< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Beroep op kwijtschelding voor wat betreft restant hypothecaire schuld

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/521203 / HA ZA 16-1250

Vonnis van 28 augustus 2019

in de zaak van

[eiser] te [plaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. H.A. Schenke te Nijmegen,

procederend met toevoeging met nummer [nummer] ,

tegen

STICHTING WAARBORGFONDS EIGEN WONINGEN te Zoetermeer,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.I.M. van Mierlo te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Stichting WEW worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 19 oktober 2016, met producties 1 tot en met 6;

de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 45;

het tussenvonnis van 1 maart 2017, waarin een comparitie van partijen is gelast;

de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 7 tot en met 12;

de lijst van producties namens Stichting WEW, met producties 46 tot en met 49;

het proces-verbaal van comparitie van 17 september 2017;

de diverse uitstelverzoeken van partijen;

het B16 formulier namens Stichting WEW, met één productie, waarin de rechtbank is verzocht vonnis te wijzen;

het B16 formulier namens [eiser] waarin eveneens vonnis is gevraagd.

1.2.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. Partijen hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Stichting WEW is op 10 november 1993 opgericht met als statutair doel het bevorderen van een duurzaam gunstig klimaat voor het eigenwoningbezit in Nederland en het hiertoe op financiële markten bevorderen van de financierbaarheid van eigen woningen. Zij heeft met het oog hierop de zogenoemde ‘Nationale Hypotheek Garantie’ (hierna: de NHG ) in het leven geroepen. Met de NHG wordt beoogd te bevorderen dat particuliere geldnemers, ook bij veranderende economische omstandigheden, op een veilige en verantwoorde wijze een betaalbare geldlening kunnen krijgen voor de aanschaf van een eigen woning.

2.2.

[eiser] heeft in november 2011 een woning gekocht aan de [adres] (hierna het pand) voor een bedrag van € 134.500. Het pand is op 23 december 2011 aan [eiser] geleverd. Voor de verkrijging van de woning heeft [eiser] een hypothecaire financiering gekregen bij Argenta Spaarbank N.V. (hierna: Argenta en de geldlening). Als administrateur van de geldlening trad Quion hypotheekbegeleiding B.V. op (hierna Quion).

2.3.

In verband met de koop en levering van het pand heeft Stichting WEW zich borg gesteld in overeenstemming met de NHG-regeling. In verband hiermee is in artikel 3 van de hypotheekakte tussen [eiser] en Argenta de standaard kwijtscheldingsregeling opgenomen:

“Indien de stichting als borg een betaling heeft gedaan aan de geldverstrekker, is

de stichting in beginsel bereid de vordering ter zake van deze betaling niet bij de geldnemer in te vorderen mits en voor zover naar het oordeel van de stichting is

gebleken dat:

- de geldnemer ten aanzien van het niet kunnen betalen van de geldlening te goeder trouw is geweest; en

- de geldnemer zijn volledige medewerking heeft verleend om tot een zo goed

mogelijke terugbetaling van de geldlening te geraken en om tot een zo hoog

mogelijke opbrengst van het onderpand te geraken.”

2.4.

[eiser] heeft een aannemer ingeschakeld voor een verbouwing van het pand (hierna: de aannemer).

2.5.

In de nacht van 18 op 19 juni 2012 is het pand afgebrand. De brand bleek te zijn veroorzaakt door een hennepplantage die zich in het pand bevond. Na sloop van het afgebrande pand bleef als onderpand voor de geldlening alleen het perceel over (hierna het perceel).

2.6.

De aannemer is voor het exploiteren van de hennepplantage zowel in eerste aanleg als in hoger beroep strafrechtelijk veroordeeld.

2.7.

[eiser] is in eerste instantie voor wat betreft de aanwezigheid van een hennepplantage in het pand ook als verdachte aangemerkt. In verband hiermee heeft hij van 22 juni 2012 tot 3 oktober 2012 in voorlopige hechtenis gezeten. Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is [eiser] vrijgesproken van enige betrokkenheid bij de exploitatie van de hennepplantage in het pand. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 juni 2015 is aan [eiser] een vergoeding toegekend van € 8.945 voor de ondergane detentie.

2.8.

Tot en met 30 maart 2012 heeft [eiser] de rente op de geldlening regulier betaald. De rente over de maand april 2012 heeft [eiser] in drie termijnen betaald, waarvan de laatste op 25 mei 2012. De rente over de maanden mei en juni 2012 is op reguliere wijze afgeschreven van de bankrekening van [eiser] . De partner van [eiser] heeft eind september 2012 een bedrag van € 632,86 aan Argenta betaald.

2.9.

In een taxatierapport van 5 oktober 2012 is de marktwaarde van het perceel vastgesteld op een bedrag van € 17.000 en de executiewaarde op nihil.

2.10.

Bij brief van 19 oktober 2012 heeft Quion namens Argenta aan [eiser] verzocht om de betalingsachterstand op de geldlening tot een bedrag van € 1.938,53 te voldoen. [eiser] heeft geweigerd een volmacht te ondertekenen waarmee hij afstand zou doen van zijn rechten ten aanzien van het perceel.

2.11.

In een overzicht gedateerd 31 januari 2013 heeft Quion opgenomen dat de betalingsachterstand op de geldlening € 3.914,66, gelijk aan vijf maanden rente, bedroeg. Dit overzicht is aan Stichting WEW gestuurd. Naar aanleiding hiervan heeft Stichting WEW telefonisch contact opgenomen met [eiser] . Deze heeft in het telefoongesprek gezegd niet mee te willen werken aan de verkoop van het perceel.

2.12.

Op 14 februari 2013 heeft Stichting WEW Quion toestemming gegeven het perceel te verkopen.

2.13.

In een op verzoek van Quion opgesteld taxatierapport van 23 mei 2014 is de marktwaarde van het perceel vastgesteld op een bedrag van € 22.000. Tevens is in het rapport opgenomen dat bij executoriale veiling de vermoedelijke verkoopopbrengst van het perceel zal liggen tussen € 15.000 en € 17.000.

2.14.

In een brief van 6 juni 2014 aan [eiser] heeft Quion de geldlening opgezegd. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:

“We hebben u al heel vaak gevraagd om de achterstand op uw geldlening te betalen, maar u heeft nog steeds niet betaald.”

2.15.

Bij beschikking van 21 november 2014 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is op verzoek van Argenta bepaald dat de verkoop van het perceel onderhands mocht geschieden bij een koopovereenkomst die aan de rechtbank was voorgelegd. Op basis van deze koopovereenkomst is het pand voor een bedrag van € 16.000 verkocht. Het perceel is op 2 februari 2015 geleverd. Met de koopsom is een deel van de geldlening afgelost, waarna een restschuld resteerde (hierna: de restschuld).

2.16.

In de door Argenta opgestelde verliesberekening van de geldlening is onder meer het volgende opgenomen:

“Restant hoofdsom € 139.288,10

(…)

Totaal onbetaalde hypotheekrente € 11.314,08

(…)

Totaal boete te late betaling € 391,76

(…)

Totaal bijkomende kosten € 622,55

(…)

Totaal opbrengst woning € 16.000,00

(…)

Berekend verlies € 135.616,49”

2.17.

Stichting WEW heeft aan Argenta een bedrag van € 133.288,59 uitgekeerd.

2.18.

Bij brief van 9 maart 2015 heeft Stichting WEW het verzoek van [eiser] om de restschuld aan hem kwijt te schelden afgewezen. [eiser] heeft bij brief van 19 maart 2015 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In deze brief heeft hij onder meer het volgende geschreven:

“Ik wil u erop wijzen dat u mij alvorens uw besluit te nemen nog niet eerder in de gelegenheid heeft gesteld om mijn recht op kwijtschelding aan te tonen, doch ben ik van mening dat ik wel degelijk aannemelijk kan maken dat er sprake is geweest van niet verwijtbare werkeloosheid waardoor ik de lening niet meer kon betalen. In juni 2012 ben ik namelijk gedurende meerdere maanden onterecht gedetineerd geweest waardoor ik mijn baan niet kon behouden en natuurlijk geen inkomsten meer genereerde. Ook na mijn vrijlating kon ik geen baan krijgen aangezien de strafzaak tegen mij onredelijk lang werd aangehouden. Vanwege deze lopende zaak werd de Verklaring Omtrent Gedrag aan mij geweigerd, welke ik steeds opnieuw bij een nieuwe werkgever moet overleggen.”

2.19.

Stichting WEW heeft na heroverweging haar oordeel gehandhaafd.

2.20.

[eiser] had het pand verzekerd bij verzekeringsmaatschappij ASR (hierna: ASR). ASR heeft geweigerd het verzekerde bedrag aan [eiser] uit te betalen. In een arrest van 16 april 2019 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin de claim van [eiser] tot uitbetaling jegens ASR is afgewezen, bekrachtigd. In het arrest is onder meer overwogen dat ASR de uitkering van de verzekeringsgelden terecht heeft geweigerd omdat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn mededelingsplicht met betrekking tot zijn strafrechtelijk verleden alsmede met betrekking tot de, door een eerdere verzekeringsmaatschappij geweigerde, verzekeringsaanvragen van [eiser] .

3 Het geschil

in conventie 3.1.

[eiser] vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de verklaring voor recht dat [eiser] ter zake van de borgstelling door Stichting WEW in het kader van de hypothecaire geldverstrekking door Argenta bij de aankoop van het pand niets aan Stichting WEW verschuldigd is en dat Stichting WEW terzake kwijtschelding dient te verlenen aan [eiser] , met veroordeling van Stichting WEW in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiser] legt in de dagvaarding aan zijn vordering ten grondslag dat hij te goeder trouw is als bedoeld in de van toepassing zijnde kwijtscheldingsregeling. Hij is niet verwijtbaar werkeloos geraakt nadat hij meerder maanden onterecht gedetineerd is geweest. Tijdens zijn detentie had hij geen inkomen, zodat hij de rente niet kon betalen. Zijn partner heeft nog betalingen verricht. Zijn werkgever heeft, kort na de beëindiging van de detentie, zijn arbeidsovereenkomst beëindigd op bedrijfseconomische gronden. Daarna kon hij geen baan krijgen omdat de strafzaak lang werd aangehouden. Vanwege de strafrechtelijke procedure kon hij geen Verklaring Omtrent Gedrag krijgen, die hij nodig had voor een nieuwe baan.

Ook klopt het oordeel van Stichting WEW niet dat hij geen volledige medewerking aan de verkoop van het perceel zou hebben verleend. Hij heeft Argenta aangegeven dat hij het perceel zelf wilde kopen, maar dat aanbod heeft Argenta afgewezen. [eiser] heeft nimmer achter de gedwongen onderhandse verkoop gestaan. Een normale onderhandse verkoop levert meer op.

in reconventie

3.3.

Stichting WEW vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [eiser] tot betaling van € 137.009,74, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

3.4.

Stichting WEW legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op basis van de NHG als borg de restschuld van [eiser] bij Argenta heeft afgelost. Op basis van artikel 7:866 van het Burgerlijke Wetboek (BW) heeft zij uit dien hoofde een regresecht op [eiser] . Stichting WEW wenst niet van dit regresrecht af te zien, nu [eiser] niet voldoet aan de voorwaarden hiervoor zoals opgenomen in de van toepassing zijn kwijtscheldingsregeling.

in conventie en in reconventie

3.5.

Partijen voeren over en weer verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie 4.1.

De rechtbank zal de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandelen vanwege de samenhang tussen de beide vorderingen.

4.2.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Tussen Stichting WEW en Argenta is een (standaard)overeenkomst van borgtocht op grond van artikel 7:850 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot stand gekomen, waarbij Stichting WEW zich tegenover Argenta borg heeft gesteld voor een eventuele restschuld. Dat betekent dat Stichting WEW, nu zij op grond van deze borgtocht een bedrag aan Argenta heeft betaald, in beginsel dat volledige bedrag krachtens een zelfstandig regresrecht op [eiser] kan verhalen (artikel 7:866 lid 1 BW). Artikel 7:866 lid 4 BW bepaalt dat uit de onderlinge rechtsverhouding tussen de borg (Stichting WEW) en de schuldenaar ( [eiser] ), die volgens de artikelen 7:865 en 6:2 BW ook wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid, iets anders kan voortvloeien.

4.3.

Stichting WEW heeft in artikel A3 lid 1 sub c van de met Argenta overeengekomen borgtochtvoorwaarden de voorwaarden opgenomen waaronder zij bereid is van haar regresrecht af te zien en niet tot inning van de restschuld bij [eiser] over te gaan. Tussen partijen is niet in geschil dat diezelfde kwijtscheldingsvoorwaarden zijn opgenomen in artikel 3 van de hypotheekovereenkomst tussen Argenta en [eiser] . Partijen zijn het erover eens dat Stichting WEW op grond van deze kwijtscheldingsregeling geen regres op [eiser] kan nemen, indien [eiser] aan de voorwaarden voor kwijtschelding heeft voldaan.

Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat uit de formulering van de kwijtscheldingsvoorwaarden – “naar het oordeel van de stichting moet zijn gebleken” – volgt dat het ter beoordeling van Stichting WEW is of [eiser] aan deze voorwaarden heeft voldaan. Stichting WEW heeft op dat onderdeel volgens haar eigen voorwaarden dus een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid. Dat betekent dat [eiser] op basis van de tekst van de aan hem gepresenteerde kwijtscheldingsregeling rekening ermee heeft moeten houden dat het aan Stichting WEW is overgelaten om, met inachtneming van de tussen de borg en de schuldenaar geldende eisen van redelijkheid en billijkheid, in te vullen onder welke omstandigheden aan de criteria voor kwijtschelding is voldaan.

Stichting WEW hanteert voor de nadere invulling van de kwijtscheldingscriteria een bestendige gedragslijn die kenbaar is gemaakt via de website www.nhg.nl. Niet in geschil is dat Stichting WEW die vaste gedragslijn tot op heden altijd consequent heeft toegepast bij haar kwijtscheldingsbeslissingen. Evenmin is in geschil dat de in die gedragslijn gegeven nadere invulling van de kwijtscheldingsvoorwaarden binnen de bestuursrechtspraak als een redelijk beleid is aanvaard. Deze bestuursrechtspraak is relevant voor de civielrechtelijke geschillen waarin kwijtschelding van een restschuld wordt gevorderd.

4.4.

[eiser] heeft tijdens de comparitie van partijen nog erop gewezen dat artikel 3 van de hypotheekakte een algemene voorwaarde is en dat deze voorwaarde in strijd is met de zwarte lijst van artikel 6:236 BW . Het wordt immers aan het oordeel van de gebruiker van de algemene voorwaarden, in dit geval Stichting WEW, overgelaten of [eiser] in de nakoming van zijn verplichtingen is tekortgeschoten, aldus [eiser] . Hij miskent echter dat het uitgangspunt van de hypotheekakte is dat [eiser] een bedrag leent van Argenta en dat hij dit bedrag moet terugbetalen aan Argenta. Stichting WEW heeft als borg voor [eiser] het geleende bedrag terugbetaald aan Argenta, en is als zodanig in de rechten van Argenta getreden. Uit dien hoofde heeft Stichting WEW thans recht op terugbetaling van het door [eiser] geleende bedrag. Stichting WEW is echter bereid van invordering van het bedrag af te zien als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Dit betekent dat Stichting WEW onder voorwaarde bereid is af te zien van nakoming door [eiser] . De voorwaarde houdt dus niet in dat Stichting WEW mag beoordelen of [eiser] zijn verplichtingen onder de geldleningsovereenkomst op de juiste wijze is nagekomen. Aldus ontbreekt een feitelijk grondslag aan de stelling van [eiser] op dit punt. Nietigverklaring van de voorwaarde zou bovendien betekenen dat de hele voorwaarde geschrapt moet worden, waardoor [eiser] helemaal geen beroep meer op de kwijtscheldingsregeling zou kunnen doen. De rechtbank wijst dan ook het beroep van [eiser] op artikel 6:236 BW af.

4.5.

De vraag is thans aan de orde of [eiser] , gegeven de hiervoor benoemde beoordelingsvrijheid van Stichting WEW, redelijkerwijs heeft mogen verwachten dat hij op grond van de gestelde voorwaarden voor kwijtschelding in aanmerking zou komen, mede aan de hand van de invulling van deze voorwaarden op basis van de vaste en kenbare gedragslijn van Stichting WEW. Bij de beantwoording van deze vraag is eveneens relevant dat, naar ook [eiser] heeft moeten begrijpen, de NHG als vangnet is bedoeld en dat het, zoals ook in de slotzin van de kwijtscheldingsregeling tot uitdrukking is gebracht, niet de bedoeling is dat Stichting WEW in de onderlinge verhouding met de geldnemer verliezen draagt die de geldnemer had kunnen voorkomen of had kunnen beperken. Stichting WEW heeft daarover nog gesteld dat zij in het kader van de NHG voor een groot aantal geldleningen (met een omvangrijke totale waarde) borg moet staan en een te lichtvaardig kwijtscheldingsbeleid aldus verstrekkende gevolgen kan hebben voor de financiële middelen van Stichting WEW en, in het verlengde daarvan, de betaalbaarheid van de NHG (ook voor de consument). Stichting WEW stelt dan ook – geenszins onbegrijpelijk – dat zij vanwege die onderliggende financiële belangen niet te lichtvaardig afstand mag doen van haar regresrecht en tot kwijtschelding mag overgaan.

criterium 1: de geldnemer is ten aanzien van het niet kunnen betalen van de geldlening te goeder trouw geweest

4.6.

In overeenstemming met de vaste gedragslijn van de Stichting WEW is [eiser] te goeder trouw ten aanzien van het niet kunnen betalen van de geldlening indien hij de geldlening niet (volledig) meer kon betalen als gevolg van relatiebeëindiging, niet-verwijtbare werkeloosheid en/of arbeidsongeschiktheid, en hierdoor een verkoop van de woning onvermijdelijk was.

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit criterium niet voldaan. De door [eiser] ingeschakelde aannemer is strafrechtelijk veroordeeld voor het exploiteren van een hennepplantage in het pand. Als gevolg van de aanwezigheid van deze hennepplantage is het pand in de nacht van 18 op 19 juni 2012 afgebrand. De grote restschuld die na verkoop van het perceel nog resteerde is het gevolg van deze brand waardoor alleen een stuk grond nog kon worden verkocht.

De door [eiser] voor het pand afgesloten verzekering is niet tot uitkering gekomen. In de processtukken hebben partijen de stelling ingenomen dat de verzekering niet heeft uitgekeerd vanwege de hennepplantage. In het op 16 april 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gewezen arrest is opgenomen dat de verzekeringsgelden niet zijn uitgekeerd omdat [eiser] het aanvraagformulier voor de verzekering niet volledig had ingevuld.

4.8.

In de bestendige gedragslijn van Stichting WEW is het afbranden van een onderpand niet als reden opgenomen om tot kwijtschelding over te gaan. Het gaat bij de wel in de gedragslijn opgenomen redenen – relatiebeëindiging, arbeidsongeschiktheid en/of onvrijwillige werkeloosheid – steeds om situaties die de desbetreffende geldnemer overkomen, zonder dat gezegd kan worden dat hij daarop bepalende invloed heeft gehad. In redelijkheid kan niet worden gezegd dat de situatie van [eiser] hiermee in relevante zin gelijk kan worden gesteld. Het is immers [eiser] die de aannemer heeft uitgezocht en aan wie bij herhaaldelijke bezoeken aan het pand het bestaan van de hennepplantage niet is opgevallen. In de onderlinge verhouding tussen Stichting WEW en [eiser] heeft dan ook te gelden dat de aanwezigheid van de hennepplantage in het pand en de als gevolg daarvan uitgebroken brand voor rekening en risico van [eiser] komen. Mede gelet op het algemeen belang dat Stichting WEW dient, is het oordeel van Stichting WEW dat [eiser] voor de gevolgen van de aanwezigheid van de hennepplantage verantwoordelijk blijft, niet onredelijk of onbillijk. Zoals Stichting WEW ook zelf stelt, is de mogelijkheid van kwijtschelding niet voor een situatie als deze bedoeld.

Aan dit oordeel doet niet af dat in jurisprudentie waarnaar [eiser] verwijst de bestuursrechter heeft geoordeeld dat voor wat betreft het toepassen van bestuursdwang tegen de eigenaar van een woning in verband met de aanwezigheid van een hennepplantage noodzakelijk is dat de eigenaar op de hoogte is dan wel had kunnen zijn van de aanwezigheid van een hennepplantage. In deze jurisprudentie gaat het om de afweging van andere belangen dan de belangen van Stichting WEW versus [eiser] , waardoor deze jurisprudentie op het onderhavige geschil niet van toepassing is.

4.9.

Daar komt bovendien bij dat als gevolg van handelen van [eiser] ASR niet tot uitkering is overgegaan. Ook dit dient voor rekening en risico van [eiser] te blijven. Als ASR had uitgekeerd, had [eiser] met het verzekeringsgeld een (groot) deel van de geldlening kunnen aflossen en was de restschuld veel lager geweest of zelfs helemaal voldaan.

4.10.

[eiser] stelt nog dat moet worden meegewogen dat hij voorafgaand aan de brand in het pand verwijtbaar werkeloos is geworden. In zijn bezwaarschrift van 19 maart 2015 aan Stichting WEW heeft [eiser] geschreven dat hij zijn baan niet kon behouden omdat hij meerdere maanden ten onrechte gedetineerd was. Ook in de dagvaarding schrijft hij dat hij als gevolg van zijn detentie werkeloos is geworden. Eerst bij de, ter gelegenheid van de comparitie van partijen ingediende, conclusie van antwoord in reconventie legt hij een beëindigingsovereenkomst over gedateerd 31 maart 2012. In deze beëindigingsovereenkomst is bepaald dat zijn arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2012 eindigt op bedrijfseconomische gronden. Bij hetzelfde processtuk heeft [eiser] een brief overgelegd van het UWV, van 23 april 2012, waarin hem een WW-uitkering wordt toegekend met ingang van 1 mei 2012.

Aldus is pas tijdens de comparitie van partijen gebleken dat [eiser] mogelijk voorafgaand aan de brand niet verwijtbaar werkeloos is geworden. [eiser] heeft op dat moment echter onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld of stukken overgelegd op basis waarvan beoordeeld kan worden in hoeverre deze niet verwijtbare werkeloosheid heeft bijgedragen aan de ontstane situatie en aan zijn betalingsonmacht voor wat betreft de geldlening.

Hij heeft immers tot eind juni 2012 de lopende rente kunnen betalen. Ook heeft hij gesteld dat hij na zijn detentie geen baan kon krijgen omdat hij geen VOG kon krijgen. Dit laatste ligt in het verlengde van de verdenkingen jegens hem in verband met de aanwezigheid van de hennepplantage die voor zijn rekening en risico komen. Van hem mocht dan ook verlangd worden dat hij inzichtelijk maakte dat en in hoeverre hij ook zonder de detentie niet in staat was geweest aan zijn betalingsverplichtingen jegens Argenta te voldoen. Nu hij dit niet heeft gedaan, kan de rechtbank niet beoordelen of een deel van de betalingsonmacht wellicht veroorzaakt is door de mogelijk niet verwijtbare werkeloosheid, zodat de rechtbank hiermee bij haar oordeel geen rekening kan houden.

4.11.

Nu aan het eerste criterium niet is voldaan, kon Stichting WEW zich reeds op die grond op het standpunt stellen dat [eiser] niet voor kwijtschelding in aanmerking kwam. Volledigheidshalve zal de rechtbank ook beoordelen of aan het tweede criterium is voldaan.

criterium 2: de geldnemer heeft zijn volledige medewerking verleend om tot een zo goed

mogelijke terugbetaling van de geldlening te geraken en om tot een zo hoog mogelijke opbrengst van het onderpand te geraken

4.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel uiteindelijk is verkocht nadat de rechtbank Zeeland-West-Brabant toestemming heeft gegeven voor een gedwongen onderhandse verkoop. Een onderhandse verkoop in de vrije markt levert over het algemeen de grootste opbrengst op, tegen de minste kosten. [eiser] heeft echter van aanvang aan geweigerd om mee te werken aan een vrije onderhandse verkoop. De daarvoor benodigde volmacht heeft hij nooit willen tekenen. Hij stelt dat hij in die periode wilde dat zijn moeder het perceel zou kopen zodat hij er toch zelf weer een woning op kon bouwen. Mogelijk met het geld van de verzekering, waartegen nog een procedure liep.

Dit alles is echter niet van de grond gekomen. Dan resteert dat hij, op het moment dat hem daarom werd gevraagd, niet heeft willen meewerken aan de onderhandse verkoop, terwijl hij tegelijkertijd de (achterstallige en) nog steeds oplopende rente niet betaalde en dat hij het op een procedure bij de rechtbank heeft laten aankomen. In overeenstemming met de vaste gedragslijn van Stichting WEW, rechtvaardigt dit een en ander de conclusie dat [eiser] niet volledig heeft meegewerkt aan het realiseren van een zo hoog mogelijke opbrengst voor het perceel.

4.13.

[eiser] stelt nog wel dat de marktwaarde van het perceel in 2015 is bepaald op € 17.000 en in 2016 op € 22.000 en dat dit een opmerkelijk verschil is. Voorts is het perceel uiteindelijk voor € 16.000 verkocht, hetgeen maar weinig afwijkt van de in 2015 getaxeerde marktwaarde. Aan deze stellingen gaat de rechtbank voorbij. Zij oordeelt dat [eiser] niet heeft meegewerkt aan de onderhandse verkoop van het perceel, waardoor het niet voor de hoogst mogelijk opbrengst is verkocht. Dat het verschil uiteindelijk wellicht heel weinig is geweest en het verschil gelet op de omvang van de restschuld niet materieel is (€ 22.000 marktwaarde, versus € 16.000 koopsom, op een restschuld van € 135.000), doet aan deze conclusie niet af.

conclusie

4.14.

De slotsom is dat Stichting WEW zich rechtens op het standpunt heeft mogen stellen dat [eiser] op grond van de voorwaarden van de kwijtscheldingsregeling niet voor kwijtschelding in aanmerking komt. De vorderingen van [eiser] zullen dan ook worden afgewezen

4.15.

Omdat [eiser] niet aan de kwijtscheldingsvoorwaarden voldoet, kan Stichting WEW, in overeenstemming met het oorspronkelijke uitgangspunt van artikel 7:866 lid 1 BW , de restschuld in regres op [eiser] verhalen. Stichting WEW heeft aan Argenta een bedrag betaald van € 133.288,59. Zij heeft niet toegelicht waarom zij thans betaling vordert van [eiser] van een bedrag van € 137.009,74. Gelet hierop zal de rechtbank [eiser] veroordelen een bedrag van € 133.288,59 aan Stichting WEW te betalen.

4.16.

Stichting WEW heeft de rente gevorderd vanaf 19 oktober 2016, de datum waartegen Argenta de geldlening heeft opgezegd. Nu Stichting WEW de positie van Argenta overneemt, geldt deze opzegging ook als door Stichting WEW gedaan. Dit betekent dat de rente vanaf deze datum is gaan lopen en de vordering van Stichting WEW op dit punt derhalve kan worden toegewezen.

proceskosten

4.17.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. Deze kosten worden in conventie tot op heden aan de zijde van Stichting WEW begroot op een bedrag van € 619 voor griffierecht en € 1.086 voor salaris advocaat (2 punten à € 543, tarief II), totaal een bedrag van € 1.705, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.

Deze kosten worden in reconventie aan de zijde van Stichting WEW begroot op een bedrag van € 1.707 (1/2 van 2 punten à € 1.707, tarief V) vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.

4.18.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vergelijk HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten in overeenstemming met het daarop toepasselijke liquidatietarief”

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure in conventie, aan de zijde van Stichting WEW tot op heden begroot op een bedrag van € 1.705 en op € 157 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedragen te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

verklaart de veroordeling onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan Stichting WEW van een bedrag van € 133.288,59 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5.

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure in reconventie, aan de zijde van Stichting WEW tot op heden begroot op een bedrag van € 1.707 te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.6.

verklaart de veroordeling onder 5.5. uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2019.

type: 1958


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature