< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

.

Uitspraak



Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/767307-16 (dagvaarding I) en 09/827438-17 (dagvaarding II) (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 22 november 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 april 2017, 25 augustus 2017, 22 mei 2018 (steeds niet inhoudelijk) en op de terechtzitting van 4, 5 en 7 november 2019 (de inhoudelijke behandeling) en 8 november 2019 (sluiting).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.J. Silvis naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 4 november 2019 medegedeeld dat zij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 22 mei 2018 - ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen I en II. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat:

ten aanzien van dagvaarding I

Feit 1: de verdachte op een of meer tijdstippen in de periode van 3 november 2016 tot en met 4 januari 2017 in Rotterdam en/of Hoensbroek en/of elders in Nederland samen met een ander of anderen (telkens) opzettelijk (een grote hoeveelheid) hasjiesj heeft verkocht afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd;

Feit 2: hij op 4 januari 2017 in Rotterdam en/of elders in Nederland opzettelijk 1990 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad;

Feit 3: hij op meer tijdstippen in de periode van 23 september tot en met 22 november 2016 in Rotterdam en/of elders in Nederland en/of in België en/of in Marokko samen met een ander of anderen een of meer geldbedragen heeft witgewassen;

Feit 4: hij op 15 september 2016 in Den Haag en/of Amsterdam en/of elders in Nederland samen met een ander of anderen heeft geprobeerd [medeverdachte 1] opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven en/of beroofd te houden;

ten aanzien van dagvaarding II

hij in de periode van 27 juni 2016 tot en met 31 december 2016 in Den Haag en/of Rotterdam en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3 Rechtsmacht en dubbele strafbaarheid van feit 3 witwassen

De rechtbank overweegt dat het haar ambtshalve bekend is dat witwassen zowel in Marokko als in België een strafbaar feit is. De rechtbank is daarom ook bevoegd over witwassen, voor zover dit heeft plaatsgevonden in Marokko en België, te oordelen.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig haar schriftelijke requisitoir, op het standpunt gesteld dat alle bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bij dagvaarding I onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten - kort gezegd: de handel in hasjiesj en het bezit daarvan – op het standpunt gesteld dat de verdachte weliswaar op 4 januari 2017 1990 gram hasjiesj heeft vervoerd en daarmee dus ook aanwezig heeft gehad, maar dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan handel in hasjiesj. Voor wat betreft de bij dagvaarding I onder 4 ten laste gelegde feit en het bij dagvaarding II tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde feit heeft hij bepleit dat de verdachte slechts een loopjongen was.

Op de specifieke (bewijs)verweren van de verdediging zal hierna – voor zover wettelijk vereist – nader worden ingegaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

ten aanzien van dagvaarding I

4.3.1

Feiten 1 en 2 (handel in hasjiesj en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hasjiesj)

In het kader van opsporingsonderzoek Zomervlinder werd onderzoek gedaan naar de mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de handel in verdovende middelen. Ten behoeve van dit onderzoek werd de telecommunicatie waaraan de verdachte deelnam, opgenomen en uitgeluisterd en vonden observaties plaats.

Ter zitting van 4 november 2019 heeft de verdachte erkend dat de telefoonnummers [telnr. 1] en [telnr. 2] aan hem toebehoren.

In tapgesprekken met het nummer [telnr. 1] van de verdachte komt het volgende naar voren:

31 oktober 2016

[naam telnr. 3] [telnr. 3] vraagt om twee van het goedkope van 1600 voor [naam] . De verdachte zegt dat hij er twee zal brengen.

2 november 2016

De verdachte wordt gebeld door [telnr. 3] . De verdachte zegt: “ik heb nog 21 en morgen ga ik jou een plankje brengen” en in een gesprek twee minuten later zegt de verdachte: “ik krijg van jou 1700 voor de foto’s”.

3 november 2016

Om 15:38 uur belt de verdachte [naam telnr. 4] [telnr. 4] en vraagt of hij nog iemand kent die naar Maastricht kan gaan, die “twee van het land van herkomst daar naartoe moet brengen” Als [naam telnr. 4] vraagt hoeveel [naam] wil betalen, antwoordt de verdachte: “ik ga 2 verkopen van die van 13 per stuk”. Omdat het neefje van [naam telnr. 4] geen auto heeft kan hij de auto van de verdachte gebruiken, “want daar zit een geheim in”. Vlak voor het vertrek van de neef belt [naam telnr. 3] en zegt dat een ander nog 3 wil hebben. Hij vraagt of de verdachte de jongen nog drie extra wil geven, 5 in totaal dus.

Vervolgens belt de verdachte met het neefje van [naam telnr. 4] (hierna: [telnr. 5] ), vraagt hoever hij is en stuurt een sms met een adres in Hoensbroek.

De verdachte houdt onderweg met [naam telnr. 3] en het neefje contact. Ook bij de aflevering bij een benzinepomp is hij telefonisch aanwezig en bevestigt hij desgevraagd de chauffeur welke prijs hij moet krijgen. [naam telnr. 3] belt de verdachte op en zegt dat de verdachte deze keer “LB” heeft gestuurd en niet wat hij eerder had gekocht. Hij wil weten wat “3 ‘foto’s’ Lux” kost en vraagt of die jongen morgen nog een “Lux” kan brengen en dat hij hem de hele amanah ( geld ) heeft gegeven. [telnr. 5] zegt dat hij het geld goed heeft geteld.

4 november 2016

[naam telnr. 3] vraagt naar “die Lux wat 13 kost” en zegt er een nodig te hebben. Ook wordt er nog gesproken over wat “die LP” kost. De verdachte vraagt of hij het “plankje van gisteren bedoelt (…) dat kost 12.” De andere kost 13 en wat de man als eerste heeft gehad kost 23. Op de vraag hoeveel de verdachte nog heeft van “die 34” antwoordt de verdachte “29”. [naam telnr. 3] zegt dat iemand “40 stukjes” wil hebben. De verdachte vertelt [naam telnr. 3] dat hij 5 zal meegeven aan de jongen die een neef is van die van vorige keer. [naam telnr. 3] wil 8 “plankjes” maar dat heeft de verdachte niet.

Onderweg houdt de verdachte contact met beiden. Als de jongen uiteindelijk te laat is, heeft [naam telnr. 3] de man al weggestuurd. [naam telnr. 3] zegt dat hij er twee naar de Westerling heeft gebracht, maar dat de drie de mist in zijn gegaan. De verdachte zegt dat hij de volgende keer zelf komt want als zijn service verpest wordt, verliest hij alles.

In tapgesprekken met het nummer [telnr. 2] van de verdachte komt het volgende naar voren:

18 november 2016

[naam telnr. 3] vraagt of de “Luxe” en “P” er nog is en de verdachte bevestigt dat. De verdachte vraagt [naam telnr. 3] naar Venlo te komen en zegt dat hij het papier mee moet nemen. Later die dag rijdt de verdachte bij Eindhoven en [naam telnr. 3] in de richting van Roermond. Op een gegeven moment zegt [naam telnr. 3] dat hij op het station is en de verdachte zegt dat hij er over tien minuten zal zijn. Op dat moment straalt de telefoon van de verdachte een zendmast aan de [straatnaam] te Venlo aan.

22 november 2016

[naam telnr. 3] geeft om 12:53 uur aan dat hij langskomt om papier van die ene die weg is te brengen en dat de verdachte spullen moet klaarzetten. [naam telnr. 3] zegt iemand gevonden te hebben die een zaak heeft en wil afnemen in de vorm van pakketten.

Uit observatie van de politie blijkt dat die dag om 12:54 uur een Renault Clio bij de [adres] geparkeerd stond, waar een kale man in zat. Om 12:55 uur komt de verdachte aan in zijn Renault en parkeert deze bij de Clio. Hij stapt als bijrijder in bij de Clio en stapt om 13:08 uur weer uit. Daarna gaat hij de woning [adres verdachte] in en komt kort daarna weer naar buiten en stapt om 13:11 uur opnieuw in de Clio en stapt kort daarna weer uit en rijdt weg in zijn Renault.

30 november 2016

[naam telnr. 3] belt naar de verdachte en geeft aan dat de man “vijf Lux” wil hebben en dat het goed ingepakt moet zijn in plastic. Er is nog een discussie over of de verdachte het diezelfde avond nog zal brengen of de volgende ochtend. [naam telnr. 3] wil het niet meer die avond, want dan is het te rustig op straat. Later zegt [naam telnr. 3] dat hij zelf nog twee heeft dus dat hij er maar drie hoeft te brengen. De verdachte zegt dat hij de volgende ochtend om 7:00 uur zal vertrekken zodat hij om 10:30 uur bij [naam telnr. 3] is.

3 december 2016

[naam telnr. 3] belt de verdachte en zegt dat de man “drie Tableau en vijf Luxe” wil hebben, dat de ene wel dicht bij is en de andere niet. Ze spreken af voor die avond. De verdachte vraagt of die man wel zijn papieren heeft. [naam telnr. 3] belt de verdachte en zegt dat hij de man alvast de vijf wilde geven, maar de man wilde alles compleet en dan pas betalen, dus wachten ze tot 20:30 uur als de verdachte er is met de “drie Tableau”. Onderweg in de buurt van Eindhoven belt de verdachte nog met zijn broer [naam] en vraagt deze “Ga ze drie kleren nemen” waarop de verdachte antwoordt: “alleen drie, alleen drie”. Tijdens dit gesprek straalt de telefoon van de verdachte een zendmast op het [straatnaam] in Eindhoven aan.

17 december 2016

[naam telnr. 3] belt met de verdachte en ze bespreken dat de “foto's” aan andere mensen zijn gegeven omdat [naam telnr. 3] er niet was, maar dat ze gewoon even geduldig moeten zijn.

23 december 2016

[naam telnr. 3] zegt dat de Westerling “6 of 7 of zelfs 8 ” nodig heeft over een dag of drie á vier “van die luxe” en dat iemand “twee Luxe” nodig heeft.

24 december 2016

Op die dag zegt de verdachte tegen [naam telnr. 3] dat hij een “heel tableau en vijf luxe” voor hem meeneemt. Later zegt dat hij er over twee minuten zal zijn.

Uit observatie van de politie blijkt dat de verdachte op 4 januari 2017 om 9:45 uur de woning aan de [adres verdachte] te Rotterdam in gaat met een gevulde Action Big Shopper. Om 10:20 uur komt hij de woning weer uit met een kleine rode plastic tas en vertrekt met zijn Renault Kangoo. Vervolgens wordt de verdachte omstreeks 11:15 uur op de snelweg A58 richting het zuiden aangehouden. In het voertuig wordt een rode plastic tas aangetroffen met twee gesealde blokken. De blokken worden door een specialist van Bureau Forensische Opsporing onderzocht. Het ging in totaal om twintig plakken hasjiesj met een totaalgewicht van 1990 gram.

Nadat de verbalisanten de personenauto met daarin de verdachte staande hadden gehouden, zagen zij dat er tussen de benen van de verdachte een mobiele telefoon lag waarvan het scherm brandend was. Uit afgeluisterde gesprekken bleek dat met de telefoon [telnr. 2] van de verdachte op woensdag 4 januari 2017 om 11:18 uur een telefoongesprek is gevoerd met telefoonnummer [telnr. 6] in gebruik bij zijn partner [naam] . In het telefoongesprek zegt de verdachte: “Breng alles weg nu gelijk”.

In de Renault van de verdachte werden een iPhone aangetroffen en een TomTom waarin zich de adressen [straatnaam] Scheveningen, [straatnaam] Hoensbroek en adressen in Antwerpen en Brussel bevonden. Onder de achterbank van de Opel Agila van de verdachte bleek zich een verborgen ruimte te bevinden, die kon worden geopend via de knop van de achterruitverwarming en de sigarettenaansteker.

In de fouillering van de verdachte werd een zwarte BlackBerry aangetroffen. Dit betrof een zogenaamde PGP telefoon. De inhoud van de telefoon is van afstand automatisch gewist, waardoor er geen gegevens konden worden vastgesteld. Het doosje van een BlackBerry met hetzelfde IMEI-nummer werd aangetroffen bij de doorzoeking van de [adres verdachte] . In de fouillering van de verdachte bevond zich ook een zwarte Nokia. Daarin werd een sms-bericht aangetroffen waarin het nummer “[telnr. 3]” (in gebruik bij [naam telnr. 3] ) werd gestuurd naar “[telnr. 7]” (het nummer van [naam] , de broer van verdachte). Ook had de verdachte een bedrag van 930,35 euro bij zich.

De verklaring van de verdachte

Ter zitting van 4 november 2019 heeft de verdachte erkend dat hij op 4 januari 2017 1990 gram hasjiesj heeft vervoerd en aanwezig gehad. Voor het overige heeft hij gezwegen.

Het oordeel van de rechtbank

Uit bovengenoemde telefoongesprekken, observaties en overige bevindingen in onderling verband bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van meerdere leveringen richting het zuiden van het land.

In de telefoongesprekken is sprake van versluierd taalgebruik want het gaat over “het goedkope, foto’s, plankjes, lux, luxe, tableaus”. De rechtbank constateert dat de gesprekspartner van de verdachte dan precies weet waar het over gaat. In een telefoongesprek wordt verder aangegeven dat de auto van de verdachte “waarin een geheim zit” kan worden gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dan gedoeld op de verborgen opbergplek onder de achterbank van de Opel Agila van de verdachte. Ook wordt besproken dat de verdachte het de volgende ochtend naar [naam telnr. 3] gaat brengen omdat het in de avond te rustig is op straat. Kennelijk mag de levering niet opvallen.

Als de verdachte wordt aangehouden met de bijna twee kilo hasjiesj is hij weer op weg naar het zuiden van het land. Vlak voor zijn aanhouding spreekt hij nog snel met zijn partner en geeft aan “Breng alles weg nu gelijk”.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat alle telefoongesprekken betrekking hadden op de handel in hasjiesj. Tussen de verdachte en onder meer [naam telnr. 3] was daarbij sprake van een bewuste en nauwe samenwerking want er was steeds overleg over de verkoop en levering van hasjiesj, tegen welke prijs, in welke hoeveelheden, hoe verpakt, door wie en wanneer vervoerd en over de ontvangst van het geld.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met anderen in de periode 3 november 2016 tot en met 4 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan handel in hasjiesj en ten tijde van zijn aanhouding een grote hoeveelheid hasjiesj vervoerde en aanwezig had.

4.3.2

Feit 3 (witwassen)

Uit afgeluisterde telefoongesprekken en observaties is de verdenking ontstaan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door geld via Brussel naar Marokko te laten vervoeren.

23 september 2016

Er vindt een telefoongesprek plaats waarin de verdachte [telnr. 1] naar [telnr. 8] belt op een Marokkaans nummer en zegt dat hij aan [naam] moet zeggen dat hij “een meter en vijf” moet brengen en dat hij daar geld voor krijgt: D en N, waarbij D van Denemarken 144 kost en die van Noorwegen 117. Op 29 december 2016 was de wisselkoers van Deense Kronen naar Marokkaanse Dirham 100 Deense Kronen voor 143 Marokkaanse Dirham en de wisselkoers van Noorse Kronen naar Marokkaanse Dirham 100 Noorse Kronen voor 117 Marokkaanse Dirham.

29 september 2016

De verdachte belt naar [telnr. 9] en vraagt hem de berekening nog een keer door te nemen. [telnr. 9] zegt dat hij het goed heeft berekend en dat het gewoon klopt: 1451500 (1 miljoen 451 en 500). [telnr. 9] zegt verder: “Als ik hem te pakken krijg moet ik haar Amanah geven”. De verdachte zegt: “Geef haar Amanah ja”. Volgens de tolk kan Amanah iets met veel waarde zijn. De verdachte wordt op dezelfde dag nog met een Marokkaans nummer gebeld door [telnr. 9] die zegt dat hij [naam 2] helemaal bij de haven heeft ontmoet en dat hij nu gaat slapen.

5 oktober 2016

[telnr. 8] belt om 20:36 uur naar de verdachte om te zeggen dat ze nog steeds op die man zitten te wachten die hun spullen zou geven. [telnr. 8] bevestigt dat hij daarmee [naam 2] bedoelt. De verdachte zegt dat [naam 2] deze avond zal aankomen. Even later belt [telnr. 8] om te vragen hoeveel tassen de verdachte aan [naam 2] heeft gegeven (antwoord: vijf). Later die avond krijgt de verdachte van [telnr. 8] te horen dat het contact is gelegd en even later dat vijf potten zijn gegeven.

9 oktober 2016

Om 20:49 uur zegt de verdachte tegen [naam 2] dat hij nu gaat vertrekken. Even later zegt hij dat hij onderweg is en vraagt hij of hij naar het hotel moet komen. [naam 2] antwoordt met ja.

10 -13 oktober 2016

De verdachte vertelt aan [telnr. 8] (Marokkaans nummer) dat [naam 2] vanavond zal vertrekken en Amanah heeft. Hij heeft negen dozen meegegeven. Er komen de volgende dagen telefoontjes binnen bij de verdachte van [telnr. 9] (Marokkaans nummer) omdat [naam 2] er nog niet is en zijn telefoon, inclusief Spaanse telefoon niet opneemt. Uiteindelijk neemt [naam 2] op 12 oktober 2016 contact op en ontmoet hij [telnr. 9] op 13 oktober 2016.

15 oktober 2016

De verdachte zet bij [telnr. 8] (Marokkaans nummer) de vraag uit of hij D moet meegeven aan [naam 2] voor [naam] . Een half uur later laat [telnr. 8] hem weten dat hij alles moet sturen. Die avond wenst de verdachte [naam 2] een goede reis.

18 -20 oktober 2016

De verdachte zegt tegen [telnr. 8] dat hij moet zeggen dat de code 5 is. Na wat vertraging ontvangt de verdachte op 20 oktober 2016 een sms van [telnr. 9] (Marokkaans nummer): er is van d 1069300 en n 9000.

30 oktober 2016

De verdachte vraagt op aan [telnr. 9] (Marokkaans nummer) hem op de hoogte te houden van de koersen D en N.

14 november 2016

De verdachte en [naam 2] bespreken telefonisch dat [naam 2] net is aangekomen in Brussel en dinsdag weer naar Marokko vertrekt. De verdachte heeft de volgende dag iets in Brussel en komt dan naar [naam 2] toe. [naam 2] belt naar de verdachte die hem vertelt dat hij zeven stukken voor hem heeft. [naam 2] wil er maar vier meenemen gelet op de strenge controle in verband met de top in Marokko.

Uit observaties blijkt dat de verdachte om 20:55 uur in Brussel geparkeerd staat en door het autoraam een gesprek voert met een lichtgetinte man, die een blauwgroene plastic tas in zijn handen heeft.

17 november 2016

De verdachte belt met [naam 3] en vertelt hem dat [naam 2] zeven tassen heeft. [naam 3] heeft met [naam 2] gesproken. [naam 2] is nu in Casa (Blanca) en gaat morgen Amanah brengen voor [naam 3] . [naam 2] bevestigt aan de verdachte dat hij [naam 3] gaat bellen om hem Amanah te geven.

20 november 2016

De verdachte belt met [naam 2] en zegt dat hij op 21 november bij [naam 2] kan zijn en twee á drie heeft deze keer (niet veel). Op 22 november aan het begin van de middag belt de verdachte met [telnr. 9] (Marokkaans nummer) en zegt hij dat [naam 2] onderweg is met zeven tassen.

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft geen enkele verklaring gegeven voor de gebruikte aanduidingen als “een meter en vijf, D en N, spullen, tassen, potten en stukken”. De rechtbank constateert ook hier dat zijn gesprekspartners wel precies weten waar het over gaat. Er is dus sprake van versluierd taalgebruik. Gelet op de aanduidingen D en N, de genoemde getallen en de geldende wisselkoersen is de rechtbank van oordeel dat het gaat om het vervoer van geldbedragen in Deense en Noorse Kronen. Het gaat ook om grote geldbedragen want ze werden vervoerd in meerdere tassen. Verder volgt uit de telefoongesprekken dat deze bedragen door de verdachte vanuit Nederland naar Brussel werden gebracht en vervolgens door [naam 2] (via Spanje) naar Marokko.

Voor dit alles heeft de verdachte geen enkele verklaring gegeven en evenmin heeft hij zich uitgelaten over de herkomst van deze bedragen. Gelet op het versluierde taalgebruik, de wijze van vervoer, de omstandigheid dat [naam 2] als sprake is van strenge controles, minder tassen wil meenemen, is de rechtbank van oordeel dat het gaat om geld dat van misdrijf afkomstig is.

Met betrekking tot het witwassen is tussen de verdachte en anderen ( [naam 3] en [naam 2] ) sprake van een bewuste en nauwe samenwerking want er is geregeld overleg over de wisselkoersen, de hoeveelheden, het transport van het geld en of het al op de plaats van bestemming aangekomen was.

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met anderen in de periode van 23 september tot en met 22 november 2016 meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

4.3.3

Feit 4 (poging tot ontvoering)

Op 14 september 2016 wordt – zoals hierna ook overwogen onder deelname aan een criminele organisatie – door de politie in een loods gelegen aan de [straatnaam] te Den Haag 445,5 kilogram hasjiesj in beslag genomen. [medeverdachte 1] , meldt zich op 15 september 2016 bij de politie en zegt dat deze partij van hem is en dat hij die op verzoek van ene [medeverdachte 2] heeft aangenomen. Hij herkent [medeverdachte 2] op een foto die hem getoond wordt. Het blijkt hierbij te gaan om [medeverdachte 2] .

Na de inbeslagname van de hiervoor genoemde partij hasjiesj vindt er een aantal tapgesprekken en observaties plaats.

Op 15 september 2016 om 14.21 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] . De vrouw van [medeverdachte 1] neemt op en vertelt dat de politie gisteren bij haar thuis is geweest en alles heeft meegenomen.

Om 19.02 uur neemt een observatieteam waar dat [medeverdachte 2] op het [straatnaam] in Rotterdam in een Opel Agila stapt, die door de verdachte wordt bestuurd. Om 19.35 uur neemt een observatieteam waar dat deze Opel Agila op de [straatnaam] in Den Haag stopt en dat [medeverdachte 2] en de verdachte uitstappen en in de richting van de [straatnaam] lopen.

Om 19.46 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door een Marokkaans telefoonnummer [telnr. 10] . Deze vraagt wat er gaande is en [medeverdachte 2] zegt dat hij in die straten heen en weer aan het lopen is om te kijken wat er aan de hand is.

Om 19.51 uur neemt een observatieteam waar dat de verdachte, [medeverdachte 2] , en [naam 4] een rondje lopen op de [straatnaam] en de [straatnaam] te Den Haag. Uit de politiesystemen blijkt dat [naam 4] verblijft bij zijn vriendin, die aan de [straatnaam] te Den Haag woont.

Om 19.51 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door [naam 4] , die zijn telefoon aan [medeverdachte 2] geeft. [medeverdachte 1] zegt dat niets veilig is en dat alles opgepakt is. [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 1] langs kan komen, omdat hij naast de woning van [medeverdachte 1] is.

Om 20.03 uur belt [medeverdachte 1] naar [naam 4] . [medeverdachte 1] zegt dat hij thuis is en dat de deur openstaat.

Om 20.13 uur neemt een observatieteam waar dat de verdachte, [medeverdachte 2] en [naam 4] naar de woning van [medeverdachte 1] aan de [straatnaam] lopen.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat ‘die kale’ gelijk naar boven zijn huis in rende. De kale geloofde niet dat de partij door de politie was meegenomen en hij zei dat [medeverdachte 1] het had gestolen en als het niet met drie dagen terug zou zijn dan zou hij [medeverdachte 1] en zijn familie opzoeken. Op de door de politie getoonde observatiefoto van 15 september 2016, wijst [medeverdachte 1] de verdachte aan als ‘de kale’.

Om 20.34 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [telnr. 10] . [medeverdachte 2] vraagt aan [telnr. 10] om iemand te sturen om te kijken wat we met deze gast gaan doen. [medeverdachte 2] denkt dat hij en zijn vrouw dat gestolen hebben. [telnr. 10] antwoordt dat [medeverdachte 2] zelf moet kijken wat hij met hem gaat doen en moet kijken wie het gestolen heeft. [medeverdachte 2] zegt dat hij zegt dat de politie is geweest. [telnr. 10] zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij hem moet meenemen en niet loslaten en ‘zijn handen snijden’ (tolk: kan figuurlijk bedoeld zijn voor mishandelen).

Om 20.37 uur belt [telnr. 10] weer met [medeverdachte 2] . [telnr. 10] zegt weer dat [medeverdachte 2] die gast niet los moet laten. [medeverdachte 2] zegt dat hij moet kijken waar hij hem naartoe kan brengen en dat hij jongens moet hebben die hem moeten meenemen. [medeverdachte 2] zegt dat hij daar niemand bij zich heeft en dat hij ze eerst moet regelen.

Om 20.39 uur neemt het observatieteam waar dat de verdachte, [medeverdachte 2] , [naam 4] en [medeverdachte 1] bij de loods in gebruik bij [medeverdachte 1] aan de [straatnaam] staan en dat er in en uit de loods wordt gelopen en dat diverse mensen met elkaar praten aldaar.

Om 20.54 uur belt [medeverdachte 2] naar [telnr. 10] . [medeverdachte 2] vraagt of [telnr. 10] morgen jongens voor hem wil sturen. We gaan hem meenemen want hij zegt dat alles bij de politie ligt. [telnr. 10] zegt dat hij geen jongens heeft die hij gaat sturen.

Om 20.55 uur belt [telnr. 10] naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zegt dat die man met bewijs gaat komen. [telnr. 10] zegt dat [medeverdachte 2] dit niet een week of 3 of 4 dagen mag laten duren.

Om 21.00 uur belt [telnr. 10] met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zegt dat hij een plek moet regelen waar hij hem kan brengen.

Om 21.07 uur belt [telnr. 10] met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zegt dat hij hem moet meenemen en dat hij mensen moet hebben die dat gaan doen. [telnr. 10] zegt dat [medeverdachte 2] hem onder druk moet zetten om zijn spullen terug te krijgen.

Om 21.19 uur neemt een observatieteam waar dat de verdachte en [medeverdachte 2] in de Opel Agila stappen, met de verdachte als bestuurder, en dat zij wegrijden uit Den Haag.

Om 21.25 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [telnr. 10] . [telnr. 10] zegt dat die man ( [medeverdachte 1] ) weet waar de spullen zijn en dat het nu nog mogelijk is dat [medeverdachte 2] zijn spullen kan krijgen als hij die gast onderdrukt om te vertellen waar ze (spullen) liggen. [medeverdachte 2] zegt dat hij nu gaat zoeken naar mensen die die gast gaan meenemen. [medeverdachte 2] gaat mensen bellen die hem gaan meenemen.

Om 21.26 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 2] vraagt of [medeverdachte 4] jongens heeft die een klus voor hem kunnen klaren. Het moeten jongens zijn op wie [medeverdachte 2] kan rekenen want ze moeten iemand meenemen. [medeverdachte 2] vraagt waar hij [medeverdachte 4] kan zien, [medeverdachte 2] komt nu naar hem toe. [medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 2] op hem in [naam restaurant] kan wachten.

Om 22.22 uur neemt een observatieteam waar dat de verdachte en [medeverdachte 2] het restaurant [naam restaurant] te Amsterdam binnengaan en in het linker gedeelte van het restaurant gaan zitten, waarna een medewerker van het restaurant de deuren van het linker gedeelte sluit. Vanaf 22.30 uur hebben de verdachte en [medeverdachte 2] daar een ontmoeting met [medeverdachte 4] en met een onbekend gebleven persoon. Gezien wordt dat voornoemde personen met elkaar in gesprek zijn.

Tijdens deze ontmoeting belt [telnr. 10] om 22:23 uur met [medeverdachte 2] en vraagt wat hij gedaan heeft. [medeverdachte 2] is nog aan het heen en weer rennen. [telnr. 10] vraagt “is hij nog bij jou of heb je hem losgelaten” waarop [medeverdachte 2] antwoordt “Nee hij is niet bij mij vriend. Hij is weggegaan. Hij woont hier, hij heeft hier zijn bootje, zijn huis, zijn moeder en alles”. Hierop zegt [telnr. 10] “als hij weg is dan mag je naar de lucht kijken (tolk: naar die spullen fluiten)”. [medeverdachte 2] zegt dan “ik zweer bij Allah dat ik hem pak.” waarop [telnr. 10] reageert dat het het probleem van [medeverdachte 2] is en dat hij het zelf moet oplossen. Hij wil dat [medeverdachte 2] hem belt om te zeggen dat die spullen terug zijn. Daarop antwoordt [medeverdachte 2] dat hij hem straks gaat bellen.

Om 22.49 uur neemt een observatieteam waar dat de verdachte en [medeverdachte 2] in de Opel Agila stappen en daarbij nog kort contact hebben met [medeverdachte 4] .

Om 23.20 uur neemt een observatieteam waar dat er geüniformeerde politiemensen voor de deur van de woning van [medeverdachte 1] aan de [straatnaam] te Den Haag staan.

Om 23.23 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [telnr. 10] . [medeverdachte 2] zegt dat hij weer onderweg is naar de woning van diegene ( [medeverdachte 1] ). [telnr. 10] zegt dat een dief pas toegeeft dat hij gestolen heeft als hij de dood meemaakt. [medeverdachte 2] zegt daarop: ‘Ja, klopt, dat gaan we nu doen’.

Om 23.27 uur belt [naam 4] , die verblijft bij zijn vriendin in een woning aan de [straatnaam] te Den Haag, naar de verdachte. [naam 4] zegt dat het bij hem vol met politie staat. De verdachte gaat het doorgeven aan zijn vriend.

Om 23.42 uur wordt [medeverdachte 1] aangehouden in zijn woning aan de [straatnaam] te Den Haag.

Om 23.56 uur belt [naam 4] naar de verdachte. [naam 4] zegt dat ze zijn meegenomen. [naam 4] zegt dat hij zelf thuis is. De telefoon van de verdachte straalt op dat moment aan op de [straatnaam] te Den Haag.

Op 16 september 2016 om 00.02 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 2] vraagt of [medeverdachte 4] ‘hem’ heeft gebeld en of ‘ze’ onderweg zijn. [medeverdachte 4] bevestigt dit en zegt dat hij ’hem’ het nummer van [medeverdachte 2] heeft gegeven. De telefoon van [medeverdachte 2] straalt hierbij aan op de [straatnaam] te Den Haag, vlak bij de [straatnaam] .

Om 00.11 uur belt een telefoonnummer eindigend op [telnr. 11] naar [medeverdachte 2] . [telnr. 11] zegt dat hij onderweg is. [medeverdachte 2] zegt dat hij in zijn straat is. De politie is bij hem (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) thuis geweest, ze hebben hem meegenomen. [medeverdachte 2] moet nu eerst gaan kijken hoe het zit. [telnr. 11] zegt dat [medeverdachte 2] moet kijken wat er aan de hand is en [telnr. 11] moet bellen.

Om 00.30 uur belt [medeverdachte 2] naar [telnr. 11] en vraagt of [telnr. 11] ooit heeft meegemaakt dat de politie een deur van een woning ergens forceert en vervolgens niet naar binnen gaat. [telnr. 11] zegt dat hij dat nooit heeft meegemaakt, en dat er dus iets niet klopt. [medeverdachte 2] zegt dat ze dus gewoon hun werk gaan doen. Maar [medeverdachte 2] ziet dat ze (de politie) daar rondjes aan het maken zijn. [telnr. 11] zegt dat die gast het gestolen heeft en dat [medeverdachte 2] met zijn ( [medeverdachte 1] ) vrouw moet praten. [telnr. 11] zegt dat ze moeten weten hoe de situatie is, zodat ze hun plan gaan maken. [medeverdachte 2] en [telnr. 11] spreken af dat ze elkaar later op de dag, na het middaggebed, zullen ontmoeten.

Om 00.33 uur belt [telnr. 10] met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zegt dat hij daar gekomen was met jongens die hij geregeld had en ze zagen daar de politie rondjes maken. [medeverdachte 2] zegt dat de politie de deur van die man heeft geforceerd, die jongen (die woont in de buurt van [medeverdachte 1] ) heeft foto’s laten zien van de arrestatie.

Om 00.36 uur belt [telnr. 10] weer met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zegt dat [telnr. 10] tot morgen moet wachten want hij heeft jongens geregeld maar die zijn nu weg.

Om 02.28 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt dat die jongens naar huis zijn gegaan en dat [medeverdachte 4] morgen met hen heeft afgesproken. [medeverdachte 2] vraagt met hoeveel ze zijn en of ze capabel zijn. [medeverdachte 4] zegt dat ze met z’n tweeën zijn en dat ze gewoon goed zijn.

Op 18 september 2016 om 00.20 uur belt [medeverdachte 2] met een Marokkaans telefoonnummer eindigend op [telnr. 12] , (opmerking tolk: [telnr. 12] is een waarzegger). [medeverdachte 2] zegt in het gesprek het volgende.

Woensdag is hij iets kwijtgeraakt uit hun land van herkomst. Hij was op donderdagochtend naar een vriend van hem, een Nederlander gegaan. Zij hebben een bedrijf, men heeft het op woensdagochtend daar in het bedrijf van een Nederlandse vriend naar binnen gebracht. Na 7 uur is de politie zogenaamd erachter gekomen en de politie heeft het in beslaggenomen. Hierdoor was [medeverdachte 2] boos en had een aantal mensen klaar staan om hem te ontvoeren. [medeverdachte 2] wil weten of dit in beslag is genomen door de politie of is gestolen. Veel is verdwenen. Ongeveer 800 is verdwenen.

Uit de hiervoor opgenomen uiteenzetting van gesprekken en gebeurtenissen gedurende de avond/nacht van 15 op 16 september 2016 leidt de rechtbank het navolgende af.

De verdachte en [medeverdachte 2] zijn gezamenlijk vanaf 19.00 uur vanuit Rotterdam naar de woning van [medeverdachte 1] gegaan om met [medeverdachte 1] te spreken over de verdwenen partij hasjiesj. Rond 20.15 uur is in ieder geval de verdachte de woning van [medeverdachte 1] binnengegaan en heeft hij [medeverdachte 1] te kennen gegeven dat als de partij hasjiesj niet binnen drie dagen terug zou zijn, de verdachte [medeverdachte 1] en zijn familie zou opzoeken. Vanaf 20.30 uur die avond heeft [medeverdachte 2] veelvuldig contact met [telnr. 10] . [telnr. 10] gelooft het verhaal van [medeverdachte 1] niet dat de partij hasjiesj door de politie in beslag is genomen. [telnr. 10] spoort [medeverdachte 2] aan om [medeverdachte 1] te ontvoeren en onder druk te zetten om zo de partij hasjiesj terug te krijgen. Volgens [telnr. 10] moet [medeverdachte 2] het niet drie of vier dagen laten duren. [medeverdachte 2] heeft op dat moment geen jongens die [medeverdachte 1] kunnen meenemen en geen locatie waarnaar [medeverdachte 1] kan worden gebracht. [telnr. 10] zegt dat hij geen jongens heeft die hij kan sturen. Hierna neemt [medeverdachte 2] contact op met [medeverdachte 4] en vraagt of [medeverdachte 4] jongens heeft die voor hem iemand moeten meenemen. [medeverdachte 2] spreekt met [medeverdachte 4] af en gaat direct met de verdachte naar hem toe in Amsterdam. Rond 22.30 uur hebben zij een bespreking met [medeverdachte 4] en een vierde persoon in een besloten gedeelte van restaurant [naam restaurant] . Kort na middernacht bevestigt [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 2] dat hij daadwerkelijk mensen heeft geregeld want ‘ze’ zijn onderweg en [medeverdachte 4] heeft het nummer van [medeverdachte 2] aan ‘hem’ gegeven. Kort daarna belt [telnr. 11] naar [medeverdachte 2] en zegt dat hij onderweg is. De rechtbank gaat ervan uit dat [telnr. 11] één van de personen was die door [medeverdachte 4] is geregeld voor de ontvoering van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] is dan zelf al in de straat van de woning van [medeverdachte 1] . De verdachte is de hele tijd in het bijzijn van [medeverdachte 2] .

Is sprake van een strafbare poging?

Voor een strafbare poging is het nodig dat het voornemen van de verdachte tot het plegen van het misdrijf zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard en dat er gedragingen zijn verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.

In deze zaak is naar het oordeel van de rechtbank op grond van de afgeluisterde telefoongesprekken zonneklaar dat de verdachte en [medeverdachte 2] , daartoe aangespoord door [telnr. 10] , het voornemen hadden om [medeverdachte 1] te ontvoeren. Want in die gesprekken wordt letterlijk gezegd dat ze ‘hem moeten meenemen en niet loslaten’, dat ze ‘jongens nodig hebben op wie ze kunnen rekenen, want ze moeten iemand meenemen’ en dat ze ‘een plek moeten regelen waar ze hem kunnen brengen’. Volstrekt duidelijk is dat het hierbij om [medeverdachte 1] gaat. Uit observaties blijkt dat de verdachte en [medeverdachte 2] rond 20.30 uur in de woning en daarna in de loods van [medeverdachte 1] zijn geweest. In het telefoongesprek om 21.25 uur wordt expliciet benoemd dat die man ( [medeverdachte 1] ) weet waar de spullen zijn. Als hij tijdens de bespreking met [medeverdachte 4] wordt gebeld door [telnr. 10] , zegt [medeverdachte 2] dat hij zweert dat hij hem pakt en later, om 23.23 uur, zegt hij tegen [telnr. 10] dat ze weer onderweg zijn naar de woning van diegene ( [medeverdachte 1] ). [medeverdachte 1] is de voornaam van [medeverdachte 1] .

Het gesprek van 18 september 2016 van [medeverdachte 2] met een waarzegger, sluit naadloos aan op de gebeurtenissen zoals hiervoor weergegeven. Daarin zegt [medeverdachte 2] namelijk expliciet dat hij boos was en een aantal mensen klaar had staan om hem ( de Nederlandse vriend in wiens bedrijf het uit hun land van herkomst op woensdag is gebracht en waaruit het 7 uren later ‘zogenaamd’ door de politie in beslag is genomen) te ontvoeren.

Vervolgens moet worden beoordeeld of dit voornemen zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Bepalend hierbij is of er gedragingen zijn verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Hiervoor is van belang dat ieder misdrijf zijn eigen beginhandelingen heeft. Daarom zal per delict moeten worden beoordeeld wat de karakteristieke handelingen zijn die voldoende zijn om tot een strafbare poging te concluderen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden niet veel meer nodig dan ervoor te zorgen dat sprake is van een situatie waarin de daders fysiek een overwicht op het slachtoffer hebben en dat er gelegenheid is om het slachtoffer te overmeesteren en mee te nemen.

Uit de afgeluisterde telefoongesprekken en observaties blijkt dat twee personen zijn geregeld die “capabel waren” om [medeverdachte 1] te overmeesteren en mee te nemen. Deze personen hadden contact met [medeverdachte 2] en waren onderweg naar Den Haag, naar de woning van [medeverdachte 1] , waar de verdachte en [medeverdachte 2] op dat moment al waren. Deze handelingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank – in het licht van de zonneklare intentie – niet anders worden geïnterpreteerd dan te zijn gericht op voltooiing van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dat het niet tot een voltooiing is gekomen, is louter te danken aan de politie want die heeft, juist om dit te voorkomen, [medeverdachte 1] aangehouden en meegenomen naar het politiebureau.

Bij dit alles past dat [medeverdachte 2] in de telefoongesprekken op 16 september 2016 om 00.11 uur en 00.30 uur, eerst nog tegen [telnr. 11] zegt dat ze gewoon hun werk moeten doen en even later, vanwege de aanwezigheid van politie ter plaatse, de zaak toch afblaast tot de situatie meer duidelijk is.

Dat er tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] in de avond van 15 september 2016 mogelijk nog geen afspraken waren gemaakt over hoeveel de twee personen betaald zou worden en de locatie waar [medeverdachte 1] kon worden vastgehouden, doet aan het voorgaande niet aan af.

Is sprake van medeplegen?

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verdachte bij dit alles niet louter een ondergeschikte rol als chauffeur heeft gehad, maar een actieve rol, waarbij hij nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] . De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

De verdachte is vanaf 15 september 2016 te 19.00 uur tot in de vroege ochtend van 16 september 2016 steeds samen met [medeverdachte 2] geweest en niet van zijn zijde geweken. Hij heeft een actieve rol gespeeld bij het proberen te achterhalen waar de partij hasjiesj is gebleven, want hij heeft [medeverdachte 1] die avond op dreigende wijze een ultimatum gegeven. In de telefonische gesprekken die [medeverdachte 2] die avond met [telnr. 10] heeft gevoerd over het voornemen om [medeverdachte 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, spreekt [medeverdachte 2] veelvuldig in meervoudsvorm (‘kijken wat we met deze gast gaan doen’ en ‘we gaan hem meenemen’). Naar het oordeel van de rechtbank doelt hij hierbij op de verdachte, de enige persoon die op die momenten bij hem in de buurt was. De verdachte was ook bij de besprekingen met [medeverdachte 4] in restaurant [naam restaurant] toen deze plannen werden geconcretiseerd. Het gaat om een ontmoeting in kleine kring, in een meer besloten gedeelte van het restaurant. Dan kan het niet anders dan dat de verdachte niet alleen van het maken van de plannen op de hoogte was, maar daar ook actief aan deelnam. Direct na deze bespreking is de verdachte met [medeverdachte 2] weer naar de woning van [medeverdachte 1] gereden. De verdachte is degene die dan tweemaal door [naam 4] wordt gebeld met mededelingen over de aanwezigheid van politie voor de woning van [medeverdachte 1] en vervolgens over de aanhouding van [medeverdachte 1] . Op geen enkele wijze blijkt uit de reactie van de verdachte in deze gesprekken dat hij niet wist wat de implicatie van de mededeling van [naam 4] was. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de verdachte aan [medeverdachte 1] eerder die avond een ultimatum heeft gegeven, niet met zich brengt dat – na aansporing door [telnr. 10] , die zegt dat het niet drie of vier dagen moet duren en dat ze [medeverdachte 1] moeten meenemen en onder druk zetten – geen sprake kan zijn van een gewijzigd voornemen tot wederrechtelijke vrijheidsberoving later op de avond.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en [medeverdachte 2] tezamen met anderen zich opzettelijk schuldig hebben gemaakt aan een poging om [medeverdachte 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden.

ten aanzien van dagvaarding II

4.3.4

Deelname aan een criminele organisatie

Algemeen

In artikel 11b Opiumwet is deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een aantal misdrijven uit de Opiumwet strafbaar gesteld. Dit artikel is de specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voor de betekenis van de verschillende bestanddelen moeten dan ook aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie betreffende artikel 140 Sr .

Een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men samenwerkt met, althans bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, een bepaalde gezamenlijke werkwijze, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling en een bepaalde hiërarchie. De organisatie dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, hetgeen betekent dat het plegen van misdrijven het naaste doel van de organisatie is. Voor het bewijs van het oogmerk kan betekenis toekomen aan het meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking. Dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Ook kan het oogmerk blijken uit de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Er is sprake van deelnemen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr , indien de verdachte behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk, te weten: het plegen van misdrijven. De verdachte dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de deelnemer enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad.

Ten aanzien van deze zaak

In het dossier bevinden zich meerdere afgeluisterde telefoongesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 2] . Uit de inhoud van die telefoongesprekken blijkt het volgende.

Op 12 juli 2016 om 22:04 u wordt [medeverdachte 2] gebeld door de verdachte. De verdachte zegt ‘hij zei dat er nog 20 rest en geen 30’, hij heeft het over die man uit Amsterdam. [medeverdachte 2] zegt dat hij naar hem toe komt.

Op 14 juli 2016 belt de verdachte naar [medeverdachte 2] en vraagt wat hij met die man moet doen. [medeverdachte 2] vraagt wat de man heeft gezegd. De verdachte antwoordt: ‘(…) hij zei “Ik geef jullie tussen de 20 en 30”. Ik zei tegen hem ‘je neemt ons in de maling. Eerst zei je tussen 50 en 80 en nu is het 20 geworden.” De verdachte wil weten wat hij met die man moet doen. [medeverdachte 2] zegt ‘zeg hem dat wij naar hem toe gaan tussen 5 en 6 uur’.

Op 18 juli 2016 voeren zij een gesprek waarin de verdachte vraagt of [medeverdachte 2] een oude man uit Maastricht kan helpen die “wat foto’s wil hebben om 30 of 40 te kopen”. [medeverdachte 2] zegt “er is iets is voor 14” en even later “en er is ook iets voor 2200 en 2300” en “En iets voor 27” waarop de verdachte antwoordt “Die zal hij wel willen”. De verdachte vraagt ook of [medeverdachte 2] “de plankjes” bij zich heeft. Die heeft [medeverdachte 2] niet, maar hij kan daar wel een meneer voor bellen om te kijken of die heeft. Even later vraagt de verdachte nogmaals “jij hebt geen foto’s uuh geen plankjes nu?

Op 18 en 19 juli 2016 volgen nog een aantal gesprekken over “plankjes”.

Op 20 juli 2016 belt de verdachte met [medeverdachte 2] en zegt dat hij met die man heeft afgesproken bij het vliegveld boven in een café. [medeverdachte 2] zegt dat dat geen goed idee is, omdat er op het vliegveld camera’s zijn en men daar kan afluisteren. Het is beter om ergens anders af te spreken.

Op 24 augustus 2016 belt [medeverdachte 2] naar de verdachte. De verdachte gaat morgen naar een meneer die hem een nummer 13 gaat lenen. De verdachte gaat hem nu bellen om hem blij te maken; hij zal hem zeggen dat er een 13 zal zijn. [medeverdachte 2] zegt dat de verdachte dat heel goed gedaan heeft. Hij zegt ‘zeg hem “ik heb 13 gevonden voor morgen”. De verdachte zegt dat hij het gaat regelen.

Op 28 augustus 2016 vindt er een gesprek plaats tussen de verdachte en [medeverdachte 2] waarin de verdachte zegt dat die ander “Gardalla” wil, “een stuk of twee meter”.

Op 31 augustus 2016 belt de verdachte naar [medeverdachte 2] over [naam] die smeekt om twee meter. [medeverdachte 2] reageert “er is 1 man die wat heeft. Als je wil dat ik het kom brengen zodat hij het kan bekijken, dan kan dat (…) nee, nee dit gaat om een klein beetje (…) voor 2 meter moet hij wachten tot diegenen het komen brengen. Zeg hem dat hij even moet wachten.” [medeverdachte 2] heeft geen twee meter, maar een klein beetje.

Op 1 september 2016 belt [medeverdachte 2] met de verdachte en zegt dat hij hem een nummer zal geven van iemand die wel twee meter heeft.

Op 9 september 2016 belt [medeverdachte 2] met de verdachte en vraagt hem om naar [naam] te gaan. De verdachte zegt dat hij om 19u naar Amsterdam gaat en 2000 euro gaat halen en die gaat opsturen. De verdachte vraagt of de mensen uit Frankrijk al zijn gearriveerd. [medeverdachte 2] zegt van niet. Hij heeft naar zijn zwager gebeld die de taal spreekt en die heeft gezegd dat hij niet weet waar de mensen blijven.

Uit de gevoerde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] ook na zijn vertrek naar Marokko intensief contact heeft met de verdachte. Dit blijkt uit de volgende gesprekken:

Op 3 oktober 2016 zegt [medeverdachte 2] ‘Verkoop dat hoer maar. Als men jou iets van 2000

daarvoor biedt dan verkoop je het maar.’. De verdachte zegt dat hij morgen naar de markt gaat en gaat kijken wat het oplevert. Hij zal het [medeverdachte 2] laten weten.

Op 4 oktober 2016 belt [medeverdachte 2] en vraagt ‘heb je dat ding naar iemand gebracht om het te bekijken of niet?’ Nee, straks pas. Het is hier nog maar half één, zegt de verdachte. [medeverdachte 2] zegt ‘ga wel bij die man langs alsjeblieft (...) Doe maar wat je wil maar hou me op de hoogte.’ De verdachte zegt dat de verdachte moet kijken wat hij ermee kan doen en wat de prijs is, wat hij (een derden) gisteren heeft gegeven.

Op 5 oktober 2016 zegt de verdachte dat er straks mensen komen om meters te nemen. [medeverdachte 2] zegt ‘Luister, het maakt niet uit of ze 2, 4, 5 of 10 meter gaan nemen. (...) Zelfs die 1 wat je aan hem gaat geven om ernaar te kijken/testen moet hij betalen. Niks geven zonder betaling.’. De verdachte zegt dat het goed is.

Op 6 oktober 2016 zegt de verdachte dat die Westerling hem gebeld heeft en vroeg of hij een plankje voor hem wilde brengen, maar de verdachte weet niet of dat verstandig is. [medeverdachte 2] vindt dat de Westerling naar de verdachte moet komen.

Op 7 oktober 2016 belt de verdachte naar [medeverdachte 2] , waarin hij zegt dat [medeverdachte 2] heeft gezegd dat ‘ze dat plankje van voor 22,5 mochten hebben”. Hierop zegt [medeverdachte 2] dat hij niets tegen die mensen heeft gezegd. De verdachte geeft vervolgens de telefoon aan een vrouw met wie hij is. [medeverdachte 2] zegt de vrouw dat hij aangegeven heeft dat er moet worden gekeken naar wat de huidige marktprijs is. [medeverdachte 2] zegt dat dat ding nergens te koop is voor de prijs van 22,5.

Op 8 oktober 2016 belt de verdachte naar [medeverdachte 2] en zegt dat “een plankje” 23 kost. De verdachte heeft haar ook gezegd dat de marktprijs 23 is. [medeverdachte 2] zegt dat de verdachte aan niemand spullen mag geven zonder betaald te worden, ook al gaat het om 1 plankje’. De verdachte zegt dat hij gisteren een hele plank aan die Hollander heeft gegeven, maar dat hij het uiteindelijk niet heeft genomen, terwijl hij er wel aan heeft gezeten.

Op 23 oktober 2016 zegt [medeverdachte 2] ‘bel naar diegene in Amsterdam en haal een kilo

van die afval en breng het naar dat adres in Den Haag. Maar dat moet je vandaag

bekijken.’. Even later geeft [medeverdachte 2] het nummer van diegene in Amsterdam door en

zegt tegen de verdachte ‘als hij zegt ga het halen dan moet je nu gelijk naar die plek naar dat

adres gaan. Naar dat adres waar je hem steeds gaf’.

Op 25 oktober 2016 belt [medeverdachte 2] naar de verdachte en zegt dat die westerling morgen wil afspreken daar op de [straatnaam] . De verdachte zegt dat hij morgen daar zal zijn tussen 12u en kwart over 12. Later zegt [medeverdachte 2] dat hij een afspraak heeft gemaakt voor de verdachte met die Christen tussen 12 en kwart over 12. [medeverdachte 2] zegt dat het goed komt want hij gaat er alles aan doen om brood te kunnen verdienen.

Op 26 oktober om 12:07u belt de verdachte naar [medeverdachte 2] en zegt dat hij die man heeft

gezien en klaar is met hem. [medeverdachte 2] zegt ‘moge God jou belonen beschermen en jouw

ouders behoeden’.

Het observatieteam heeft waargenomen dat de verdachte op de [straatnaam] als bijrijder is

ingestapt in een Hyundai . Als hij instapt heeft hij een tasje van de [bedrijfsnaam] bij zich.

Als hij weer uitstapt heeft hij niets in zijn handen.

Op 7 december 2016 belt de verdachte met [medeverdachte 2] en vraagt ‘wat jij hebt is luxe toch?’ waarop [medeverdachte 2] met ‘ja’ antwoordt. De verdachte zegt dat die gevraagd/gewild is.

In een later gesprek vraagt [medeverdachte 2] aan de verdachte of hij ‘luxe’ wilt hebben, want hij weet wie de eigenaar van die ‘luxe’ is. De verdachte vraagt [medeverdachte 2] ‘hoeveel diegene ervoor vraagt’, waarop [medeverdachte 2] antwoordt “volgens mij 1300”.

Op 11 december 2016 bespreken de verdachte en [medeverdachte 2] hoe het staat met de strafzaak van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] wil graag terug naar Nederland, dan kan hij geld gaan verdienen. [medeverdachte 2] vraagt of de verdachte geld van [naam] heeft gekregen. De verdachte is bij [naam] geweest en wat ze aan hem hadden gegeven is niet goed. De verdachte denkt dat [naam] het in zijn geheel gaat teruggeven.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het bij al de hiervoor genoemde (versluierde) telefoongesprekken telkens om hasjiesj. De rechtbank leidt verder uit al deze gesprekken af dat de verdachte en [medeverdachte 2] lange tijd - in elk geval vanaf 12 juli 2016 tot en met december 2016 - intensief hebben samengewerkt op het gebied van de verkoop van hasjiesj, waarbij [medeverdachte 2] de verdachte opdrachten geeft, hem instrueert en bepaalt wat er gezegd en gedaan moet worden.

Daarnaast blijkt uit de hierna te noemen telefoongesprekken en observaties dat [medeverdachte 2] en anderen een grote hoeveelheid hasjiesj uit Marokko naar Nederland hebben vervoerd en dat de hasjiesj werd opgeslagen in een loods aan de [straatnaam] te Den Haag.

Op 5 september 2016 geeft [medeverdachte 2] het Marokkaans telefoonnummer van [telnr. 10] aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] moet dit nummer bellen en een afspraak maken. Enkele minuten later doet [medeverdachte 1] dat en stuurt naar dat nummer een sms “ [locatie gegevens] ”.

Op 8 september 2016 belt [medeverdachte 2] met [telnr. 10] en zegt dat de broer van zijn vrouw de taal van daar beheerst. Hij zal met de vrienden van [telnr. 10] in hun eigen taal spreken en aangeven waar en zo.

Op 9 september 2016 wordt [medeverdachte 2] gebeld met het nummer [telnr. 13] . Dit nummer staat op naam van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] is de zwager van de verdachte. [medeverdachte 3] zegt dat hij nog niets heeft vernomen waarop [medeverdachte 2] zegt “Ze hebben mij nog niet gebeld broeder, ze zijn nog niet gekomen” en “ik weet niet wanneer ze zullen komen, broeder. Ik had je gezegd dat ik je op de hoogte zal brengen zodra ze mij bellen.” Daarna heeft [medeverdachte 2] contact met [telnr. 10] . [telnr. 10] zegt dat de jongens onderweg zijn en in de avond bij [medeverdachte 2] zijn. [medeverdachte 2] wordt een beetje boos en zegt dat het vrijdag is en in de avond arriveren riskant is. [telnr. 10] zegt dat de jongens geen beginners zijn. Misschien hebben ze gemerkt dat het niet veilig is en daarom zitten ze ergens te wachten.

Op 10 september 2016 wordt [medeverdachte 2] gebeld door NN met een Marokkaans telefoonnummer die zegt “we gaan in beweging komen en samen brood verdienen (…) zodra het offerfeest voorbij is komen die mensen uit Frankrijk die dingen bij jou brengen. Het komt wel goed”. [medeverdachte 2] geeft dan aan dat het goed spul moet zijn, anders hoeft het niet.

Op 12 september 2016 wordt [medeverdachte 2] gebeld door NNman die zegt dat hij dinsdag komt en dat hij vooraf zal bellen. Hij vraagt of [medeverdachte 2] hem kan opwachten in Antwerpen. [medeverdachte 2] zegt dat hij een familielid zal sturen die Frans spreekt en het contact zal onderhouden.

Kort hierna belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 3] . Hij zegt “bel alsjeblieft die mensen wiens nummer ik je heb doorgegeven. Mijn beltegoed is op. Bel ze op en praat met hem. Ik heb je nummer al doorgegeven.”

Even later belt [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] en zegt: “is goed. Ik ga ze nu bellen om te kijken wat er is en dan laat ik het jou weten. (…) Ik ga nu een kaart kopen en dan ga ik ze bellen”. Daarop reageert [medeverdachte 2] met “wel opschieten broeder” Even later belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] met het prepaid nummer [telnr. 14] en zegt “geef me dat nummer”. Hierop antwoordt [medeverdachte 2] : ”Ik heb het in deze telefoon. Bel me zo terug”. Hierop belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] , waarop [medeverdachte 2] hem een telefoonnummer doorgeeft. Om 00.34 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] en zegt “ik heb hem gesproken”. Hierop vraagt [medeverdachte 2] “klaar?” waarop [medeverdachte 3] reageert “ja”.

In de avond belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] en ze spreken af in Scheveningen. Daarna belt [medeverdachte 2] met [telnr. 10] en vraagt of de jongens die komen een Jeep hebben. [medeverdachte 2] zegt “ik ga kijken waar die naar binnen kan” Volgens [telnr. 10] moet [medeverdachte 2] alleen de bak nemen.

Op 14 september 2016 wordt [medeverdachte 2] om 00:25u gebeld door [medeverdachte 3] met de mededeling dat het vandaag om 06:00u gaat gebeuren en dat hij “daar” zal zijn tussen 7 en 8 uur. [medeverdachte 2] belt om 08:19 uur [medeverdachte 1] en zegt dat hij over een uurtje misschien met hem koffie wil drinken.

Om 9:02u belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] en zegt “we zijn daar” waarop [medeverdachte 2] zegt dat hij hem gaat bellen en meteen daarop [medeverdachte 1] belt.

Om 09:06u belt [medeverdachte 1] met zijn broer en zegt: “ze zijn hier…volgens mij zag ik een Franse wagen staan maar alleen mijn vriend zag ik nog niet, het kan best zijn dat het een bus is, dus dan geef ik jou even een belletje”. [naam] heeft alvast een parkeerplaats geregeld.

Om 9:08u belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] en vraagt of zijn zwager al “hier” is. [medeverdachte 1] ziet hem niet. [medeverdachte 2] zegt dat hij denkt dat zijn zwager bij de [bedrijfsnaam] is.

Vervolgens wordt gezien dat [medeverdachte 1] om 09:20u een Franse Renault Megane achteruit de garage aan de [straatnaam] inrijdt. De Renault staat daar met geopende kofferbak. Om 09:28u wordt de Renault door [medeverdachte 1] de garage weer uitgereden.

Om 09:34u wordt [medeverdachte 2] gebeld door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] vraagt met hoeveel ze gekomen zijn. [medeverdachte 3] antwoordt met zijn zessen in “drie dingen”. Daarop vraagt [medeverdachte 2] zit het in al die drie” en antwoordt [medeverdachte 3] “nee, alleen in 1”.

Om 09:41u belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] en zegt dat hij moet nakijken of het allemaal daar is en hij zegt “geef hem maar eentje …(ovs) die meneer”Gezien wordt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] om 10:06u de garage binnen gaan.

Om 10:09u belt [medeverdachte 1] met de telefoon van [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] en vraagt “is het beter dat we alles effe nakijken”. [medeverdachte 2] zegt dat dat goed is.

Om 10:12u verlaat [medeverdachte 3] de loods.

Om 10:15u belt [naam] belt met [medeverdachte 1] en zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij onderweg is. [medeverdachte 1] zegt dat hij in de garage aan het opruimen is.

Om 11:18u blijkt dat [naam] in de loods is en de vrouw van [medeverdachte 1] wordt binnengelaten.

Om 11:51u wordt gezien dat [medeverdachte 1] en zijn vrouw de garage verlaten. Om 12:08u betreedt de politie de garage aan de [straatnaam] te Den Haag.

Tijdens de doorzoeking werden een groot aantal goederen in de loods in een kast en achter een dekzeil aangetroffen. Uit onderzoek blijkt dat het gaat om hasjiesj. De hasjiesj was verpakt in kartonnen dozen en sporttassen. Op een verhuisdoos en een pakket stond de letter “B” vermeld. Op andere kartonnen dozen en pakketten de letter “A”. Op de blokken hasjiesj werden diverse logo's aangetroffen: 'Termonato', 'Pino'(of iets soortgelijks) en 'lhuhu'. De hasjiesj was omwikkeld met tape en krimpfolie. In enkele dozen zaten pakketjes met hasjiesj verpakt in krantenpapier. De kranten zijn afkomstig uit Marokko. Elk pakketje bestond uit bruin tape met de letter 'H'. Sommige pakketjes waren voorzien van een wit crème/poeder laagje dat wordt gebruikt om de geur van de hasjiesj te maskeren. Het totaalgewicht aan aangetroffen hasjiesj is 444,5 kilogram.

In de loods aan de [straatnaam] werd ook een handgeschreven notitie aangetroffen met daarop vermeld een aantal hoeveelheden in kilogrammen met de vermelding “A” in totaal 245, een aantal hoeveelheden in kilogrammen, met de vermelding “B”, in totaal 142.9. Boven aan de notitie staat 387.900 vermeld. Volgens [medeverdachte 1] is dit wat er uit de auto kwam.

De verdachte was met dit drugstransport bekend en erbij betrokken want hij belt met [medeverdachte 2] op 9 september 2016 en vraagt of die mensen uit Frankrijk al zijn gearriveerd. [medeverdachte 2] zegt dat hij naar zijn zwager gebeld heeft die de taal spreekt en dat hij niet weet waar die mensen nou blijven.

Duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband

De reeds aangehaalde bewijsmiddelen leveren naar het oordeel van de rechtbank, in onderling verband en samenhang beschouwd, het wettig en overtuigend bewijs dat een samenwerkingsverband actief is geweest dat tot doel had een grote hoeveelheid hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland te brengen en op te slaan in een loods aan de [straatnaam] te Den Haag en daarnaast hoeveelheden hasjiesj door te verkopen, af te leveren en te vervoeren.

Dat het om een grootschalig, planmatig en gestructureerd samenwerkingsverband ging, blijkt uit de grote hoeveelheid tapgesprekken, uit het aanzienlijke aantal strafbare feiten en verdachten dat in het onderzoek Zomervlinder naar voren is gekomen, uit de hierna te bespreken rolverdeling tussen de verschillende verdachten en uit de wijze waarop zij hun werkzaamheden uitvoerden. In de onderlinge contacten tussen de verdachten is veelvuldig en op georganiseerde wijze gebruik gemaakt van mobiele telefoons, waaronder een zogenoemde PGP-BlackBerry (die kort na de aanhouding van de verdachte in zijn voertuig werd aangetroffen); de verdachten gebruikten bij hun illegale activiteiten meerdere telefoons en wisselden veelvuldig van telefoonnummer en -toestel. Een dergelijke telefoondiscipline duidt naar het oordeel van de rechtbank op een professionele werkwijze van een criminele organisatie, kennelijk bedoeld om het opsporingsdiensten moeilijk te maken. Om het plegen van voornoemde misdrijven mogelijk te maken en criminele activiteiten te kunnen verhullen, spraken de verdachten tijdens de vele telefoongesprekken telkens in versluierd taalgebruik. Zo werden er specifieke benamingen zoals “H, A, sleutels (sloten), plankjes, luxe, meter en afval” gebruikt ten behoeve van de handel/verkoop van hoeveelheden hasjiesj. Opvallend hierbij is dat de bellende partijen weten waarover gesproken wordt, zonder dat er nader uitleg aan de termen hoeft te worden gegeven. Uit een telefoongesprek van 14 september 2016, waarin [medeverdachte 2] tegen [telnr. 10] zegt dat hij over 15 a 30 minuten van buiten terug gaat bellen, blijkt dat er ook telefoongesprekken werden gevoerd via belhuizen. Naast de telefonische gesprekken spraken de verdachten ook regelmatig af met derden in openbare ruimten. Uit een reeds eerder aangehaald tapgesprek van 20 juli 2016, waarin [medeverdachte 2] tegen de verdachte zegt dat het geen goed idee is om op het vliegveld af te spreken, omdat er camera’s zijn en men daar kan afluisteren, blijkt verder naar het oordeel van de rechtbank dat de ontmoetingslocaties bewust en op zorgvuldige wijze werden gekozen. Ook is vast komen te staan dat gebruik werd gemaakt van een auto (Opel Agila) in gebruik bij de verdachte die over een verborgen ruimte beschikte om hoeveelheden hasjiesj in te vervoeren.

Rolverdeling

Hoewel het onderzoek niet alle schakels in het samenwerkingsverband heeft kunnen blootleggen (zo is niet duidelijk geworden wie het brein achter de organisatie in Marokko was en is de daadwerkelijke identiteit van de [telnr. 10] onbekend gebleven) is naar het oordeel van de rechtbank wel komen vast te staan dat de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [telnr. 10] over een langere periode hebben deelgenomen aan dit samenwerkingsverband en daarin elk hun eigen rol en taak hadden, die cruciaal was voor het welslagen van de door de organisatie beoogde misdrijven.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] een centrale, dominante en sturende rol binnen de organisatie vervult. [medeverdachte 2] was degene die veelvuldig contact onderhield met de [telnr. 10] , degene die vanuit Marokko het transport naar Nederland regelde. Uit de door gevoerde tapgesprekken komt verder het beeld naar voren dat [medeverdachte 2] degene is die de onderlinge contacten in de groep onderhield: hij stuurde zijn zwager om de koeriers op te halen en zorgde ervoor dat [medeverdachte 1] klaar stond om de partij hasjiesj in ontvangst te nemen. Verder regelde hij personen die drugs konden leveren. Ook stuurde hij [verdachte] aan bij de handel in en verkoop van hasjiesj. Uit het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [medeverdachte 2] een leidinggevende rol had binnen de organisatie.

Zoals hiervoor al overwogen, volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte zorgde voor de leveringen van de hasjiesj door (telkens) hoeveelheden hasjiesj in opdracht van [medeverdachte 2] te verkopen en af te leveren aan derden. Daarbij maakte hij gebruik van meerdere auto’s, waaronder de hiervoor genoemde Opel Agila met een verborgen ruimte. De samenwerking intensiveerde na het vertrek van [medeverdachte 2] naar Marokko. Uit de telefoongesprekken komt het beeld naar voren dat de verdachte en [medeverdachte 2] samenwerkten – waarbij het ene moment [medeverdachte 2] de leiding nam en het andere moment de verdachte – om de prijzen van de hoeveelheden hasjiesj te bepalen en om allerlei potentiële afnemers ten behoeve van de handel in hasjiesj te onderhouden. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee binnen het criminele samenwerkingsverband een wezenlijke, ondersteunende en uitvoerende rol heeft vervuld.

[medeverdachte 1] was in opdracht van [medeverdachte 2] verantwoordelijk voor de ontvangst van de geleverde hasjiesj en droeg ook zorg voor de opslag daarvan. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] de pakketten, dozen en tassen met hasjiesj uitgeladen, gecontroleerd, gewogen en voorzien van codes (‘A, H en L’). Daarmee had [medeverdachte 1] een voornamelijk uitvoerende rol en stond hij lager in de organisatie.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [telnr. 10] allen een substantieel aandeel gehad in de criminele organisatie en de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Zoals hiervoor is overwogen en uit de bewijsmiddelen blijkt, was sprake van een handelwijze die een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen vergde. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [telnr. 10] hebben deelgenomen aan een samenwerkingsverband dat tot doel had om misdrijven te plegen.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 27 juni 2016 tot en met 31 december 2016 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie dat tot doel had een grote hoeveelheid hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te slaan in een loods aan de [straatnaam] te Den Haag en daarnaast hoeveelheden hasjiesj door te verkopen, af te leveren en te vervoeren.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

ten aanzien van dagvaarding I (09/767307-16)

1.

hij op meer tijdstippen in de periode van 3 november 2016 tot en met 4 januari 2017 te Rotterdam en Hoensbroek en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, telkens een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl het feit eenmaal betrekking heeft op een grote hoeveelheid hasjiesj;

2.

hij op 04 januari 2017 te Rotterdam en elders in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad 1990 gram, een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid hasjiesj;

3.

hij op meer tijdstippen in de periode van 23 september tot en met 22 november 2016 te Rotterdam en elders in Nederland en België en Marokko, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, immers hebben verdachte en zijn mededaders grote geldbedragen, te weten onder meer 1.069.300 Deense Kronen en andere grote geldbedragen in Deense Kronen en Noorse Kronen, via België naar Marokko vervoerd;

4.

hij omstreeks 15 september 2016 te 's-Gravenhage en te Amsterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om opzettelijk [medeverdachte 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden, meer personen heeft geregeld die die [medeverdachte 1] van de vrijheid zouden kunnen beroven en vervolgens naar 's-Gravenhage en naar de woning van [medeverdachte 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van dagvaarding II (09/827438-17)

hij in de periode van 27 juni 2016 tot en met 31 december 2016 te 's-Gravenhage en Rotterdam en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf): [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon, aangeduid als [telnr. 10] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede, vierde en vijfde lid van de Opiumwet , te weten

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid hasjiesj en

- het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van hoeveelheden hasjiesj en

- het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hasjiesj.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met de ernst van de door haar bewezen geachte feiten en verdachtes rol in de criminele organisatie enerzijds, en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting anderzijds -wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een fors voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld een proeftijd. Daarnaast wordt verzocht om aan de verdachte een maximale taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis op te leggen. De verdachte betreft een first offender en daarnaast is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Volgens de raadsman is dit een straf die passend is en recht doet aan de situatie.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging om [medeverdachte 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden, omdat gedacht werd dat hij een grote partij hasjiesj achterover had gedrukt. Uit de telefoongesprekken blijkt dat hierbij geweld niet zou worden geschuwd. In korte tijd zijn hiervoor mensen geregeld en deze personen zijn ook afgereisd naar de woning van [medeverdachte 1] . Ingrijpen van de politie heeft gelukkig erger voorkomen. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat dit alles een grote impact op hem heeft gehad.

Verder heeft de verdachte zich (binnen een crimineel verband) schuldig gemaakt aan de invoer van hasjiesj, de handel in hasjiesj en het bezit daarvan. Het in georganiseerd verband bezig zijn met verdovende middelen heeft een ondermijnende werking in de Nederlandse samenleving want het gaat – ook bij softdrugs – om veel geld

Daarnaast heeft de verdachte samen met anderen gedurende enkele maanden gelden die van misdrijf afkomstig naar het buitenland gebracht. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en het draagt bij aan de instandhouding van criminaliteit. Witwassen dekt namelijk onderliggende strafbare feiten af en maakt het mogelijk dat criminele opbrengsten als legaal geld in het verkeer komen. De verdachte heeft daaraan samen met anderen een bijdrage geleverd.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 9 oktober 2019, waaruit blijkt dat hij in een ver verleden is veroordeeld voor een soortgelijke misdrijf.

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van een op 20 maart 2017 ingekomen advies van Reclassering Nederland. Daarin staat dat de reclassering zich vanwege een tekort aan informatie onthoudt van een advies. Wel lijkt de verdachte zijn leven zelfstandig vorm te kunnen geven en heeft ook geen directe hulpvraag.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na zijn vrijlating uit voorlopige hechtenis een nieuwe start heeft gemaakt. Hij woont weer samen met zijn vriendin en zijn drie kinderen. Verder werkt hij als bezorger van kranten en folders. Hij heeft geen schulden.

De op te leggen straf

Naar het oordeel van de rechtbank kan op het plegen van ernstige strafbare feiten als de bovengenoemde niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De strafzaak voor de verdachte is bijna drie jaar geleden aangevangen zodat, ook als rekening wordt gehouden met de aard en de omvang van de zaak, het onderzoek en het aantal verdachten, sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank weegt verder in het voordeel van verdachte mee dat hij gedurende zijn schorsing geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. De proceshouding van de verdachte wordt in zijn nadeel meegewogen. Hij heeft alleen dat bekend waar hij echt niet onderuit kon en voor het overige geen openheid van zaken gegeven en geen verantwoordelijkheid genomen.

De rechtbank acht, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, voor de bewezen verklaarde feiten in beginsel een gevangenisstraf van 26 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. In verband met overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank op deze straf een korting van twee maanden toepassen.

De rechtbank ziet geen aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Dat betekent dat de verdachte, na aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, nog een flink aantal maanden zal moeten uitzitten. De rechtbank is van oordeel dat met deze straf voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de feiten en acht dus een lagere straf passend dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om, zoals door de officier van justitie is gevorderd, de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bij einduitspraak op te heffen, maar zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

8 Beslag

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de beslaglijst genummerde voorwerpen 1 en 2, te weten twee auto’s, zullen worden verbeurd verklaard, omdat de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de beide auto’s aan de verdachte moeten worden teruggegeven.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen dienen te worden verbeurd verklaard. Met behulp van deze voorwerpen zijn immers de bewezenverklaarde feiten begaan. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a, 45, 47, 55, 57, 63, 282 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 3, 11, 11 b van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/767307-16 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten en het bij dagvaarding II met parketnummer 09/827438-17 tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I

Feiten 1 en 2:

eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, terwijl het feit eenmaal betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

Feit 3:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

Feit 4:

medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van dagvaarding II

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, tweede, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

beslag

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Personenauto (Opel Agila 2003, kleur: blauw, met het kenteken [kenteken] )

- 1.00 STK Personenauto (Renault Kangoo 2003, kleur: grijs, met het kenteken [kenteken] ).

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mr. S.M. van der Schenk, rechter,

mr. W.G. de Boer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. van den Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 november 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

ten aanzien van dagvaarding I (09/767307-16)

1.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 3 november 2016 tot en met 4 januari 2017 te Rotterdam en/of Hoensbroek en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl het feit (telkens) betrekking heeft/had op een grote hoeveelheid hasjiesj;

2.

hij op of omstreeks 04 januari 2017 te Rotterdam en/of elders in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1990 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid hasjiesj;

3.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 23 september tot en met 22 november 2016 te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of België en/of Marokko, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meer geldbedragen (lid 1 sub a) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad en/of (lid 1 sub b) een of meer geldbedragen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij wist dat die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) een of meer (grote) geldbedragen (te weten onder meer 1.069.300 Deense Kronen en/of andere (grote) geldbedragen in Deense Kronen en Noorse Kronen) (via België) naar Marokko gebracht en/of vervoerd;

4.

hij op of omstreeks 15 september 2016 te 's-Gravenhage en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [medeverdachte 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, een of meer personen heeft geregeld en/of trachten te regelen die die [medeverdachte 1] van de vrijheid zouden kunnen beroven en/of vervolgens (met die perso(o)n(en)) naar 's-Gravenhage en/of naar de woning van [medeverdachte 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van dagvaarding II (09/827438-17)

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 27 juni 2016 tot en met 31 december 2016 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf): [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of een onbekend gebleven persoon (aangeduid als [telnr. 10] ), en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede, vierde en vijfde lid van de Opiumwet , te weten

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden hasjiesj en

- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van (grote) hoeveelheden hasjiesj en

- het opzettelijk aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden hasjiesj.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van zaaksdossier Hoensbroek (hierna: ZD Hoensbroek), met bijlagen (doorgenummerd rechts onder aan de p. 1 t/m 325), zaaksdossier [straatnaam] (hierna: ZD [straatnaam] ) met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 437), zaaksdossier Den Haag (hierna: ZD Den Haag) met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 304), zaaksdossier Criminele Organisatie (hierna: ZD Criminele Organisatie) met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 592), persoonsdossier van de verschillende verdachten (hierna: PD), met het onderzoeksnummer DHRAA16030 / Zomervlinder, van Team Opsporing, Dienst Regionale Recherche, Eenheid Den Haag.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 november 2019, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte op dit punt.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 13.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 16.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 17-18.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 19.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 23.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 25, 26.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 19-40.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 43, 46, 48.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 49, 50, 52, 57, 58.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 60, 61.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 62-64.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 79.

Proces-verbaal van observatie 22 november 2016, ZD Hoensbroek, p. 72-73.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 81-84.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 85, 86, 87, 89.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 91.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 97.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 98-99.

Proces-verbaal van observatie 4 januari 2017, ZD Hoensbroek, p. 112.

Proces-verbaal van bevindingen, ZD Hoensbroek, p. 103.

Proces-verbaal, ZD Hoensbroek, p. 118.

Proces-verbaal gesprek voorafgaande staande houding, ZD Hoensbroek, p. 122.

Proces-verbaal van bevindingen, ZD Hoensbroek, p. 116.

Proces-verbaal van bevindingen, ZD Hoensbroek, p. 124.

Proces-verbaal bevindingen telefoons/simkaart uit fouillering [verdachte] en doorzoeking Renault Kangoo, ZD Hoensbroek, p. 227.

Proces-verbaal van bevindingen, ZD Criminele organisatie, p. 202.

Proces-verbaal van bevindingen, ZD Hoensbroek, p. 226.

Proces-verbaal bevindingen telefoon/simkaart uit fouillering [verdachte] en doorzoeking Renault Kangoo, ZD Hoensbroek, p. 227.

Proces-verbaal van aanhouding, ZD Hoensbroek, p 7-8.

Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 4 november 2019.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 154.

Proces-verbaal van bevindingen 'Meter', ZD Hoensbroek, p. 250.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 155, 156.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 158, 159, 161.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 165, 166.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 167, 169, 172, 173 174, 176.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 177, 179.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 180, 184.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 192.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 197, 198.

Proces-verbaal observatie maandag 14 november 2016, ZD Hoensbroek, p. 149.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 201, 203.

Een geschrift, ZD Hoensbroek, p. 206, 208.

Processen-verbaal verbaal Team Forensische Opsporing/Narcotica, ZD [straatnaam] , p. 204-209, 210-212 en 215-218

Proces-verbaal van bevindingen, ZD [straatnaam] , p. 241

Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 14 februari 2018, p. 4 en daarbij gevoegd bijlage 3, PD [medeverdachte 1] , niet doorgenummerd.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 39. Proces-verbaal van bevindingen, ZD Den Haag, p 34-36; proces-verbaal van bevindingen, ZD Den Haag, p. 37.

Proces-verbaal van observatie donderdag 15 september 2016, ZD Den Haag, p. 46 en 47; proces-verbaal (relaas), ZD Den Haag, p. 6-10.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 55. Proces-verbaal [medeverdachte 2] gebruiker [(--)] , ZD Den Haag, p. 40; proces-verbaal mobiele telefoons [medeverdachte 2] , ZD [straatnaam] , p. 388.

Proces-verbaal van observatie donderdag 15 september 2016, ZD Den Haag, p. 47; proces-verbaal (relaas), ZD Den Haag, p. 9-11.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 69; proces-verbaal van bevindingen, ZD Den Haag, p. 59; proces-verbaal van bevindingen identiteit gebruiker [(--)] , ZD Den Haag, p. 61-62.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 71.

Proces-verbaal van observatie donderdag 15 september 2016, ZD Den Haag, p. 47-48; proces-verbaal (relaas), ZD Den Haag, p. 12.

Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] , d.d. 14 feb 2017, PD [medeverdachte 1] (ongenummerd), p. 7 en 9; proces-verbaal (relaas), ZD Den Haag, p. 9-11.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 77.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 79.

Proces-verbaal van observatie donderdag 15 september 2016, ZD Den Haag, p. 48.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 83.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 84-85.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 86.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 87.

Proces-verbaal van observatie donderdag 15 september 2016, ZD Den Haag, p. 48.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 98.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 104; proces-verbaal van bevindingen, ZD Den Haag, p. 101-103. Proces-verbaal van bevindingen, ZD Den Haag, p. 99-100; proces-verbaal mobiele telefoons [medeverdachte 2] , ZD [straatnaam] , p. 388.

Proces-verbaal van observatie donderdag 15 september 2016, ZD Den Haag, p. 48-49; proces-verbaal (relaas), ZD Den Haag, p. 20.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 106.

Proces-verbaal van observatie donderdag 15 september 2016, ZD Den Haag, p. 49.

Proces-verbaal van observatie donderdag 15 september 2016, ZD Den Haag, p. 49.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 119.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 120; proces-verbaal van bevindingen gebruiker [(--)] , ZD Den Haag, p. 42-43.

Proces-verbaal aanhouding [medeverdachte 1] , ZD Den Haag, p. 122.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 126.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 127.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 130.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 133-134.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 137.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 138-139.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 148-149.

Een geschrift, ZD Den Haag, p. 219-220.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 500.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 502.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 133.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 508.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 510.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 175.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 176.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 177-178.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 354.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 329.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 330.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 332.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 333.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 254.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 256.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 281-282.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 286-287.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 314.

Proces-verbaal van observatie, ZD Criminele Organisatie, p. 296-297.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 249-250.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p. 319.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 10-12.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 16.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 17, 19 en 20.

Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, PD verdachte [medeverdachte 3] , p. 54-55.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 19.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 20.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 24.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 25.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 26.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 27.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 28.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 29.

Een geschrift, PD [medeverdachte 2] , proces-verbaal voorgeleiding, p 47, 48, 49, 51 en 52

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 32.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 39.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 41.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 43.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 46.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 47.

Proces-verbaal van observatie woensdag 14 september 2016, ZD [straatnaam] , p. 133-134.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 50.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 51.

Proces-verbaal van observatie woensdag 14 september 2016, ZD [straatnaam] p. 133-135.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 52.

Proces-verbaal van observatie woensdag 14 september 2016, ZD [straatnaam] p. 133-135.

Een geschrift, ZD [straatnaam] . p. 53.

Proces-verbaal van observatie woensdag 14 september 2016, ZD [straatnaam] p. 133-136.

Processen-verbaal verbaal Team Forensische Opsporing/Narcotica, ZD [straatnaam] , p. 204-209, 210-212 en 215-218.

Proces-verbaal van bevindingen met bijlage, ZD [straatnaam] , p. 190-191.

Proces-verbaal van verhoor van een getuige door de rechter-commissaris, d.d. 21 november 2017.

Een geschrift, ZD [straatnaam] , p. 19.

Een geschrift, ZD Criminele Organisatie, p 530.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature