< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Vorderingen met betrekking tot wissing / rectificatie publicatie in de Staatscourant. Eisers is niet ontvankelijk in haar vorderingen, omdat er een andere, specifiek aangwezen, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang op grond van de AVG openstaat.

Uitspraak



Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/581973 / KG ZA 19/1024

Vonnis in kort geding van 13 november 2019

in de zaak van

[eiseres] te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden, ministerie van Veiligheid en Justitie te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. N.N. Bontje te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie na dagvaarding van de Staat;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de brief van de zijde van [eiseres] van 4 november 2019, met producties;

- de op 5 november 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

1.3.

Na de zitting is nog een brief ontvangen van de zijde van [eiseres] van 6 november 2019. In deze brief stelt zij, voor zover nu relevant, dat het in strijd is met onder meer de goede procesorde dat de ter zitting aanwezige medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) tevens – naast de advocaat van de Staat – het woord heeft gevoerd en verzoekt zij om hetgeen deze IND-medewerker naar voren heeft gebracht buiten beschouwing te laten. De Staat is in de gelegenheid gesteld schriftelijk op deze brief van de zijde van [eiseres] te reageren en heeft bij brief van 8 november 2019 laten weten geen behoefte te hebben om een reactie te geven.

1.4.

Vervolgens is nog een brief van de zijde van [eiseres] van 8 november 2019 binnengekomen. In deze brief verzoekt [eiseres] , voor zover nu relevant, de “schriftuur” die de advocaat van de Staat eerst ter zitting heeft verstrekt (de pleitaantekeningen) wegens strijd met de goede procesorde en wegens het feit dat de procesbelangen van [eiseres] hiermee ernstig worden veronachtzaamd buiten beschouwing te laten, dan wel “het onderzoek ter zitting te heropenen” en [eiseres] in de gelegenheid te stellen nog schriftelijk te reageren op het “schriftuur” van de Staat.

1.5.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de uitlatingen van de IND-medewerker buiten beschouwing te laten. De Staat is op de correcte wijze, bij advocaat, in de procedure verschenen. Dat er ter zitting tevens een medewerker van de IND aanwezig was, die ook – als informant – het woord heeft gevoerd levert, anders dan [eiseres] stelt, geen strijd met de goede procesorde op. Ook overigens is er geen aanleiding om de uitlatingen van deze IND-medewerker, waar [eiseres] ter zitting op heeft kunnen reageren, buiten beschouwing te laten. Hetzelfde geldt voor de door Staat ter zitting overgelegde pleitaantekeningen. Anders dan de bodemprocedure kent het kort geding geen schriftelijke ronde voorafgaand aan de mondelinge behandeling en hoeft een gedaagde geen conclusie van antwoord te nemen. De aard van het kort geding brengt mee dat het een gedaagde vrij staat om eerst ter zitting verweer te voeren tegen hetgeen in de dagvaarding naar voren is gebracht en daarbij – zoals de Staat in dit geval ook heeft gedaan – te pleiten aan de hand van over te leggen pleitaantekeningen. Nu [eiseres] de gelegenheid heeft gekregen te reageren op het verweer van de Staat, is van strijd met de goede procesorde geen sprake. De in het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie opgenomen bepaling waar [eiseres] naar verwijst, op grond waarvan stukken in beginsel 24 uur voor de mondelinge behandeling moeten worden overgelegd, heeft betrekking op stukken waar een partij een beroep op wil doen en niet op pleitaantekeningen waarin het ter zitting gevoerde verweer in is neergelegd.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiseres] is werkzaam als advocaat en is onder andere actief in het vreemdelingenrecht. In dat kader onderhoudt zij ook contacten met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND).

2.2.

[eiseres] heeft van oorsprong de nationaliteit van Azerbeidzjan.

2.3.

Op 17 februari 2014 heeft [eiseres] een verzoek om verlening van het Nederlanderschap ingediend. Daarbij heeft zij een “Bereidverklaring tot afstand van de huidige nationaliteit(en) in verband met het verzoek om naturalisatie tot Nederlander” ondertekend. Daarin verklaart [eiseres] dat zij weet hoe zij afstand moet doen van haar nationaliteit, wat de daaraan verbonden kosten zijn en dat zij nadat zij Nederlander is geworden afstand zal doen van haar “huidige” nationaliteit en het bewijs van afstand naar de IND zal opsturen.

2.4.

Bij Koninklijk Besluit van 3 april 2014 is aan [eiseres] het Nederlanderschap verleend. Het besluit is tijdens een ceremonie op 27 mei 2014 aan [eiseres] uitgereikt.

2.5.

Bij beschikking van 19 augustus 2019 is het Nederlanderschap door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staatssecretaris) ingetrokken. In deze beschikking staat, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

“(…)

De reden voor het intrekken van uw Nederlandse nationaliteit is, dat u niet al het mogelijke hebt gedaan om uw Azerbeidzjaanse nationaliteit (hierna: oorspronkelijke nationaliteit) te verliezen.

(…)

De eerste informatiebrief met betrekking tot uw afstandverplichting is u op 10 juni 2014 gestuurd. In deze brief is aan u uitgelegd dat u binnen drie maanden moet bewijzen dat u actie hebt ondernomen om afstand te doen van uw oorspronkelijke nationaliteit.

Ook bent u er in deze brief op gewezen dat wanneer u zonder het doorgeven van een adreswijziging (en eventueel aanvullende contactgegevens) verhuist of emigreert, en u niet tijdig reageert op een informatieverzoek, dit kan leiden tot intrekking van uw Nederlanderschap. U hebt op deze brief niet gereageerd.

Vervolgens bent u er meerdere keren op gewezen dat u afstand moet doen van uw oorspronkelijke nationaliteit, te weten op 30 september 2014, 9 december 2014 en 16 januari 2015. U bent er steeds op gewezen dat het nalaten hiervan zou leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Op deze herinneringsbrieven hebt u niet gereageerd.

Uit de basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat u vanaf 27 juli 2012 tot 14 juni 2017 stond ingeschreven op het adres [adres 1] . Vanaf 14 juni 2017 tot heden staat u ingeschreven op het adres [adres 2] . Alle brieven zijn naar het juiste adres gestuurd. De brieven van 9 december 2014 en 15 januari 2015 zijn u per aangetekende post gestuurd. Deze zijn niet retour gekomen.

Op 3 mei 2017 bent u geïnformeerd over mijn voornemen om uw Nederlanderschap in te trekken. U bent in de gelegenheid gesteld schriftelijk of mondeling te reageren op het voornemen tot intrekking van uw Nederlandse nationaliteit. U hebt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om uw zienswijze te geven.

Het aan u op 3 mei 2017 aangetekend verstuurde voornemen tot intrekking van het Nederlanderschap is door u niet afgehaald en is op 1 juni 2017 retour gekomen. De reden waarom is onleesbaar.

Omdat de IND lange tijd niets van zich heeft laten horen, bent u bij brief van 6 mei 2019 naar de stand van zaken gevraagd betreffende uw afstandverplichting. Deze brief is niet retour gekomen. De IND heeft echter geen reactie van u mogen ontvangen.

Tevergeefs is geprobeerd u telefonisch te bereiken. Het telefoonnummer wat de IND van u heeft is niet meer in gebruik en op het telefoonnummer wat de IND van de gemeente [Gemeente] heeft ontvangen, is uw voicemail ingesproken. U hebt hier niet op gereageerd.

U bent meerdere malen ruimschoots in de gelegenheid gesteld om een verklaring over te leggen waaruit blijkt dat u uw Azerbeidzjaanse nationaliteit hebt verloren. Tot op heden heeft de IND zo’n verklaring niet van u mogen ontvangen.

(…)”

2.6.

Voormelde beschikking is per aangetekende post aangetekend aan [eiseres] verzonden en tevens in haar Berichtenbox op mijnoverheid.nl geplaatst.

2.7.

Op 23 augustus 2019 heeft [eiseres] per e-mail en telefonisch contact gehad met de IND en heeft zij kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met voormelde beschikking.

2.8.

In de Staatscourant van 26 augustus 2019 is het volgende bericht gepubliceerd:

“Bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 19 augustus 2019 is het koninklijk besluit van 3 april 2014, nummer [nummer] , waarbij aan [eiseres] , geboren op [geboortedatum] , te [geboorteplaats] (Sovjetunie), van Azerbeidzjaanse nationaliteit het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken op grond van artikel 15, eerste lid onder d van de Rijkswet op het Nederlanderschap .

Dit houdt in dat [eiseres] , met ingang van 19 augustus 2019 de Nederlandse nationaliteit heeft verloren.”

2.9.

[eiseres] heeft op 26 augustus 2019 bezwaar gemaakt tegen het besluit tot intrekking van haar Nederlanderschap. Op 29 augustus 2019 heeft zij bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend en gevraagd de rechtsgevolgen van de beschikking van 19 augustus 2019 op te schorten. Dit verzoek is bij uitspraak van 9 september 2019 toegewezen, zodat verzoekster hangende de bezwaarprocedure – die nog niet is afgerond – weer de Nederlandse nationaliteit heeft.

2.10.

[eiseres] heeft bij brief van 9 september 2019 de IND verzocht de publicatie in de Staatscourant te rectificeren, althans de uitspraak van de rechtbank van 9 september 2019 te publiceren. Bij brief van 12 september 2019 is namens de Staatssecretaris bericht dat niet tot rectificatie overgegaan zal worden, omdat de toewijzing van de voorlopige voorziening alleen betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en niet dat bestreden besluit onjuist is. De uitspraak van de rechtbank van 9 september 2019 zal, zo staat in die brief ook vermeld, bij gebrek aan wettelijke of beleidsmatige grondslag niet worden gepubliceerd.

2.11.

Bij brief van 3 oktober 2019 heeft [eiseres] aan de IND bericht dat de IND zich schuldig maakt aan privacyschending en schending van de eer of goede naam van [eiseres] in de rechtmatige uitoefening van haar beroep als advocaat. Zij stelt dat zij als gevolg van de publicatie in de Staatcourant zowel materiële als immateriële schade ondervindt. Zij vordert op grond van artikel 82 lid van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) een voorschot van € 5.000,- op de uiteindelijke schadevergoeding. Tevens sommeert zij de IND om binnen twee werkdagen alsnog gehoor te geven aan het verzoek om rectificatie dan wel aanpassing van de publicatie in de Staatscourant. In reactie hierop is bij brief van 7 oktober 2019 namens de Staatssecretaris bericht dat geen aanleiding wordt gezien om tot uitbetaling van een voorschot op eventuele schadevergoeding over te gaan, omdat het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2019 nog in behandeling is en nog niet vaststaat dat van een onrechtmatige daad in civielrechtelijke zin of grond tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) sprake is. Onder verwijzing naar de brief van 12 september 2019 wordt tevens bericht dat de Staatssecretaris niet tot rectificatie van de publicatie in de Staatscourant of tot publicatie van de uitspraak van de rechtbank van 9 september 2019 over zal gaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, zakelijk weergegeven, de Staat:

a. op straffe van een dwangsom te gelasten:

o de publicatie in de Staatscourant te verwijderen;

o een rectificatie te plaatsen in de Staatscourant en op de website van de IND voor de feitelijk onjuiste informatie, waarbij de inhoud van de rectificatie wordt opgesteld in samenspraak met de gemachtigde van [eiseres] in de bezwaarprocedure;

o zorg te dragen voor verwijdering van alle zoekresultaten van de publicatie via Google-Search;

op straffe van een dwangsom toekomstige openbaarmaking van privacygevoelige informatie van [eiseres] te verbieden;

te veroordelen tot het betalen van een voorschot op de schadevergoeding van € 15.000,=, € 1.000,= aan buitengerechtelijke kosten en de kosten van dit geding vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt door de publicatie in de Staatscourant en de weigering om deze te verwijderen dan wel te rectificeren in strijd met de in de AVG opgenomen bepalingen en in strijd met artikel 8 Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: 'EVRM'). Los van de uitkomst in bezwaar is het besluit tot intrekking van de Nederlandse nationaliteit van [eiseres] onrechtmatig tot stand gekomen en heeft de Staat essentiële procedurele waarborgen ten aanzien van [eiseres] niet in acht genomen. De publicatie in de Staatscourant kent geen dwingende wettelijke basis, berust op ambtelijke willekeur en dient – anders dan opzettelijke reputatieschade toebrengen en opzettelijk een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres] – geen enkel legitiem, rechtstatelijk doel. [eiseres] ondervindt als gevolg van de publicatie in de Staatscourant materiële en immateriële schade, doordat deze publicatie gevolgen heeft voor haar werkzaamheden als advocaat.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Verwijderen en rectificeren publicatie Staatscourant

4.1.

[eiseres] kan alleen in haar vorderingen in kort geding worden ontvangen als er geen andere, specifiek aangewezen, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang voor haar openstaat waarin zij hetzelfde resultaat kan behalen als met onderhavig kort geding. Gelet hierop kan [eiseres] niet worden ontvangen in haar vordering tot verwijdering en rectificatie van de publicatie in de Staatscourant worden ontvangen. Hiertoe is het volgende redengevend.

4.2.

In artikel 16 en 17 AVG – waar [eiseres] zich ook op beroept – is neergelegd dat iemand wiens persoonsgegevens worden verwerkt het recht heeft om rectificatie en wissing van die gegevens te vragen. Op een dergelijk verzoek moet vervolgens, op grond van artikel 12 lid 3 AVG binnen een maand worden beslist. Indien een dergelijke beslissing, zoals in dit geval, wordt genomen door een bestuursorgaan, dan geldt die beslissing, op grond van artikel 34 van de Uitvoeringswet AVG , als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar en beroep openstaat. Hangende die bezwaar- en beroepsprocedure kan – in spoedeisende gevallen – de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter worden gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

4.3.

De Staat stelt terecht dat de Staatssecretaris al bij brief van 7 oktober 2019 heeft beslist op het verzoek van [eiseres] om de publicatie in de Staatscourant te rectificeren. [eiseres] kan tegen dit besluit bezwaar aantekenen en eventueel een voorlopige voorziening vragen. Gelet hierop staat ten aanzien van de vordering om de publicatie te rectificeren voor [eiseres] een specifiek aangewezen, met voldoende waarborgen omklede, rechtsgang open, waarin zij – gezien de mogelijkheid tot het treffen van een bestuursrechtelijk voorlopige voorziening – op korte termijn hetzelfde resultaat kan bereiken als zij met dit kort geding beoogt. Dit sluit de weg naar de civielrechtelijke voorzieningenrechter af.

4.4.

[eiseres] heeft de Staatssecretaris nog niet uitdrukkelijk gevraagd om wissing van de publicatie in de Staatscourant, maar niet valt in te zien waarom zij om dat te bereiken niet ook de daarvoor aangewezen weg zoals onder 4.2 omschreven kan bewandelen. De omstandigheid dat [eiseres] stelt een spoedeisend belang bij haar vordering te hebben en de bestuursrechtelijke rechtsgang ten aanzien van het verzoek tot wissing nog zal moeten worden opgestart maakt dat niet anders. Het is de keuze van [eiseres] geweest om niet eerst bij de Staatssecretaris te verzoeken om wissing van de publicatie in de Staatscourant, maar ten aanzien van de beoogde wissing direct dit kort geding aanhangig te maken. De vertraging die dat oplevert komt voor risico van [eiseres] en levert geen spoedeisend belang in dit kort geding op. Bovendien is gebleken is dat de Staatssecretaris steeds zeer snel op verzoeken van [eiseres] heeft gereageerd (vgl. de onder 2.10 en 2.11 genoemde correspondentie). Niet te verwachten is dat dit bij een nog in te dienen verzoek tot wissing anders zal zijn. Ten aanzien van het spoedeisend belang wordt tot slot nog in aanmerking genomen dat de publicatie in de Staatscourant al dateert van 26 augustus 2019 en dat dit kort geding niet eerder dan op 22 oktober 2019 is aangevraagd. In het licht van de tijd die [eiseres] er zelf overheen heeft laten gaan, valt ook niet in te zien waarom nu sprake is van zodanig spoedeisend belang dat de aangewezen rechtsgang – die ook voorziet in een spoedprocedure – niet kan worden afgewacht.

Overige vorderingen

4.5.

Nu verzoekster niet kan worden ontvangen in haar vordering tot wissing en rectificatie van de publicatie in de Staatscourant, is voor het treffen van ordemaatregelen ten aanzien van de daaraan gerelateerde vorderingen (verwijdering van alle zoekresultaten van de publicatie via Google-Search, verbod op toekomstige openbaarmaking van privacygevoelige informatie van [eiseres] en betaling van een voorschot op schadevergoeding) evenmin aanleiding.

Slotsom en proceskosten

4.6.

Slotsom is dat de gevraagde ordemaatregelen zullen worden geweigerd. [eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

weigert de gevraagde ordemaatregelen;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 2.972,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 1.992,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2019.

idt


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature