< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

asiel, Turkije, beroep gegrond, (actieve) HDP-leden, link met pro-Koerdische organisatie, geen recent ambtsbericht, verweerder moet nader onderzoek doen.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.9562

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [de persoon]

geboren op [geboortedatum] 1966, van Turkse nationaliteit, eiseres

(gemachtigde: mr. E. Arslan),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M van der Lubbe).

Procesverloop Bij besluit van 1 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft samen met de zaak NL18.9563 plaatsgevonden op 13 september 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk in de Turkse taal is verschenen mevrouw A. Priem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Asielrelaas

1. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres i samen met haar moeder en zoon naar Nederland gekomen vanwege de verloving van haar broer. Voordat zij op 8 december 2016 weer zouden terugkeren naar Turkije, heeft eiseres op [datum] 2016 telefonisch vernomen dat door de Turkse politie een inval in haar woning had plaatsgevonden. Van kennissen heeft zij begrepen dat door de autoriteiten ook navraag is gedaan naar eiseres en haar zoon bij de huismeester, de buren en de vader en zus van eiseres. Volgens eiseres heeft dit te maken met haar werkzaamheden als [functie] van de [plaats] als [functie] bij Jezidi-vluchtelingenkampen - waar zij door de curator die was aangesteld door de Turkse overheid is ontslagen -, haar functie als [functie] van [bedrijf] , haar Koerdische etniciteit en haar lidmaatschap van de Koerdische politieke partij HDP. Eiseres vreest bij terugkeer naar Turkije te worden gearresteerd en gedetineerd door de Turkse autoriteiten. Eiseres heeft zich om die reden samen met haar zoon op 8 december 2016 gemeld bij de Nederlandse autoriteiten om een asielaanvraag in te dienen

2.1.

Verweerder heeft de volgende relevante elementen in het asielrelaas van eiseres onderscheiden:

1. Identiteit en nationaliteit;

2. Het lidmaatschap van de HDP, deelname aan activiteiten van de HDP en de daarmee samenhangende problemen;

3. De werkzaamheden als [functie] van [bedrijf] en als [functie] op het vluchtelingenkamp;

4. De inval in de woning op [datum] 2016;

5. Het ontslag van eiseres als [functie] bij de [plaats] .

2.2.

Verweerder acht de eerste drie elementen geloofwaardig en de elementen vier en vijf niet. Ten aanzien van de geloofwaardig geachte elementen kan eiseres volgens verweerder niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Het door eiseres aangevoerde geeft ook geen aanleiding om haar een afgeleide verblijfsvergunning asiel te verlenen

3.1.

Eiseres betoogt met name dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de geloofwaardig geachte elementen niet voldoende zwaarwegend zijn. Zij voert daartoe aan dat de overweging dat HDP legaal is en daaruit volgt dat HDP-leden geen problemen zouden ondervinden, niet te herleiden is tot de door haar overgelegde rapporten. Daaruit blijkt dat ondanks dat de HDP officieel een legale partij is, inmiddels een groot aantal bestuursleden, raadsleden en parlementariërs zijn gearresteerd. Daarnaast heeft verweerder miskend dat een patroon van arrestaties en korte detenties heeft plaatsgevonden, hetgeen erop duidt dat eiseres in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Ook kan eiseres zich niet verenigen met de stelling dat de intensiteit van de daden van vervolging niet groot genoeg is. Het patroon van de arrestaties is niet iets waarvan zonder meer gezegd kan worden dat dit geen schending vormt van haar recht op vrijheid van meningsuiting. Dat verweerder in dat kader tegenwerpt dat de autoriteiten na maart 2015 niets meer hebben ondernomen, kan niet afdoen aan die ernst. Eiseres heeft sinds 2015 immers niet meer deelgenomen aan demonstraties. Ook heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt waarom het eisers wordt tegengeworpen dat zij Turkije legaal heeft kunnen uitreizen. Er was toen nog geen arrestatiebevel. Daarnaast heeft verweerder eiseres gelet op haar Koerdische politieke activiteiten ten onrechte niet als behorend tot een kwetsbare minderheidsgroep dan wel risicogroep aangewezen.

3.2.

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar beroep diverse krantenartikelen over HDP-leden en hun arrestaties overgelegd en onder andere verwezen naar de volgende stukken:

- een rapport van Stockholm center for freedom: Kurdish political movement under crackdown in Turkey, The case of the HDP, van januari 2018;

- een document van Vluchtelingenwerk Nederland genaamd Veelgestelde vragen - Turkije - (Pro-) Koerdische opposanten en critici van december 2017, met daarbij als bijlage onder meer:

- een gedeelte van een rapport van US Department of State (USDOS), Country Report on Human Rights Practices 2016-Turkey van 3 maart 2017 (bijlage 2);

- een gedeelte van een landenrapport van de Europese Commissie over Turkije van 9 november 2016 (bijlage 4);

- een gedeelte van een onderzoek van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van 7 juli 2017 (bijlage 7);

- een gedeelte van een rapport van Freedom House van 15 april 2017 (bijlage9);

- een gedeelte van een stuk van Human Rights Watch van 20 maart 2017 (bijlage 11);

- een gedeelte van een rapport van het Noorse Country of Origin Information Centre van 15 augustus 2017 (bijlage 12).

Ter zitting heeft eiseres voorts gewezen op een jaarrapport van USDOS van 20 april 2018.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat in het voornemen op pagina 9 ten aanzien van de activiteiten van eiseres voor HDP, voor zover van belang, het volgende vermeld staat:

“(…) Ten eerste wordt overwogen dat het lidmaatschap van de HDP en de activiteiten die betrokkene heeft ontplooid voor de HDP, op zichzelf onvoldoende grond vormen om ten aanzien van haar tot Vluchtelingenschap te concluderen. Voornoemde partij is in Turkije een legale politieke partij. Derhalve is het niet aannemelijk dat het lidmaatschap en de activiteiten voor de HDP als regimevijandig zullen worden beschouwd en om deze reden niet zullen worden getolereerd. (…)”

4.2.

Ter zitting heeft verweerder dit standpunt enigszins genuanceerd. Verweerder heeft gesteld dat hoewel het meest recente algemene ambtsbericht ten aanzien van Turkije dateert van 28 juli 2013, hij bekend is met de actuele situatie in Turkije. HDP is dan wel een legale politieke partij, maar dat is niet het hele verhaal. Verweerder is zich ervan bewust dat de situatie voor HDP leden sinds de coupepoging in 2016 is veranderd. In die zin betwist verweerder de door eiser geschetste en door rapporten onderbouwde algemene situatie in Turkije dan ook niet. Verweerder heeft hierin echter geen aanleiding gezien om ten aanzien van Koerden in het algemeen dan wel HDP in het bijzonder een specifiek beleid te voeren. Eiseres moet, conform verweerders huidige beleid, aannemelijk maken dat voor haar persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die haar vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag rechtvaardigen en daar is zij niet in geslaagd. Alleen het geloofwaardig geachte lidmaatschap van de HDP is hiervoor niet voldoende, aldus verweerder. Dit zou anders kunnen zijn als eiseres gedurende de jaren zich zou hebben geprofileerd als vooraanstaand en actief HDP-lid, maar dat is niet aannemelijk gemaakt.

4.3.

Eiseres heeft hiertegenover gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank overweegt als volgt.

4.4.

Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat uit voornoemde door eiseres aangehaalde stukken niet blijkt dat zij enkel vanwege haar lidmaatschap van de HDP bij terugkeer naar Turkije voor vervolging te vrezen heeft dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank volgt eiseres evenwel in haar subsidiaire betoog dat in het geval van eiseres meer speelt dan slechts het lidmaatschap van de HDP. Eiseres en verweerder twisten over de mate van betrokkenheid van eiseres bij de HDP zelf. Volgens eiseres was zij een actief lid en erg betrokken, volgens verweerder valt dat gelet op haar verklaringen wel mee. Wat daar ook van zij, verweerder heeft niet betwist dat zij als [functie] werkzaam was bij het Jezidi-vluchtelingenkamp en als [functie] werkzaam was bij [bedrijf] . Eiseres heeft bij het aanvullend gehoor verklaard:

“(…) Ja. Het vluchtelingenkamp was opgericht door de gemeente. Maar de goederen, de levensmiddelen en andere benodigdheden werden geregeld door [bedrijf] . U moet zich beseffen dat de Koerdische organisaties als HDP en de [bedrijf] allemaal aan elkaar zijn gelieerd. (…)”

Ter zitting heeft eiseres dit nader toegelicht en naar voren gebracht dat verweerder de activiteiten van eiseres bij HDP, [bedrijf] en het Jezidi-vluchtelingenkamp onterecht uit elkaar trekt. Dit soort (pro-) Koerdische organisaties zijn verweven en aan elkaar gekoppeld. Eiseres was dus ook via haar actieve betrokkenheid bij [bedrijf] en het Jezidi-vluchtelingenkamp een actief HDP lid, aldus eiseres. Verweerder heeft dit ter zitting niet betwist, maar in zijn standpunt volhard dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een actief lid was van de HDP.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit betoog van eiseres onvoldoende gemotiveerd – dat wil zeggen met actuele (landen)informatie – weerlegd. Als het inderdaad juist is dat eiseres middels haar activiteiten als [functie] bij [bedrijf] en haar werkzaamheden bij het Jezidi-vluchtelingenkamp als actief lid van de HDP beschouwd kan worden, dan wel dat de Turkse autoriteiten haar dan op die manier zien, dan is het aan verweerder om nader te motiveren dat zij niettemin onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij hierdoor niet voor vervolging te vrezen heeft, dan wel geen reële vrees bestaat voor een artikel 3 van het EVRM schending. Uit voornoemd rapport van de Europese Commissie blijkt namelijk dat het hardhandig optreden van de Turkse autoriteiten zich heeft uitgebreid van vermeende leden van de Gülen-beweging naar pro-Koerdische stemmen en opposanten, en dat dit optreden zich met name toespitst op ‘the judiciary, police, gendarmerie, military, civil service, local authorities, academia, teachers, lawyers, the media and the business community’. Daarnaast blijkt uit voornoemd rapport van USDOS van 3 maart 2017 dat Turkse aanklagers een ruime definitie van terrorisme en bedreiging van de nationale veiligheid en soms twijfelachtig bewijs gebruiken om een brede groep verdachten aan te klagen. Dat rapport noemt vervolgens specifiek ‘journalists, opposition politicians (primarily of the pro- Kurdish HDP), activists, and others critical of the government’. Voornoemd rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe ziet voorts specifiek op personen ‘mit oppositionspolitischem Engagement und möglichen Verbindungen zur PKK’ die zich kritisch uiten over de regering. Hoewel uit deze stukken dus niet volgt dat het lidmaatschap van de HDP op zichzelf al voldoende is om vluchtelingenschap of de vrees van artikel 3 van het EVRM aan te nemen, blijkt uit de stukken wel dat “civil service” (Europese Commissie) “opposition politicians (primarily of the pro- Kurdish HDP), activists and other critical of the government” (USDOS) en regering”(Schweizerische Flüchtlingshilfe) gevaar lopen. De beroepsgrond slaagt dan ook.

5. Uit het voorgaande volgt al dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

Daarom behoeven de overige beroepsgronden die eiseres tegen het besluit heeft gericht, geen verdere bespreking. Indien verweerder namelijk de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte elementen zou aannemen, hoeft in beginsel niet meer te worden toegekomen aan de door verweerder ongeloofwaardig geachte elementen.

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht . De rechtbank ziet in de aard van de gebreken geen grond om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat in dit geval geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Als aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Pourjalili, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature