit het Eurodac systeem is gebleken dat eisers op 10 oktober 2016 in Italië een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Gelet hierop heeft verweerder op 14 november 2018 de Italiaanse autoriteiten verzocht eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening). Op 27 november 2018 hebben de Italiaanse autoriteiten met dit verzoek ingestemd. Volgens verweerder staat daarom de verantwoordelijkheid van Italië vast. In hetgeen eisers in de zienswijze hebben aangevoerd heeft verweerder geen aanleiding gevonden om tot een andersluidend besluit te komen.

3. Eisers betogen in beroep, onder verwijzing naar de zienswijze, dat er thans zoveel aanwijzingen zijn dat Italië de kwaliteit van zijn asielprocedures verwaarloost, dat verweerder de Italiaanse asielpraktijk nader moet onderzoeken en niet langer zonder meer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De levensomstandigheden van Dublinclaimanten en asielzoekers in het algemeen zijn volgens eisers verder verslechterd. Italië komt zijn internationale verplichtingen niet na. Het land is onveilig voor asielzoekers. Overdracht aan Italië zal daarom in strijd zijn met de artikelen 3 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Verder hebben eisers erop gewezen dat zij als gezin met zeer jonge kinderen niet zonder meer kunnen worden blootgesteld aan de problemen die voortvloeien uit capaciteitsgebreken waar de Italiaanse opvang nog steeds mee kampt. In hun ogen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de huidige situatie in Italië wezenlijk anders zou zijn dan de situatie die is beoordeeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), Tarakhel tegen Zwitserland, van 4 november 2014, nr. 29217/12 (www.echr.coe.int; hierna: het arrest Tarakhel). Ingevolge dit arrest dienen lidstaten zich bij de overdracht van gezinnen (of andere kwetsbare asielzoekers) aan Italië ervan te vergewissen dat de opvang adequaat is. Sindsdien zijn de opvangomstandigheden in Italië niet verbeterd. Door de inwerkingtreding van het zogenoemde Salvini-decreet, dat inmiddels tot wet verheven is, is het waarschijnlijk dat eisers niet langer in de zogenoemde SPRAR-opvang, maar in de zogenoemde CAS-opvang terecht zullen komen, alwaar de levensomstandigheden vaak kritiek zijn. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) is niet zonder meer toepasbaar op gezinnen met minderjarige kinderen. Verweerders verwijzing naar de in de circular letter van 8 januari 2019 gegeven garanties van de Italiaanse autoriteiten, is volgens eisers ontoereikend. Volgens eisers houdt verweerder dan ook ten onrechte vast aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel en had hij de behandeling van hun asielaanvragen met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moeten trekken.

Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers verder een beroep gedaan op het arrest M.S.S. tegen Griekenland en België, het rapport van Vluchtelingenwerk Zwitserland getiteld ‘Mutual trust is still not enough’ van 12 december 2018, de aan de gemachtigde van eisers toegezonden brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 7 mei 2019 met bijlagen en de update van het AIDA rapport over Italië van 16 april 2019. Ook hebben eisers een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 23 april 2019 (zaaknummer NL19.6459).

4. De rechtbank concludeert op grond van de door eisers aangevoerde gronden en de behandeling ter zitting dat als zodanig niet in geschil is dat Italië in beginsel op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming van eisers. De rechtbank merkt verder op dat eisers het in de bestreden besluiten vervatte standpunt over het beroep op hun gestelde medische situatie niet weersproken hebben, zodat dit geen beoordeling door de rechtbank behoeft. Aan de orde is de vraag of verweerder in hetgeen eisers hebben aangevoerd aanleiding had moeten vinden om van hun overdracht aan Italië af te zien.

5 De rechtbank overweegt hierover als volgt.

6. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de ze wet, niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover hier van belang, behandelen de lidstaten elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van deze verordening genoemde criteria verantwoordelijk is.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening is de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend verantwoordelijk voor de behandeling daarvan, wanneer op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen. Indien het niet mogelijk is een verzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, blijft de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast de criteria van hoofdstuk III onderzoeken teneinde vast te stellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen. Indien de overdracht uit hoofde van dit lid niet kan geschieden aan een op grond van de criteria van hoofdstuk III aangewezen lidstaat of aan de eerste lidstaat waar het verzoek werd ingediend, wordt de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, de verantwoordelijke lidstaat.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover hier van belang, kan, in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de ze verordening, elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Volgens het beleid, neergelegd in paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De bevoegdheid wordt in ieder geval gebruikt in onder meer de volgende situaties:

- er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke EU-lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt; of

- bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke EU-lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

7. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, overweegt de rechtbank als volgt.

8. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie voor recht heeft verklaard in het (in het verweerschrift ingeroepen) arrest inzake Abubacarr Jawo tegen Duitsland van

19 maart 2019 (zaak C-163/17), moet artikel 4 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan overdracht van een persoon aan de lidstaat die volgens de Dublinverordening normaliter verantwoordelijk is voor de behandeling van diens verzoek om internationale bescherming, tenzij de rechterlijke instantie waarbij een beroep tegen het overdrachtsbesluit wordt ingesteld op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, vaststelt dat dit risico voor die verzoeker daadwerkelijk bestaat aangezien hij in geval van overdracht, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie kan terechtkomen.

9 In de in de bestreden besluiten aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 16 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2533), 9 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3291), 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73), 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971), 6 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2614), 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3246), 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 27 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4310), 17 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:134) en 29 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:277) is geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat niet is gebleken van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. De door eisers ingeroepen informatie, te weten het eerder genoemde rapport ‘Mutual trust is still not enough’, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395) is het beeld uit dit rapport vergelijkbaar met de informatie die is beoordeeld in de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018. De rechtbank ziet geen grond om in het onderhavige beroep tot een andersluidend oordeel te komen. Dat geldt ook voor de door eisers ingeroepen brief van Vluchtelingenwerk Nederland en de update van het AIDA rapport. De meest recente rapporten geven geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië. Eisers hebben dit ter zitting erkend en toegelicht dat het beeld dat al bestond wordt bevestigd in de brief van Vluchtelingenwerk Nederland en de update van het AIDA rapport, zodat onder meer de in het rapport ‘Mutual trust is still not enough’ genoemde casussen niet meer als ‘incidenten’ kunnen worden bestempeld. Eisers zijn het evenwel met de door de rechterlijke instanties aan de situatie in Italië verbonden conclusie dat geen sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen niet eens. De rechtbank concludeert dan ook dat niet aan het door het Hof van Justitie van de EU gegeven criterium is voldaan.

10. Ten aanzien van het betoog dat verweerder de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van verzoekers met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken omdat ten aanzien van Italië niet (langer) kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank als volgt.

11 In het arrest Tarakhel heeft het EHRM onder meer het volgende overwogen:

“118. The Court reiterates that to fall within the scope of Article 3 the ill‑treatment must attain a minimum level of severity. The assessment of this minimum is relative; it depends on all the circumstances of the case, such as the duration of the treatment and its physical or mental effects and, in some instances, the sex, age and state of health of the victim (see paragraph 94 above). It further reiterates that, as a “particularly underprivileged and vulnerable” population group, asylum seekers require “special protection” under that provision (see M.S.S., cited above, § 251).

119. This requirement of “special protection” of asylum seekers is particularly important when the persons concerned are children, in view of their specific needs and their extreme vulnerability. This applies even when, as in the present case, the children seeking asylum are accompanied by their parents (see Popov, cited above, § 91). Accordingly, the reception conditions for children seeking asylum must be adapted to their age, to ensure that those conditions do not “create ... for them a situation of stress and anxiety, with particularly traumatic consequences” (see, mutatis mutandis, Popov, cited above, § 102). Otherwise, the conditions in question would attain the threshold of severity required to come within the scope of the prohibition under Article 3 of the Convention.

120. In the present case, as the Court has already observed (see paragraph 115 above), in view of the current situation as regards the reception system in Italy, and although that situation is not comparable to the situation in Greece which the Court examined in M.S.S., the possibility that a significant number of asylum seekers removed to that country may be left without accommodation or accommodated in overcrowded facilities without any privacy, or even in insalubrious or violent conditions, is not unfounded. It is therefore incumbent on the Swiss authorities to obtain assurances from their Italian counterparts that on their arrival in Italy the applicants will be received in facilities and in conditions adapted to the age of the children, and that the family will be kept together.”

12. Zoals de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, in de door eisers ingeroepen uitspraak van 23 april 2019 (zaaknummer NL19.6459) heeft overwogen, zijn aan de aanvullende (individuele en op de situatie toegespitste) garanties die ingevolge het arrest Tarakhel van de Italiaanse autoriteiten voor de overdracht in het kader van de Dublinverordening moesten zijn verkregen, in latere jurisprudentie stapsgewijs minder eisen gesteld. Uiteindelijk is (zoals onder meer blijkt uit de beslissingen van het EHRM van 3 november 2015, J.A. e.a. tegen Nederland, nr. 21459/14, www.hudoc.echr.mt, en van 7 juni 2018, H. e.a. tegen Zwitserland, nr. 67981/16, www.hudoc.echr.coe.int) voldoende geacht dat de Italiaanse autoriteiten in het algemeen, bij circulaire aan de autoriteiten van de andere lidstaten, verzekeren dat een aantal plaatsen voor opvang in de SPRAR-locaties was bestemd voor extra kwetsbare asielzoekers en dat zo nodig meer plaatsen beschikbaar zouden worden gemaakt.

13. In de thans bestreden besluiten heeft verweerder uiteen gezet dat de nieuwe Italiaanse wetgeving voorschrijft dat SPRAR locaties (nieuwe naam: SIPROIMI) nu alleen nog beschikbaar zijn voor statushouders en alleenstaande minderjarigen. Asielzoekers zijn aangewezen op de overige opvangstructuren in Italië. Dit betekent dat de garanties dat gezinnen met minderjarige kinderen na een Dublinoverdracht opgevangen worden in een zogenaamde SPRAR locatie, die door de Italiaanse autoriteiten naar aanleiding van het arrest Tarakhel zijn gedaan, zijn komen te vervallen.

14. Verweerder heeft hierin geen aanleiding gevonden om in geval van overdracht van extra kwetsbare asielzoekers in vorenbedoelde zin aanvullende garanties te vragen van de Italiaanse autoriteiten. Verweerder heeft daartoe betoogd dat de huidige situatie in Italië wezenlijk anders is dan de situatie zoals deze voorlag in het arrest Tarakhel. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat de asielinstroom in Italië in 2018 weliswaar een stuk hoger was dan in de periode voorafgaand aan het arrest Tarakhel, maar dat de verhouding tussen de instroom en de opvangplekken aanzienlijk is verbeterd. Voorts blijkt volgens verweerder uit de meest recente cijfers dat het aantal in Italië ingereisde asielzoekers in 2018 een stuk lager ligt dan in de voorgaande jaren en dat deze dalende trend zich in 2019 lijkt voort te zetten. Volgens verweerder kan hieruit geconcludeerd worden dat van een capaciteitsgebrek geen sprake meer zou moeten zijn. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat uit het voorgaande tevens volgt dat de omstandigheden in de opvang in Italië wezenlijk anders zijn dan ten tijde van het arrest Tarakhel. Verweerder heeft daarbij gewezen op de circular letter van de Italiaanse autoriteiten van 8 januari 2019, waarin deze de lidstaten nader hebben geïnformeerd. In die brief is onder meer vermeld dat alle verzoekers om internationale bescherming zullen worden ondergebracht in andere centra, zoals bedoeld in wet 142/2015. De Italiaanse autoriteiten vermelden verder dat, gelet op de inspanningen die de Italiaanse regering heeft verricht om de migratiestromen sterk te verminderen, deze overige opvangstructuren adequaat zijn voor alle asielzoekers, dusdanig dat de fundamentele rechten gewaarborgd zijn, met name de gezinseenheid en de bescherming van minderjarigen.

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich er onvoldoende van heeft vergewist dat de opvang voldoet aan de eisen die op grond van het arrest Tarakhel gesteld mogen worden in het geval van de Dublinoverdracht van extra kwetsbare personen, zoals eisers. Dit klemt te meer nu verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de huidige situatie in Italië wezenlijk anders is dan de situatie die voorlag in het arrest Tarakhel. De rechtbank stelt voorop dat uit de door verweerder genoemde cijfers niet kan worden geconcludeerd dat er van een capaciteitsgebrek geen sprake meer is, nu enkel de instroom is meegenomen en niet de uitstroom, zodat geen vergelijking kan worden gemaakt tussen het aantal aanwezige asielzoekers met recht op opvang en het aantal beschikbare opvangplekken. Voor zover verweerder gevolgd moet worden in de gestelde verbeterde verhouding tussen de instroom en aantal opvangplekken, is de rechtbank van oordeel dat op basis daarvan niet ook kan worden geconcludeerd dat de kwaliteit van de opvang is verbeterd, terwijl ook de kwaliteit van de opvang in het arrest Tarakhel heeft geleid tot het oordeel dat voor de overdracht van extra kwetsbare personen aanvullende (individuele en op de situatie toegespitste) garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig zijn. Het EHRM heeft immers, naast het capaciteitsgebrek, ook andere tekortkomingen meegewogen, zoals de soms ongezonde en gewelddadige omstandigheden in opvanglocaties en het opsplitsen van gezinnen.

Wat betreft de kwaliteit van de opvang wordt in verschillende rapporten (zie bijvoorbeeld AIDA, Country Report Italy 2017 update, maart 2018 en Swiss Refugee Council, Reception conditions in Italy, augustus 2016) geschreven dat deze per locatie kan verschillen en dat gezinnen soms worden opgesplitst. Verweerders stelling dat een incidentele (tijdelijke) splitsing van het gezin niet direct hoeft te duiden op systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen is naar het oordeel van de rechtbank niet op de onderhavige situatie toegesneden. Zoals blijkt uit rechtsoverweging 113 van het arrest Tarakhel was ook ten tijde van de toen gemaakte beoordeling volgens de Italiaanse autoriteiten geen sprake van het systematisch splitsen van gezinnen. De in die rechtsoverweging aangehaalde ontkenning van de Italiaanse autoriteiten dat gezinnen van asielzoekers systematisch werden gescheiden en dat dit slechts in een paar gevallen en voor zeer korte duur was voorgekomen tijdens identificatieprocedures, heeft het EHRM niet weerhouden van zijn oordeel. De in het voorgaande (onder punt 11) geciteerde overwegingen van het EHRM inzake Tarakhel zijn opgenomen onder het kopje “ii The applicants’ individual situation”. Die overwegingen zien dus niet op de beoordeling of sprake is van systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen, maar hebben betrekking op de beoordeling van de individuele situatie van de betrokken asielzoekers. De door verweerder in de bestreden besluiten aangehaalde Afdelingsuitspraken zien voorts voor het overgrote deel op de situatie voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Salvini decreet. De uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018 heeft, zoals van de zijde van eisers terecht is aangevoerd, geen betrekking op de extra kwetsbare categorie asielzoekers waartoe eisers, zijnde een gezin met zeer jeugdige kinderen, behoren. Mede gelet op al het voorgaande heeft verweerder zijn standpunt naar het oordeel van de rechtbank niet (enkel) kunnen baseren op de circular letter van de Italiaanse autoriteiten van 8 januari 2019, nu hieruit niet blijkt waar gezinnen met minderjarige kinderen zullen worden opgevangen en op welke wijze de opvang tegemoet komt aan de speciale behoeftes van minderjarige kinderen.

16. De rechtbank concludeert dan ook dat de bestreden besluiten niet berusten op een voldoende draagkrachtige motivering. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet gezien de aard van het motiveringsgebrek geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank gezien verweerders standpunt ter zitting geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het gezamenlijke beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op om nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, voorzitter, en mr. R.M.M. Kleijkers en

mr. N.J.J. Derks-Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mee te ondertekenen.

rechter/voorzitter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 20 mei 2019

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt één week na de dag van bekendmaking van de uitspraak.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature