< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Octrooirecht. Octrooi voor electronische kaartlezer. Geen inventiviteit, octrooi vatbaar voor vernietiging.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/542719 / HA ZA 17-1170

Vonnis van 21 november 2018

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht

CONSTRUCTION DIFFUSION VENTE INTERNATIONALE SA,

gevestigd te Pantin (Frankrijk),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. Westerik te Den Haag,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMPRO TECHNOLOGIES EUROPE B.V.,

tevens handelende onder de naam ACCESS & BEYOND B.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALPHATRONICS B.V.,

gevestigd te Nijkerk,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk.

Eiseres zal hierna CDVI genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk Impro c.s. genoemd worden en afzonderlijk Impro Europe en Alphatronics.

De zaak is voor CDVI inhoudelijk behandeld door de advocaat voornoemd, mr. W. Pors en mr. ir. K. Hsia, advocaten te Den Haag, en octrooigemachtigde (en advocaat) mr. ir. E. Visscher. De zaak is voor Impro c.s. inhoudelijk behandeld door mr. W. de Jong en mr. M.C. Salomons, advocaten de Amsterdam, en octrooigemachtigde ir. C Box.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 9 oktober 2017 waarbij CDVI verlof is verleend Impro c.s. te dagvaarden in de versnelde bodemprocedure in octrooizaken (hierna: VRO-procedure);

de dagvaarding van 11 oktober 2017;

de akte houdende overlegging producties ingediend op 14 november 2017 met producties EP1 tot en met 10;

de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, ingediend op 24 januari 2018, met producties GP1 tot en met 15;

de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende overlegging producties, ingediend op 21 maart 2018, met producties EP11 tot en met 14;

de akte houdende overlegging nadere producties, ingediend op 1 mei 2018, met producties EP11b, 15 en 16;

de akte overlegging nadere producties, tevens houdende reactie op het hulpverzoek van CDVI, ingediend op 2 mei 2018, met producties GP16 tot en met 21;

de akte overlegging reactieve producties, ingediend op 1 juni 2018, met producties EP17 tot en met 20;

het e-mail bericht van mr. Salomons van 15 juni 2018 met de mededeling dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de hoogte van de redelijke en evenredige proceskosten;

het e-mail bericht van mr. Salomons van 22 juni 2018 met het bericht dat geen (volledige) overeenstemming was bereikt over de proceskosten en een proceskostenopgave zijdens Impro c.s.;

het e-mail bericht van mr. Pors van 22 juni 2018, waarbij onder meer bezwaar is gemaakt tegen het alsnog indienen van een proceskostenopgave door Impro c.s.;

de verdere correspondentie van partijen gericht aan de rechtbank van 22 en 26 juni 2018, over de vraag of (volledige) overeenstemming was bereikt over de proceskosten en het bericht van de rechtbank aan partijen van 27 juni 2018 met de mededeling dat over dit geschilpunt zonodig ter zitting beslist zou worden;

het e-mail bericht van mr. Salomons van 28 juni 2018 met een aanvullende proceskostenopgave zijdens Impro c.s.;

de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan door partijen gehanteerde pleitnotities, met dien verstande dat van de pleitnotities van CDVI de randnummers 86 en 87 en de afbeeldingen bij randnummers 173 en 174 zijn doorgehaald, omdat ze niet zijn gepleit, respectievelijk niet als productie zijn overgelegd en van de pleitnotities van Impro c.s. de randnummers 172 tot en met 175 zijn doorgehaald omdat ze niet zijn gepleit;

het e-mail bericht van mr. Pors van 29 juni 2018, met als bijlage de oorspronkelijke Nederlandse vertaling van de conclusies van EP 1 245 006, waarvan toezending ter zitting is toegezegd.

1.2.

Ter zitting hebben partijen eenstemmig verklaard dat zij alsnog zijn overeengekomen dat de hoogte van de redelijke en evenredige proceskosten € 200.000,- bedraagt, waarvan 40% is toe te rekenen aan de procedure in conventie en 60% aan de procedure in reconventie.

1.3.

Ter zitting heeft Impro c.s. bezwaar gemaakt tegen stellingen van CDVI (randnummers 158 -166), die in haar ogen nieuw waren zodat zij in haar verdediging was geschaad. De rechtbank heeft daarop ter zitting beslist dat het bezwaar werd afgewezen, omdat Impro c.s. blijkens haar eigen processtukken dit subsidiaire standpunt van Impro c.s. al had voorzien, zodat zij niet in haar verdediging was geschaad.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Partijen

2.1.

CDVI is een Franse onderneming. Zij levert wereldwijd toegangssystemen en elektronische sloten, waaronder systemen voor biometrische en online toegangscontrole, systemen voor elektromagnetische vergrendeling, zelfstandige toegangssystemen en automatische deur systemen.

2.2.

Impro Europe, die op 31 oktober 2017 haar statutaire naam heeft gewijzigd in Acces & Beyond B.V. en thans handelt onder de naam Access & Beyond, is de distributeur van producten van het merk Impro (hierna ook: Impro producten) in Nederland. Impro Europe produceert zelf geen Impro producten maar krijgt de Impro producten geleverd door Impro Technologies (Proprietary) Limited. Impro Technologies (Proprietary) Limited is gevestigd in Zuid-Afrika en is de producent van de Impro producten.

2.3.

Alphatronics is een Nederlandse distributeur voor producten en diensten op het gebied van inbraakdetectie, video-security en toegangscontrole. Alphatronics biedt op haar website onder meer de volgende Impro producten aan (hierna: de Impro Producten):

2.3.1.

ImproX MHA metal Antenna Reader (type XTT903);

2.3.2.

ImproX AMR antennelezer (type XTT951);

2.3.3.

ImproX AMK Antenna Metal Keypad Reader (type XTT952);

2.3.4.

ImproX Multi Discipline reader MDR (type MDR 901);

2.3.5.

ImproX Multi Discipline Keypad Reader (type MDK 901).

Het octrooi

2.4.

CDVI is houdster van het Europees octrooi EP 1 245 006 B1 voor een "Lecteur pour clé électronique" (hierna: EP 006 of het Octrooi). EP 006 is ingediend op 7 december 2000, waarbij het prioriteitsrecht is ingeroepen van de Franse octrooiaanvrage 05.01.2000 FR 0000072 van 5 januari 2000. EP 006 is verleend op 18 juni 2003 en is onder andere van kracht in Nederland.

2.5.

De conclusies van EP 006 luiden in de authentieke Franse taal als volgt:

2.6.

De Duitse en Engelse vertalingen van de conclusies luiden als volgt:

2.7.

De oorspronkelijk ingediende Nederlandse vertaling van de conclusies luidt als volgt:

1. Lezer voor elektronische sleutels met een antenne en een metalen beschermkast (1) , met het kenmerk, dat deze ten minste een sleuf (5) bevat zich uitstrekkend van een (6a) van de randen van het nabije midden van het overliggende vlak (2).

2. Lezer volgens conclusie 1 waarin de beschermkast aan zijn voorzijde begrensd is en de vorm van een plaat voorsteld [Rechtbank: sic], met het kenmerk dat de sleuf (5) in een willekeurige zijde van genoemde plaat uitmondt.

3. Lezer volgens één van de conclusies 1 tot 2, met het kenmerk, dat het einde (5a) van de sleuf (5) zich uitstrekt buiten de middenlijn welke de zijden verbindt aan die bij de sleuf uitmondt.

2.8.

Op 3 oktober 2017 heeft CDVI een verbeterde Nederlandse vertaling ingediend bij Octrooicentrum Nederland (OCNL), waarvan de juistheid wordt bestreden door Impro c.s., die als volgt luidt:

l. Leesinrichting voor elektronische sleutels omvattende een antenne en een metalen

beschermingsbehuizing (1), met het kenmerk dat deze ten minste een sleuf (5) omvat die

zich uitstrekt van een (6a) van de randen richting het centrum van de voorkant (2),

2. Leesinrichting volgens conclusie 1, waarbij de beschermingsbehuizing is beperkt tot de

voorkant en zodoende een plaat vormt, met het kenmerk dat de sleuf uitkomt op een van

de zijden van de plaat,

3. Leesinrichting volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk dat het uiteinde (5a) van de

sleuf (5) zich uitstrekt over de middenlijn die de zijden verbindt die grenzen aan de zijde

waar de sleuf op uitmondt.

2.9.

De authentieke Franse beschrijving van EP 006 bevat de volgende passages:

2.10.

De Nederlandse vertaling van de beschrijving (waarvan alleen de vertaling van ‘jusque vers’ in [0011] is bestreden) luidt als volgt:

[0001] De uitvinding heeft betrekking op verbeteringen betreffende leesinrichtingen voor

elektronische sleutels.

[0002] Op het gebied van toegangscontrole heeft elke geautoriseerde gebruiker een badge

die is voorzien van een elektronische inrichting die, wanneer deze door een externe bron

wordt gevoed, een gecodeerd signaal levert die het bijvoorbeeld mogelijk maakt om een

deur te openen als deze door de leesinrichting wordt herkend.

[0003] De leesinrichting zendt de energie die noodzakelijk is voor de werking van de badge

door een koppeling door zelfinductie, hetgeen inhoudt dat de leesinrichting en de badge elk

zijn voorzien van een antenne in de vorm van een spoel.

[0004] De leesinrichting is gepositioneerd buiten de ruimte waarvoor de toegang wordt

geregeld en moet voorzien zijn van middelen tegen vandalisme. De leesinrichting is in het

algemeen behuisd in een sterke metalen behuizing die stevig bevestigd wordt tegen de

buitenwand. Het buitenoppervlak van de behuizing omvat sleuven zodat de flux van de

antenne naar buiten kan stralen. In sommige gevallen is de leesinrichting ingebouwd en de

voorzijde beschermd door een metalen plaat.

[0005] Ervaring heeft laten zien dat, voor doelmatig gebruik, de badge relatief dicht bij de

leesinrichting moet worden gehouden, hetgeen verklaard kan worden door het feit dat de

metalen behuizing, of de plaat, zich gedraagt als een spoel die wordt doorkruist door de flux

die wordt uitgezonden door de antenne, en die een deel van de door de antenne

uitgezonden energie absorbeert en in warmte omzet.

[0006] De huidige uitvinding, die deze nadelen verhelpt, is bijzonder in de zin dat de

behuizing een sleuf omvat die zich vanaf een van de randen van de behuizing uitstrekt in

grofweg de richting van het centrum van de voorkant van de behuizing.

[0007] De onderhavige uitvinding kan beter begrepen worden door de volgende

beschrijving onder verwijzing naar de voorbeelden in bijgevoegde figuren, waarbij:

figuur 1 een perspectiefaanzicht van een bekende behuizing betreft;

figuur 2 een aanzicht is van een behuizing volgens de uitvinding;

figuur 3 een aanzicht is van een behuizing volgens figuur 2;

figuur 4 een aanzicht van een realisatievariant betreft die vergelijkbaar is met die van figuur

2.

[0008] Zoals te zien is in figuur 1, bevindt de leesinrichting zich in een metalen behuizing 1

waarbij de gangbare antenne, die schematisch wordt weergegeven door spoel 3, zich achter

de voorkant 2 van de behuizing bevindt.

[0009] Openingen 4 voorzien in de voorkant 2 maken het mogelijk de flux die wordt

uitgezonden door de spoel 3 te laten ontsnappen. Ervaring heeft laten zien dat slechts een

klein deel van de door de spoel 2 uitgezonden energie wordt ontvangen door de badge van

de gebruiker, waardoor het noodzakelijk is deze relatief dicht bij de leesinrichting te

houden.

[0010] Dit verschijnsel laat zich verklaren door het feit dat de behuizing zich gedraagt als

een spoel met een zelfinductie en een deel van de flux die door de antenne 3 wordt

uitgezonden absorbeert.

[0011] De onderhavige uitvinding, die het mogelijk maakt om de bovengenoemde nadelen

te verhelpen, is bijzonder in de zin dat de behuizing een sleuf 5 omvat die zich uitstrekt van

de zijkant 2a van de voorkant 2 in de richting van het centrum van de genoemde voorkant,

waarbij de sleuf doorloopt in de zijkant 6 van de behuizing om uit te komen aan de rand 6a

[0012] Wanneer de behuizíng is beperkt tot een metalen plaat die de leesinrichting die

ingebouwd is bedekt, komt de bovengenoemde sleuf uit op een van de kanten van deze

plaat.

[0013] Ervaring heeft laten zien dat het effect van absorptie door de metalen behuizing

aanzienlijk gereduceerd werd door de enkele aanwezigheid van sleuf 5 in figuur 2 waardoor

correcte herkenning van een gebruiker mogelijk is alhoewel deze op een veel grotere

afstand van de leesinrichting staat in vergelijking met de afstand die deze moet hebben in

de voorgaande situatie.

[0014] Uiteraard staat niets in de weg om de voorkant te voorzien van openingen

overeenkomstig de openingen 4.

[0015] Het resultaat van de uitvinding kan verbeterd worden door gebruik te maken van een

veelheid van sleuven 7 zoals in figuur 4.

[0016] Bij voorkeur strekt het einde 5a van sleuf 5 zich uit tot over middellijn AB die de

middens van de twee zijkanten aan weerzijden van de kant waarop de sleuf uitkomt, met

elkaar verbindt.

2.11.

Het octrooi bevat de hierna weergegeven figuren, waarbij figuur 1 de in de stand van de techniek reeds bekende leesinrichting betreft:

2.12.

Het octrooi beschrijft in paragraaf [0005] het resultaat van het natuurkundige fenomeen dat een magnetisch veld (bijvoorbeeld opgewekt door een spoel), ook wel ‘flux’ genoemd, dat wordt doorsneden door een metalen plaat, circulaire stromen in die plaat opwekt. Deze circulaire zogenaamde ‘Eddy currents’ hebben een richting tegengesteld aan de stroomrichting in de spoel. De Eddy currents wekken zelf ook weer een magnetisch veld op, dat daarbij het magnetisch veld van de spoel tegenwerkt en daarmee verzwakt.

2.13.

In een (eerste) verklaring van de deskundige van CDVI, dr. [deskundige A] , wordt dit fenomeen – onweersproken – als volgt uitgelegd:

2.13.1.

[deskundige A] geeft in deze verklaring de hieronder weergegeven natuurkundige verklaring voor de werking van een kaartlezer uitgevoerd volgens conclusie 1 van het octrooi, in vergelijking met de werking van een tot de stand van de techniek behorende kaartlezer volgens figuur 1 (Fig. 1) van het octrooi:

Relevante stand van de techniek

2.14.

In 1880 bedacht de Oostenrijkse wetenschapper Adalbert von Waltenhofen zu Eglofsheim (1828-1914) een natuurkundig experiment dat bekend staat als de slinger van Von Waltenhofen. De hierna weergegeven foto toont een uitvoeringsvorm van die slinger.

Bij het experiment is een slinger zodanig opgesteld dat een sectorvormige metalen plaat van de slinger (hangend in de foto) vrij kan bewegen tussen twee poolschoenen van een sterke U-vormige elektromagneet. Als het slingerlichaam in beweging wordt gebracht dan zal deze door de luchtweerstand langzaam gaan afremmen. Wordt daarentegen de elektromagneet ingeschakeld dan zal de slinger veel sneller tot stilstand komen. In het magnetisch veld dempen de Eddy currents in het oppervlak van de metalen plaat de beweging van de slinger.

Om te bewijzen dat deze circulaire stromen verantwoordelijk zijn voor de snelle afremming van de slinger wordt in het experiment van Von Waltenhofen een tweede sectorvormige metalen plaat (liggend in de foto) opgehangen, die dezelfde vorm heeft als de eerste plaat maar in radiale richting is voorzien van spleten. Schakelt men nu het magneetveld in dan zal de slinger nagenoeg ongehinderd doorslingeren. De Eddy currents worden daarbij zeer afgezwakt

2.15.

Tot de stand van de techniek op de prioriteitsdatum behoren de Feynman Lectures on Physics Volume II, waarvan in februari 1977 de 6e druk verscheen (hierna: de Feynman Lectures). De Feynman Lectures zijn een schriftelijke uitwerking van colleges die hoogleraar en Nobelprijswinnaar Richard P. Feynman aan eerstejaars natuurkunde studenten gaf in de jaren ’50 van de vorige eeuw. In hoofdstuk 16-3 wordt onder andere de slinger van Von Waltenhofen besproken. Dit hoofdstuk heeft in die druk de hierna weergegeven inhoud (voor zover relevant), waarbij de (niet zo goed leesbare) tekst op bladzijde 16-6 onderaan als volgt luidt:

“The nature of the eddy currents in the copper pendulum is shown in Fig. 16-11. The strength and geometry of the currents are quite sensitive to the shape of the plate. If, for instance, the copper plate is replaced by one which has several narrow slots cut in it, as shown in Fig. 16-12, the eddy-current effects are drastically reduced. The pendulum swings through the magnetic field with only a small retarding force. The reason is that the currents in each section of the copper have less flux to drive them, so the effects of the resistance of each loop are greater. The currents are smaller and the drag is less.”

2.16.

Tot de stand van de techniek op de prioriteitsdatum van het octrooi behoorden ook de Japanse octrooiaanvrage met aanvraagnummer JP-8-307123 (hierna: JP 123), de Nederlandse octrooiaanvrage met aanvraagnummer 8700369 (hierna: NL 369), het Amerikaanse octrooi met nummer 5248989 (hierna: US 989) en een ‘swipe-through’ magneetkaartlezer (hierna: D1).

2.17.

JP 123, gepubliceerd op 22 november 1996, heeft betrekking op een ‘Method of attaching loop antenna of mobile unit control system’. JP 123 openbaart in de – onbestreden – Engelse vertaling onder meer:

[0007]

[Problem to be solved by the Invention] In a mobile unit control system using radio waves of this type, since the identification information of the individual is obtained by radio waves transmitted from the mobile body when the mobile body (individual management) passes through the receiving area (management area) receivable by the receiving antenna, the installation position of the loop

antenna becomes a problem. Especially, in an installation place in the room, it is often attached to a certain entrance such as a door, and its mounting position is a steel frame or an iron frame, a metallic door, its frame, a metallic plate such as a booth, etc. In such an attachment position, the metal plate receives a powerful antenna action to receive and absorb radio waves, so even if a loop antenna is

attached, a current to be induced in the loop antenna is induced on the metal side, and it becomes impossible to receive radio waves from the transponder side, the desired management area is not formed and there is the problem that a loop antenna cannot actually be installed. As a result, there is no choice but to shift the position, reception on the periphery of the management area becomes insufficient, which result in having some loop antennas required. An object of the present invention is to solve such a problem of the conventional technology, and to provide a loop antenna attaching method of a mobile body control system capable of attaching a loop antenna to an appropriate position.

[0008]

[Means for Solving the Problem] A feature of the loop antenna attaching method of the mobile object control system according to the first invention for attaining such an object is that when a place where a loop antenna for receiving a radio wave from a moving body is attached is a metal plate, a notch is formed in the metal plate at a length exceeding the outer shape of the loop antenna along straight line passing through the center of the loop antenna at the attachment position of the surface of the metal plate, and the incision is covered with an insulating material or the incision is filled with an insulating material, the loop antenna is fixed at the attaching position. Alternatively, after fixing the loop antenna at the mounting position, the portion of the notch exposed to the outside is covered with

an insulating material.

[0011]

[Example of Implementation] Diagram I is an explanatory diagram of a loop antenna attaching method of a mobile unit control system according to one embodiment of the present invention, where (a) is a plan view thereof, and (b) is a cross-sectional view thereof. Also, Diagram 2 is an explanatory diagram in the case where the loop antenna is attached to a booth or the like. Diagram 3 is an explanatory diagram of a loop antenna attaching method of a mobile unit control system according to another embodiment of the present invention, where (a) is a plan view thereof, and (b) is a cross-sectional view thereof. Diagram 4 is an explanatory diagram of an embodiment in the case where

the antenna and the reader are attached at the same time. Incidentally, the same components as those in Diagram 5 are denoted by the same reference numerals. In Diagram 1, transmitting / receiving antenna 21 is attached to metal plate 7 at a loop antenna attaching position by anchor bolt 8. Notch 9 is provided on metal plate 7 along the diameter of the loop of transmitting / receiving antenna 21 with a length exceeding the outer shape of this antenna.

en de hieronder weergegeven figuren 1 en 4:

2.18.

NL 369, gepubliceerd op 16 september 1988, heeft betrekking op een ‘werkwijze voor het plaatsen van een elektronische responder in een omgeving van metaal’. NL 369 openbaart onder meer (blz. 1, randnr. 39 – blz. 3, randnr. 16):

Bij NL 369 hoort onder meer de volgende figuur:

2.19.

US 989, gepubliceerd op 28 september 1993, heeft betrekking op een ‘Magnetic field concentrator’. US 989 openbaart onder meer:

Bij US 989 behoren onder meer de volgende figuren:

2.20.

D1 is een overheidsvoorschrift van het Zuid-Afrikaanse Department of Public works met betrekking tot een standaard voor de specificatie van veiligheidsapparatuur, gepubliceerd in september 1995. Het bevat onder meer een beschrijving van een ‘swipe-through’ magneetkaartlezer van het type als hieronder weergegeven. In de verleningsprocedure van EP 006 is D1 door de Examiner van het Europees Octrooibureau (EOB) aangemerkt als de meest nabije stand van de techniek.

Overige feiten

2.21.

In een document gedateerd ‘juni 1997’ met reclame van Keri Systems te San Jose, Californië, is de hieronder weergegeven kogelvrije kaartlezer (hierna: de Shooting Star) afgebeeld:

3 Het geschil

in conventie 3.1.

CDVI vordert samengevat - , voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

een verklaring voor recht dat Impro c.s. inbreuk maakt op EP 006;

een verbod aan Impro c.s. om inbreuk te maken op EP 006;

een recall-bevel en een bevel tot afgifte ter vernietiging van inbreukmakende producten;

een bevel tot opgave van aantallen en prijzen van ingekochte, verkochte en voorradige inbreukmakende producten, de daarmee behaalde omzet en winst en gegevens van de producent en leveranciers;

de voorgaande verboden en bevelen alle op straffe van een dwangsom;

een verklaring voor recht dat Impro c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die CDVI lijdt door de inbreuk, met veroordeling tot vergoeding daarvan, nader op te maken bij staat of op basis van winstafdracht;

veroordeling van Impro c.s. in de redelijke en evenredige proceskosten op de voet van artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.2.

CDVI legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Impro c.s. inbreuk maakt in Nederland op conclusie 1 van het octrooi, door het produceren, importeren, verkopen en/of te koop aanbieden van de Impro Producten. CDVI lijdt daardoor schade, voor de vergoeding waarvan Impro c.s. aansprakelijk is.

3.3.

Impro c.s. voert gemotiveerd verweer. Zij betoogt dat EP 006 nietig is, stellende dat het octrooi toegevoegde materie bevat, niet nawerkbaar is en niet nieuw is ten opzichte van D1 en JP 123 en op grond van openbaar voorgebruik door de producent van de Impro Producten. Daarnaast bestrijdt zij dat EP 006 inventief is ten opzichte van de in figuur 1 van EP 006 weergegeven, tot de stand van de techniek behorende kaartlezer, in combinatie met de algemene vakkennis, NL 369 of JP 123 en ten opzichte van de Shooting Star in combinatie met NL 369 of US 989. Ook bestrijdt zij dat de Impro Producten onder de beschermingsomvang van EP 006 vallen. In dat verband betwist zij onder meer de juistheid van de gewijzigde Nederlandse vertaling van conclusie 1 en de uitleg die CDVI geeft aan conclusie 1.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Impro c.s. vordert samengevat - vernietiging van het Nederlandse deel van EP 006 en een verklaring voor recht dat de Impro Producten geen inbreuk maken op dat octrooi, met een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv .

3.6.

Aan haar vordering legt Impro c.s. ten grondslag dat het octrooi nietig is op de hiervoor in r.o. 3.3 opgesomde gronden.

3.7.

CDVI voert gemotiveerd verweer. Subsidiair heeft CDVI een hulpverzoek gedaan, dat (na wijziging) als volgt luidt:

1. Leesinrichting voor elektronische sleutels omvattende een

antenne en een metalen beschermingsbehuizing (1) waarbij de beschermingsbehuizing een voorkant en een zijkant heeft en waarbij een antenne in de vorm van een spoel zich achter de voorkant van de beschermingsbehuizing bevindt, met het kenmerk dat deze ten minste de beschermingsbehuizing een enkele sleuf (5) omvat die zich uitstrekt vanaf een van de randen rand van de zijkant van de beschermingsbehuizing via de zijkant van de

beschermingsbehuizing richting het centrum van de voorkant (2) van de beschermingsbehuizing.

2. Leesinrichting volgens conclusie 1, waarbij de beschermingsbehuizing is beperkt tot de

voorkant en zodoende een plaat vormt, met het kenmerk dat de sleuf uitkomt op een van

de zijden van de plaat,

3 2Leesinrichting volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk dat het uiteinde (5a) van de sleuf (5) zich uitstrekt over de middenlijn die de zijden verbindt die grenzen aan de zijde

waar de sleuf op uitmondt.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

bevoegdheid

4.1.

De rechtbank is internationaal bevoegd kennis te nemen van de vordering in conventie op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo omdat Impro Europe en Alphatronics in Nederland zijn gevestigd. De rechtbank is internationaal exclusief bevoegd kennis te nemen van de vordering in reconventie tot vernietiging van het Nederlandse deel van EP 006 op grond van artikel 24 aanhef en onder 4 Brussel I bis-Vo. De relatieve bevoegdheid berust op artikel 80 lid 1 sub a en lid 2 sub a ROW. De internationale en relatieve bevoegdheid van deze rechtbank is overigens niet bestreden.

Inventiviteit EP 006

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat EP 006 (NL) in de huidige, door CDVI voorgestane, vertaling en uitleg van de conclusies, aan nietigheid bloot staat omdat het octrooi niet inventief is ten opzichte van de stand van de techniek, die is weergegeven in Fig. 1 van het octrooi (zie r.o. 2.11, hierna: ‘figuur 1’) en de algemene vakkennis. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.3.

De rechtbank hanteert bij de beoordeling van de inventiviteit de in de case law van de kamers van beroep van het Europees Octrooibureau ontwikkelde ‘Problem Solution Approach’.

4.4.

Impro c.s. heeft onweersproken gesteld dat de gemiddelde vakman in het relevante vakgebied een elektrotechnicus met een universitaire titel is, die elektronische toegangs- en leessystemen ontwerpt, zodat de rechtbank daar ook van uit gaat.

4.5.

Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de inrichting van figuur 1 van het octrooi geldt als de closest prior art. Figuur 1 openbaart, evenals conclusie 1, een metalen plaat voor de behuizing aan de voorzijde van de antenne, dus tussen de antenne en de te lezen elektronische sleutel. Het verschilkenmerk tussen conclusie 1 en de inrichting van figuur 1 is een sleuf die zich uitstrekt van een van de randen van de voorkant van de metalen beschermingsbehuizing – in de huidige Nederlandse vertaling van het octrooi – richting het centrum van de voorkant (dit is ook de lezing van het kenmerk “jusque vers le centre” die CDVI voorstaat).

4.6.

Het technisch effect van dit verschilkenmerk is, dat bij gelijkblijvend vermogen de elektronische sleutel op grotere afstand afgelezen kan worden door een antenne (in een metalen beschermingsbehuizing). De natuurkundige verklaring voor het optreden van dit effect van het verschilkenmerk is, dat een sleuf die zich uitstrekt vanaf de rand van de behuizing er voor zorgt dat de Eddy currents een langere weg moeten volgen, daardoor sterk in kracht afnemen en zelfs positief gaan bijdragen aan de flux van de antenne. Dit wordt beschreven op blz. 15 van de deskundigenverklaring van [deskundige A] (r.o. 2.13.1).

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit technisch effect (dat de elektronische sleutel op grotere afstand afgelezen kan worden) dat het op te lossen probleem is: ‘het verschaffen van een leesinrichting met een metalen beschermingsbehuizing die in staat is om een elektronische sleutel op relatief grote afstand van de leesinrichting uit te lezen zonder daarbij de beschermfunctie van de behuizing aan te tasten’. Hierin volgt de rechtbank CDVI. Impro c.s. betoogt dat het op te lossen probleem is ‘hoe een antenne goed beschermd op te sluiten in een metalen behuizing waarbij magnetische flux minder door die behuizing wordt geabsorbeerd vanwege Eddy currents’. Daarbij verliest zij uit het oog dat zij in de probleemstelling niet alleen een technisch effect opneemt, maar eveneens de verklaring voor dat effect, en daarmee een aanwijzing naar de oplossing. Daarmee past zij de Problem Solution Approach onjuist toe.

4.8.

CDVI heeft niet weersproken dat de Feynman Lectures (zie r.o. 2.15) alom bekend zijn (naar de rechtbank begrijpt: onder natuurkundigen en elektrotechnici) en op de prioriteitsdatum tot de algemene vakkennis van de vakman behoorden. De Feyman Lectures vermelden (op blz. 16-6) dat hier Eddy currents in het spel zijn en geven een oplossing om Eddy currents drastisch te verminderen: “If, for instance, the copper plate is replaced by one which has several narrow slots cut in it (…) the eddy-current effects are drastically reduced.” Daarbij wordt verwezen naar figuur 16.2 die een metalen plaat met vier sleuven vanaf een van de randen toont. De vakman weet daardoor dat in een metalen plaat die in het magnetisch veld van de antenne is geplaatst Eddy currents optreden en dat die currents aanzienlijk worden verminderd of geneutraliseerd door de metalen plaat te voorzien van een paar sleuven vanaf een van de randen.

4.9.

De vakman kent dat natuurkundig fenomeen en de oplossing ervoor overigens ook uit het in 2.14 weergegeven Von Waltenhofen experiment, dat eveneens tot zijn algemene vakkennis behoort (zo heeft CDVI ter zitting nog erkend). In dat experiment worden de Eddy currents gebruikt om een bewegend metalen slingerelement dat door een statisch magnetisch veld beweegt, snel te laten remmen. Aan CDVI kan worden toegegeven dat die situatie afwijkt van een electromagnetische antenne die binnen een metalen behuizing is geplaatst waarvoor een bewegende sleutelkaart kan worden gehouden. Dat staat er echter niet aan in de weg dat dit experiment de werking van Eddy currents in een magnetisch veld aantoont én het feit dat die worden voorkomen als de slinger wordt voorzien van sleuven vanaf een van de randen van de metalen plaat.

4.10.

Gesteld voor het probleem om de leesinrichting van figuur 1 zo te wijzigen dat een kaart op grotere afstand gelezen kan worden zal de vakman met deze algemene vakkennis zonder inventieve arbeid onmiddellijk herkennen dat Eddy currents de oorzaak van de verzwakking van de flux zijn en dat de negatieve werking daarvan afneemt door één of, voor een groter effect, meer sleuven vanaf een van de randen van de metalen plaat aan te brengen. De sleuven in de kaartlezer van figuur 1 lopen niet vanaf de rand van de metalen voorplaat en reduceren de Eddy currents onvoldoende, zo zal de gemiddelde vakman onderkennen.

4.11.

Dat dit in de stand van de techniek een bekende oplossing voor het probleem van fluxverzwakking door Eddy currents is, wordt bevestigd door JP 123, NL 369 en US 989. Alle drie documenten behoren tot het vakgebied van de betreffende vakman en in alle drie wordt het probleem van Eddy currents met behulp van een enkele sleuf, aangebracht vanaf de rand van een metalen plaat of behuizing, verholpen. Omdat deze documenten voortbrengselen betreffen die niet alle kenmerken van conclusie 1 bezitten en/of een (weliswaar aanverwante maar) andere toepassing hebben, is EP 006 nieuw en inventief ten opzichte van deze documenten afzonderlijk. Ze bevestigen echter wel de vaststelling dat het toepassen van een smalle sleuf vanaf de rand van een metalen plaat om Eddy currents te verminderen, tot de algemene vakkennis van de vakman behoorde op de prioriteitsdatum.

4.12.

Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat conclusie 1 van EP 006 vernietigbaar is omdat het inventiviteit ontbeert. CDVI heeft de stelling van Impro c.s. dat, als conclusie 1 niet inventief is, conclusie 2 en 3 dat evenmin zijn, onweersproken gelaten. Het Nederlandse deel van EP 006 is derhalve in zijn geheel vernietigbaar.

4.13.

Daarmee komt het (in 3.7 beschreven) hulpverzoek van CDVI aan de orde. Dat hulpverzoek beperkt het octrooi echter niet op zodanige wijze dat het octrooi daarmee tegen de onderhavige vernietigingsgrond wordt beschermd: de hiervoor gegeven beoordeling op grond van de Problem Solution Approach luidt voor het hulpverzoek namelijk hetzelfde. Het enige aanvullende onderscheidingskenmerk (de sleuf die zich uitstrekt van de rand van de zijkant van de beschermingsbehuizing) is naar het oordeel van de rechtbank op de in 4.9 en 4.10 overwogen gronden eveneens algemene vakkennis en bovendien ten minste uit JP 123 bekend. Het hulpverzoek kan CDVI derhalve niet baten.

Vorderingen

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen in conventie worden afgewezen, omdat EP 006 (NL) aan vernietiging blootstaat en CDVI zich daarop dan ook niet kan beroepen.

4.15.

De in reconventie gevorderde vernietiging van het Nederlandse deel van EP 006 is toewijsbaar. Daarbij zal worden bepaald dat zowel Impro Europe (thans Acces & Beyond B.V.) als Alphatronics als meest gerede partij bevoegd is te verzoeken dat in het octrooiregister aantekening van de vernietiging wordt gedaan nadat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

4.16.

De verklaring voor recht die Impro c.s. heeft gevorderd zal niet worden toegewezen, nu Impro c.s. niet heeft gesteld welk belang zij daarbij heeft naast de afwijzing van de vordering in conventie en de toewijzing van de vernietigingsvordering in reconventie. Impro c.s. heeft een afzonderlijk belang bij deze verklaring voor recht niet gesteld.

4.17.

CDVI zal als de (hoofdzakelijk) in het ongelijk gestelde partij in conventie en reconventie worden veroordeeld in de proceskosten. Impro c.s. heeft een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv gevorderd. De onderhavige zaak valt zowel in conventie als in reconventie aan te merken als een procedure ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv . Partijen zijn overeengekomen dat de redelijke en evenredige proceskosten in deze zaak in totaal € 200.000,- bedragen en dat 60% daarvan aan de reconventie en 40% aan de conventie kan worden toegerekend. In conventie worden de redelijke en evenredige proceskosten aan de zijde van Impro c.s. derhalve begroot op € 80.000,- te vermeerderen met € 618,- griffierecht en in reconventie op € 120.000,-.

4.18.

Voor een afzonderlijke veroordeling in de nakosten, zoals Impro c.s. heeft gevorderd, bestaat geen grond, nu de proceskostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert. Begroting van deze kosten is wel mogelijk. Impro c.s. verwijzen naar de ‘gebruikelijke nakosten (zowel zonder als met betekening)’ wat de rechtbank opvat als een verwijzing naar de voor nakosten geldende liquidatietarieven. De nakosten zullen op die voet worden begroot. De vordering tot vermeerdering van de proceskostenveroordeling met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis is eveneens toewijsbaar.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt CDVI in de proceskosten, aan de zijde van Impro c.s. tot op heden begroot op € 80.618,-, te vermeerderen met de nakosten in conventie van € 157,- en in geval van betekening € 82,- extra, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige voldoening;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

vernietigt het Nederlandse deel van het Europese octrooi EP 1 245 006 en bepaalt dat zowel Impro Europe als Alphatronics als meest gerede partij bevoegd is te verzoeken dat in het octrooiregister aantekening van de vernietiging wordt gedaan;

5.5.

veroordeelt CDVI in de proceskosten, aan de zijde van Impro c.s. tot op heden begroot op € 120.000,-, te vermeerderen met de nakosten in reconventie van € 89,-, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige voldoening;

5.6.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus, mr. E.F. Brinkman en mr. H. Meinders en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2018.

Toevoegingen zijn onderstreept en verwijderingen doorgehaald weergegeven.

Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature