< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aanvraag mvv nareis. De indieningstermijn is al 'veiliggesteld' door een eerdere aanvraag in 2012. Referent is inmiddels houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Gelet op artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan nareis alleen worden aangevraagd door een houder van een asielvergunning voor bepaalde tijd. De rechtbank oordeelt dat dit geen afbreuk doet aan het beoogde doel en het nuttig effect van de gezinsherenigingsrichtlijn. Daartoe is met name van belang dat een aanvraag in beginsel binnen drie maanden na verlening van de asielvergunning moet worden ingediend, terwijl deze vergunning in de regel pas na vijf jaar kan worden omgezet naar een vergunning voor onbepaalde tijd. Nu eisers van 13 februari 2012 tot 5 januari 2017 de tijd hebben gehad om hun aanvraag (opnieuw) in te dienen, heeft de staatssecretaris hun aanzienlijk meer tijd geboden dan de gezinsherenigingsrichtlijn als uitgangspunt voorschrijft. De staatssecretaris hanteert daarom, anders dan eisers stellen, juist geen rigide interpretatie van artikel 12, eerste lid, van de gezinsherenigingsrichtlijn.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/5527

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2018

in de zaak tussen

[naam] ,

geboren op [datum] 1984,

v-nummer [nummer] ,

[naam] ,

geboren op [datum] 2005,

v-nummer [nummer] ,

[naam] ,

geboren op [datum] 2005,

v-nummer [nummer] ,

[naam] ,

geboren op [datum] 2006,

v-nummer [nummer] ,

[naam] ,

geboren op [datum] 2007,

v-nummer [nummer] ,

van Somalische nationaliteit,

eisers,

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder.

Procesverloop

Op 26 april 2017 heeft [referent] (hierna: referent) ten behoeve van eisers een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met als doel gezinshereniging in het kader van nareis. Bij besluit van

2 oktober 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Daartegen hebben eisers en referent op 10 oktober 2017 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 juli 2018 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 23 juli 2018 hebben eisers beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 16 augustus 2018. Namens eisers zijn verschenen hun gemachtigde en referent. Verweerder is met voorafgaande schriftelijke kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling

1. Op basis van de door eisers verstrekte gegevens komen zij in aanmerking voor vrijstelling van het griffierecht.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Bij besluit van 13 februari 2012 is aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, geldig van 8 december 2011 tot 8 december 2016. Op 2 mei 2012 heeft referent een aanvraag als hier aan de orde ingediend, welke is afgewezen op 26 juli 2012. Op 10 november 2016 heeft referent een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Bij besluit van 5 januari 2017 is deze ingewilligd met ingang van 8 december 2016.

3. Verweerder heeft de aanvraag voor een mvv ten behoeve van eisers afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat referent op de datum van de aanvraag geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde, maar voor onbepaalde tijd had. Eisers voldoen daarom niet aan de vereisten die artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) stelt, aldus verweerder.

4. Artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 luidt als volgt: “Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend ”

Het vierde lid van dat artikel luid t:

“De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, kan eveneens worden verleend aan een gezinslid als bedoeld in het tweede lid, dat slechts niet uiterlijk binnen drie maanden is nagereisd nadat aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 is verleend, indien binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd.”

5. Eisers voeren aan verweerder een te rigide interpretatie hanteert van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71; hierna: Richtlijn). Hoofdstuk 5 hiervan vereist namelijk enkel dat de gezinshereniger een vluchteling is en kent geen onderscheid tussen een erkenning van die status in de vorm van een vergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd. Aangezien referent verblijf geniet op grond van zijn vluchtelingenstatus en nog niet is genaturaliseerd, valt hij onder de toepassing van dit hoofdstuk van de Richtlijn. Bovendien levert genoemd onderscheid strijd op met het beoogde doel en het nuttig effect van de Richtlijn, aldus eisers.

5.1

De rechtbank overweegt dat volgens artikel 12, eerste lid, van de Richtlijn lid staten kunnen eisen dat de referent de aanvraag met de gunstiger ‘nareis’-voorwaarden voor gezinshereniging binnen drie maanden na toekenning van zijn asielstatus indient. Uit rechtsoverweging 61 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 april 2018 inzake A. en S. (ECLI:EU:C:2018:248) volgt dat deze drie maanden in beginsel het uitgangspunt vormen. Naar Nederlands recht wordt deze termijn daarna evenmin overschreden geacht zolang er maar binnen die termijn een eerste aanvraag voor nareis is ingediend. Gelet op het feit dat de initiële verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de regel pas na vijf jaar kan worden omgezet naar een vergunning voor onbepaalde tijd, is het veiligstellen van die termijn dus indirect gelimiteerd tot deze vijf jaar. De rechtbank stelt vast dat er tussen partijen geen geschil bestaat over een eventuele overschrijding van de indieningstermijn, die is namelijk op 2 mei 2012 al ‘veiliggesteld’. De vraag is of de mogelijkheid tot het aanvragen van een mvv in het kader van nareis enkel voor referenten met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in het algemeen en specifiek voor eisers strijd oplevert met (het beoogde doel en nuttig effect van) de Richtlijn.

5.2

Eisers voeren weliswaar terecht aan dat de Richtlijn bovenstaand onderscheid niet kent, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend. Verweerder hanteert, anders dan eisers stellen, juist geen rigide interpretatie van artikel 12, eerste lid, van de Richtlijn door eisers de mogelijkheid te bieden ongeveer vijf jaar lang van de ‘driemaandentermijn’ gebruik te laten maken. Nu eisers van 13 februari 2012 tot 5 januari 2017 de tijd hebben gehad om hun aanvraag (opnieuw) in te dienen, heeft verweerder hun aanzienlijk meer tijd geboden dan de Richtlijn als uitgangspunt voorschrijft. Dat betekent dat de stelling van eisers dat het hanteren van een onderscheid tussen asielvergunningen voor bepaalde en onbepaalde tijd in het algemeen niet slaagt. De rechtbank is verder van oordeel dat eisers geen bijzondere omstandigheden naar voren hebben gebracht waardoor voor hen toch strijd met de strekking en/of het doel van de Richtlijn moet worden aangenomen. Zij hebben immers niets aangevoerd waaruit zou blijken dat zij (bijvoorbeeld) pas na 5 januari 2017 in staat waren om hun aanvraag opnieuw in te dienen.

Verweerder stelt zich dus terecht op het standpunt dat het onderscheid tussen asielvergunningen voor bepaalde en onbepaalde tijd zoals voortvloeit uit artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 in het algemeen en voor eisers specifiek geen afbreuk doet aan het beoogde doel en nuttig effect van de Richtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eisers voeren verder aan dat verweerder ten onrechte niet heeft voldaan aan de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

6.1

Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan verweerder van horen afzien indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank doet een dergelijke situatie zich hier voor. Verweerder heeft daarom terecht afgezien van horen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

7. Eisers verzoeken voor het overige om wat zij in hun aanvullend bezwaarschrift van 15 januari 2018 hebben aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Nu verweerder hier in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd op in is gegaan en eisers deze gronden, anders dan besproken in bovenstaande rechtsoverwegingen, in beroep niet nader hebben onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eisers beoogde resultaat.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. drs. M.F. van den Brink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 2 oktober 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature