< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser, die in Nederland is als getuige voor het International Criminal Court (ICC), afgewezen.

Het gegeven dat het ICC eiser niet zal terugsturen naar zijn land van herkomst zolang zijn veiligheid daar in het geding is en op zoek is naar een veilig derde land voor hervestiging (relocatie) van eiser, heeft tot gevolg dat niet aannemelijk is dat eiser vreest voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag), dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Verweerders gemachtigde ter zitting heeft desgevraagd toegelicht dat het voorgaande inhoudt dat verweerder de omstandigheid of al dan niet sprake is van terugkeer naar een land waar geen bescherming wordt geboden van belang acht voor de beoordeling of eiser een gegronde vrees heeft en derhalve als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangemerkt.

Uit artikel 1(A) Vluchtelingenverdrag, noch uit een van de andere bepalingen van het Vluchtelingenverdrag - behoudens de in artikel 1(C) tot en met 1(F) geformuleerde gevallen, waarvan in het geval van eiser geen sprake is - blijkt dat een vreemdeling, eerst als vluchteling kan worden aangemerkt indien terugkeer naar het land van herkomst aan de orde is, dan wel indien hem geen bescherming kan worden geboden in een ander derde land. Anders dan door verweerder is betoogd, volgt uit het Vluchtelingenverdrag derhalve niet dat in een geval als het onderhavige, waarin het ICC heeft toegezegd eiser te zullen bijstaan, zodat hij niet hoeft terug te keren naar zijn land van herkomst en eiser te zullen hervestigen in een veilig derde land, geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging en dat eiser daarom niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangemerkt.

De stelling van verweerders gemachtigde ter zitting, dat in de definitie van vluchteling in artikel 1(A) Vluchtelingenverdrag moet worden ingelezen dat eerst van vluchtelingschap sprake is indien terugkeer naar het land van herkomst aan de orde is, dan wel indien de vreemdeling geen bescherming kan worden geboden in een ander derde land, kan zonder nadere onderbouwing niet worden gevolgd. De rechtbank ziet ook overigens geen aanknopingspunten voor dit standpunt van verweerder. Uit het van toepassing zijnde beleid van verweerder, neergelegd in de paragrafen C2/2.1 en C4/2 Vc, de jurisprudentie en de doctrine kan immers evenmin worden opgemaakt dat deze voorwaarden dienen te worden ingelezen en dat daarom in een geval als het onderhavige geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging en van vluchtelingenschap. De rechtbank merkt voorts op dat, indien verweerder in zijn standpunt zou worden gevolgd, dit betekent dat in artikel 1(A) Vluchtelingenverdrag de facto een grond voor uitsluiting van vluchtelingschap zou zijn neergelegd. Dit verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de systematiek van het Vluchtelingenverdrag. Er is immers voor gekozen om de uitsluitingsgronden, die limitatief zijn, expliciet op te nemen na de in artikel 1(A) opgenomen definitiebepaling van vluchteling cq het toepassingsbereik van het Verdrag.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op grond van de omstandigheid dat het ICC eiser thans bescherming biedt tegen terugkeer naar zijn land van herkomst en op zoek is naar een veilig land voor relocatie, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Verweerder heeft zich dan ook op onjuiste gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat op grond daarvan geen rechtsgrond voor het verlenen van een verblijfsvergunning bestaat.

Beroep gegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 27578

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 maart 2013 in de zaak tussen

[naam eiser],

[...],

eiser,

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat, advocaat te ’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 19 oktober 2012, na een daartoe strekkend verzoek van verweerder, bepaald dat de behandeling van het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden achter gesloten deuren.

Verweerder heeft op 21 december 2012 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2013. Het onderzoek ter zitting heeft, met toestemming van partijen, gezamenlijk plaatsgevonden met de behandeling van de zaak met nummer AWB 12/27573. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

Eiser is op [datum], als getuige voor het International Criminal Court (ICC) te ’s-Gravenhage, onder de verantwoordelijkheid van de Victims and Witness Unit (VWU) van het ICC Nederland ingereisd.

Eiser heeft vervolgens op 19 januari 2012 een asielaanvraag ingediend.

2. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser blijkens het rapport van nader gehoor van 23 januari 2012, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Eiser kan niet terugkeren naar zijn land van herkomst omdat hij [...] belastende verklaringen heeft afgelegd over [...] in zijn land van herkomst, [...]. In verband met de zaak [...] is eiser getuige geworden voor het ICC. [...] Eiser en zijn familie willen voorts in Nederland blijven omdat zijn familie gewend is geraakt aan Nederland en zij zich niet wederom in een ander land willen vestigen. Weliswaar zorgt het ICC op dit moment voor eiser en zijn familie, maar eiser weet niet hoelang deze zorg zal worden gecontinueerd en in welk (ander) land het ICC eiser en zijn familie wil vestigen.

3. In het kader van de besluitvorming heeft verweerder het ICC op 29 februari 2012 per e-mail een aantal vragen gesteld met betrekking tot eisers verblijf in Nederland. Het ICC heeft daarop bij brief van 5 april 2012, voor zover van belang, als volgt gereageerd.

“(…).

1. Did the witnesses know that their stay in the Netherlands would be temporary before they came here? (…).

Yes, all of the witnesses were informed verbally that they would be brought to the Netherlands on a temporary basis whilst the VWU finds a permanent solution with a 3rd state. The VWU is mandated by article 43(6) and 68 of the Rome Statute and rule 16 of the Rules of procedure and evidence to provide services such as relocation on a case-by-case basis for witnesses and others who are at risk on account of testimony given by such witnesses.

2. Can you confirm that the ICC will not send the witnesses back to their country of origin?

I can confirm that due to the current level of risk assessed for these witnesses, at the moment they cannot be sent back to [land].

3. Are the ICC still trying to find a country for relocation for the witnesses?

The ICC is seeking a permanent solution for all of the [inwoners land] witnesses but this process has been impeded due to their asylum applications in the Netherlands. It is difficult to request a 3rd state to receive the witnesses for the purpose of mitigating the risk to them when The Netherlands is considered a safe state.”

Naar aanleiding van de door eiser ingebrachte zienswijze heeft verweerder het ICC op 27 juni 2012 aanvullende vragen gesteld. Bij brief van 6 juli 2012 heeft het ICC daarop, voor zover van belang, als volgt gereageerd.

“The Registry has had 100% succes rate in finding relocation countries whenever this has been necessary. I cannot disclose any figures in that regard as such data is highly confidential but I can confirm that a significant number of witnesses have been internationally relocated on a permanent basis to receiving Third States.

Concerning your second question, as agreed with the Ministry of Foreign Affairs, The Court, in accordance with article 68 of the Rome Statute, will remain responsible for the protection of the witnesses and will therefore pursue all avenues to relocate the witnesses outside the Netherlands in case the asylum requests are rejected. We are indeed continuing our effort to find countries which are willing to accept the witnesses on their territories for a permanent relocation. As long as there is an assessed risk related the involvement of these three witnesses with the Court, they will not be sent back to [land].

Concerning the impact of the asylum procedure on our relocation capability and the current situation of the relocation applications, as already explained, the witnesses’ asylum applications hampered the ability of the VWU to find Third states willing to accept the witnesses on their territories. In fact, the VWU was informed by the State with which negotiations were ongoing that the Registry’s requests for the relocation of two witnesses were put on hold because of the witnesses’ pending asylum requests in the Netherlands, which is considered to be a safe state. Recently, the VWU approached this State in order to revive the discussions should the witnesses’ asylum requests be rejected by the Dutch State. (…).”

Bij het verweerschrift van 21 december 2012 heeft verweerder een brief overgelegd van het ICC van 18 december 2012 waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen.

“(…). The Registry wishes to seize this occasion to reiterate that the protection of witnesses is a priority of the Court for which it needs the full cooperation of States.

Pursuant to article 68 of the Rome Statute, the Court shall take appropriate measures to protect the safety, physical and psychological well being, dignity and privacy of victims and witnesses. A special Unit was created within the Registry, the Victims and Witnesses Unit (VWU) to provide protective measures and security arrangements, counselling and other appropriate assistance for witnesses, victims who appear before the Court and others who are at risk on account of testimony given by such witnesses in accordance with article 43(6) of the Rome Statute.

The entrance in the ICC protection programme (ICCPP) is complex and requires the completion of several steps including dependent protection and psychosocial assessments. Once a witness is accepted in the ICCPP, it is the responsibility of the Registry to identify whether relocation is necessary. When providing witnesses with protective and security measures, the VWU is bound to take into account their particular needs and circumstances (rule 17 (2) (a) of the Rules of procedure and Evidence (Rules)). The protection of the victims and witnesses remains the responsibility of the VWU regardless of the witness/victim’s location.

The Registry may negotiate agreements on relocation with States (rule 16(4) of the Rules) to have capability to extract a witness from a country where he or she cannot be protected. The Registry can also request States to host witnesses on their territory on an ad hoc basis within the framework of Chapter IX of the Rome Statute. The relocation agreements provide a legal framework to regulate the conditions of stay of a protected witness in the host State and the respective responsibilities of the Court and of the said State. (…). ”

4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, zoals in het verweerschrift en ter zitting toegelicht, op de volgende standpunten gesteld. Eisers asielaanvraag is in de Verlengde Asielprocedure (VA) behandeld, met inachtneming van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ). De aanvraag van eiser is niet afgewezen met toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, i, en j, Vw, dan wel met toepassing van de artikel 25 gelezen in samenhang met artikel 27 van de richtlijn 2005/85/EG betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (Procedurerichtlijn). De aanvraag van eiser is inhoudelijk beoordeeld op grond van de artikelen 29 en 31 Vw. Er bestaat geen aanleiding voor het verlenen van een verblijfsvergunning op een van de gronden van artikel 29 Vw omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het gegeven dat het ICC, ingevolge artikel 68 van het Statuut van Rome, eiser niet zal terugsturen naar [land] zolang zijn veiligheid daar in het geding is en op zoek is naar een veilig derde land voor hervestiging (relocatie) van eiser, heeft tot gevolg dat niet aannemelijk is dat eiser vreest voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag), dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op artikel 68 van het Statuut van Rome, de toezeggingen van het ICC in voormelde brieven en de zogeheten asielnotitie 2002 (TK 2001-2002, 28 098 (R1704) en 28 099, nr. 13) mag ervan worden uitgegaan dat het ICC zorg zal dragen voor de veiligheid van eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervan niet kan worden uitgegaan. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw.

5. Eiser heeft hiertegen, samengevat, de volgende gronden aangevoerd. Verweerder heeft, door de afwijzing van de aanvraag te baseren op de omstandigheid dat het ICC eiser op dit moment in Nederland beschermt en doende is om een veilig derde land voor eiser te vinden, de aanvraag ten onrechte niet inhoudelijk behandeld. Verweerder heeft hiermee de jure dan wel de facto de artikelen 25 en 27 van de Procedurerichtlijn toegepast maar niet voldaan aan de in die artikelen opgenomen voorwaarden voor toepassing van het begrip ‘veilig derde land’. Voorts is sprake van een buitenwettelijke afwijzingsgrond. Bescherming door het ICC is immers niet in de wet opgenomen als afwijzingsgrond.

De afspraken die tussen eiser en het ICC zijn gemaakt, ontslaan verweerder niet van de verantwoordelijkheid de asielaanvraag op zorgvuldige wijze inhoudelijk te beoordelen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom het gegeven dat het ICC een veilige derde land voor eiser zoekt de vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en het risico op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM in het land van herkomst wegneemt en ertoe leidt dat verweerder eiser geen verblijfsvergunning hoeft te verlenen. Daarbij komt dat eiser op dit moment nog geen relocation agreement heeft gesloten met het ICC. Dit betreft derhalve een onzekere toekomstige gebeurtenis die niet bij besluitvorming mag worden betrokken. Verwezen wordt naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 18 januari 2011 (LJN: BP5371) en zittingsplaats Haarlem van 27 maart 2012 (LJN: BW4022). Daarnaast is het de vraag of het ICC, ondanks zijn bevoegdheden op grond van artikel 68 van het Statuut van Rome, in staat is eiser adequate bescherming te bieden, omdat zich veel problemen voordoen bij relocation agreements. De bescherming is niet permanent, maar tijdelijk en de getuigen zijn afhankelijk van de medewerking en uitvoering door [..]. Voorts biedt het ICC geen adequate rechtsbescherming voor het geval de geboden bescherming niet afdoende blijkt te zijn. Daartoe wordt verwezen naar de brief van prof. dr. G. Sluiter van 27 september 2012, het te verschijnen overzichtsartikel van dr. M. den Heijer voor het NJCM bulletin en de thesis van C. Matsushita van 16 juli 2012. Ter zitting heeft eisers gemachtigde in dit verband nog een e-mailbericht van prof. dr. G. Sluiter van 8 januari 2013 overgelegd.

6. De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of verweerder de aanvraag inhoudelijk heeft behandeld, dan wel de jure of de facto heeft afgewezen omdat eiser in een ander land dan zijn land van herkomst, niet zijnde het land waar thans een asielaanvraag is ingediend, bescherming zal kunnen vinden (de zogenoemde derdelandenexceptie). In dat kader acht de rechtbank het volgende van belang.

6.1 Artikel 25, eerste lid, van de Procedurerichtlijn bepaalt: naast de gevallen waarin een asielverzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 343/2003, zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de asielzoeker in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus overeenkomstig Richtlijn 2004/83/EG, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht.

Het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel bepaalt dat de lidstaten een asielverzoek uit hoofde van dit artikel als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen wanneer een land dat geen lidstaat is, uit hoofde van artikel 27 voor de asielzoeker als veilig derde land wordt beschouwd.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Procedurerichtlijn mogen de lidstaten het begrip ‘veilig derde land’ alleen toepassen indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een asielzoeker in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

a) het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en

b) het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève (het Vluchtelingenverdrag) wordt nageleefd, en

c) het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en

d) de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève (het Vluchtelingenverdrag).

In het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van de Procedurerichtlijn van 8 september 2010 (COM (2010) 465) staat, voor zover van belang, het volgende:

“5.2.4 Het begrip “veilig derde land” (artikel 27)

Het begrip veilig derde land is van toepassing wanneer een persoon om bescherming heeft gevraagd in een derde land dat veilig is en dat bescherming kan bieden overeenkomstig het Verdrag van 1951 (toegevoegd door de rechtbank: het Vluchtelingenverdrag) en waarmee de persoon een band heeft. (…). Het begrip veilig derde land kan alleen worden toegepast wanneer is aangetoond dat er een band is met een derde land waardoor een persoon een reden heeft om daarheen te gaan. (…). In NL gelden relevante regels op grond waarvan de autoriteiten onder andere de aard, de duur en de omstandigheden van een verblijf van een persoon in een derde land moeten nagaan.”

Artikel 27 van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd in de artikelen 30, eerste lid, aanhef en onder d, en 31, tweede lid, aanhef en onder h, Vw.

6.1.1 Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, Vw bepaalt dat een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen indien de vreemdeling op grond van een verdragsverplichting tussen Nederland en een ander land zal worden overgedragen aan dat land van eerder verblijf, terwijl dat land partij is bij het Vluchtelingenverdrag, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154) en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Trb. 1985, 69), dan wel zich anderszins heeft verplicht artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, na te leven.

Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, i en j, Vw bepaalt dat bij onderzoek van de aanvraag mede het volgende wordt betrokken:

h. de vreemdeling heeft verbleven in een derde land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de in artikel 30, onder d, bedoelde verdragen en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het die verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt;

i. de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden toegelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden;

j. de vreemdeling elders een verblijfsalternatief heeft omdat hij voorafgaand aan zijn komst naar Nederland heeft verbleven in een ander land dan het land van herkomst.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie uitspraken van 13 maart 2003, 200300008/1 en 22 april 2003, 200300650/1) moet, gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM, eerst worden beoordeeld of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt verdragsvluchteling te zijn, dan wel of hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw omschreven risico loopt. Indien het een noch het ander het geval is, moet vervolgens worden beoordeeld of verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het asielrelaas geen grond geeft tot verlening van een verblijfsvergunning op voet van achtereenvolgens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c en d van de Vw. Deze wijze van toetsing lijdt uitzondering, indien het bestreden besluit er toe strekt dat de vreemdeling op de voet van artikel 30, aanhef en onder a of d van de Vw aan een ander land zal worden overgedragen, dan wel dat de vreemdeling op één van de gronden, vermeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, i of j, Vw geacht wordt in een ander land bescherming te kunnen vinden. Alsdan dient de toetsing van het besluit hierop aan te sluiten en kan in het midden blijven of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt verdragsvluchteling te zijn, dan wel gegronde redenen te hebben om aan te nemen dat hij bij uitzetting het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw omschreven risico loopt.

6.1.2 Uit de hiervoor weergegeven bepalingen en jurisprudentie volgt dat verweerder bij de toepassing van de derdelandenexceptie niet verplicht is de aanvraag inhoudelijk te behandelen, in die zin dat wordt onderzocht of de vreemdeling in aanmerking komt voor een vluchtelingenstatus, dan wel voor een verblijfsvergunning asiel op een van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, Vw. Beoordeeld wordt in dat geval, kort gezegd, of de vreemdeling in een ander land dan zijn land van herkomst heeft verbleven, of dat derde land als veilig kan worden beschouwd en of de vreemdeling zal worden toegelaten tot dat derde land.

6.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder de derdelandenexceptie de jure niet heeft toegepast, nu verweerder de aanvraag, gelet op de bewoordingen in het bestreden besluit, niet heeft afgewezen op grond van het bepaalde in de artikelen 30, eerste lid, aanhef en onder d, Vw of 31, tweede lid, aanhef en onder h, i of j, Vw, noch op grond van de artikelen 25 en 27 van de Procedurerichtlijn. Verweerder heeft de aanvraag in het bestreden besluit afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, Vw.

De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn standpunt dat verweerder de aanvraag de facto heeft afgewezen op grond van de derdelandenexceptie, omdat de omstandigheid dat het ICC een veilig derde land voor eiser zoekt aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag is gelegd. Voor dit oordeel is redengevend dat verweerder de aanvraag van eiser heeft afgewezen, omdat eiser, naar verweerder stelt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM. Dat verweerder aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd de omstandigheid dat het ICC voor eiser op zoek is naar een veilig derde land, maakt dit niet anders.

Overigens is ook geen sprake van de situatie dat eiser in een ander derde land heeft verbleven in de zin van de artikelen 30, eerste lid, aanhef en onder d, Vw of 31, tweede lid, onder h, i of j, Vw, dan wel artikel 25 en 27 Procedurerichtlijn. Eiser heeft immers geen bescherming gevraagd in een derde land dat veilig is, dat bescherming kan bieden overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag en waarmee eiser banden heeft.

6.3 Concluderend oordeelt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit geen derdelandenexceptie heeft toegepast, maar heeft beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op een van de gronden van artikel 29 Vw. De beroepsgronden van eiser, die betrekking hebben op het ten onrechte en onvolledig toepassen van de derdelandenexceptie en het hanteren van een buitenwettelijke afwijzingsgrond, falen dan ook.

7. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder aan zijn standpunt, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, ten grondslag gelegd dat het ICC eiser ‘as long as there is an assesed risk related the involvement of the witnesses with the Court’ niet zal terugsturen naar zijn land van herkomst en dat het ICC voor eiser op zoek is naar een veilig derde land. Verweerders gemachtigde ter zitting heeft desgevraagd toegelicht dat dit betekent dat verweerder de omstandigheid of al dan niet sprake is van terugkeer naar een land waar geen bescherming wordt geboden van belang acht voor de beoordeling of eiser een gegronde vrees heeft en derhalve als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangemerkt. Eiser betwist het voorgaande. Gelet daarop, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verweerder in dit standpunt kan worden gevolgd en eiser om die reden geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. In dit kader acht de rechtbank het volgende van belang.

7.1 Artikel 1(A), aanhef en onder 2, van het Vluchtelingenverdrag bepaalt, voor zover thans van belang, dat voor de toepassing van dit Verdrag als 'vluchteling' geldt elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren.

In artikel 1(C) van het Vluchtelingenverdrag (de zogenoemde cessation clause) is bepaald dat het Verdrag ophoudt van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van artikel 1(A), indien:

(1) Hij vrijwillig wederom de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit;

(2) Hij, indien hij zijn nationaliteit had verloren, deze vrijwillig heeft herkregen;

(3) Hij een nieuwe nationaliteit heeft verkregen en de bescherming geniet van het land waarvan hij de nieuwe nationaliteit bezit;

(4) Hij zich vrijwillig opnieuw heeft gevestigd in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij uit vrees voor vervolging verblijf hield;

(5) Hij niet langer kan blijven weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen, omdat de omstandigheden in verband waarmee hij was erkend als vluchteling, hebben opgehouden te bestaan; met dien verstande echter, dat dit lid niet van toepassing is op een vluchteling die onder lid 1 van afdeling A van dit artikel valt, en die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen;

(6) Hij, indien hij geen nationaliteit bezit, kan terugkeren naar het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, omdat de omstandigheden in verband waarmee hij was erkend als vluchteling, hebben opgehouden te bestaan.

Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag bepaalt dat dit Verdrag niet van toepassing is op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zullen deze personen van rechtswege onder dit Verdrag vallen.

In artikel 1(E) van het Vluchtelingenverdrag is bepaald dat dit Verdrag niet van toepassing is op een persoon die door de bevoegde autoriteiten van het land waar hij zich heeft gevestigd, beschouwd wordt de rechten en verplichtingen te hebben, aan het bezit van de nationaliteit van dat land verbonden.

Artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag bepaalt dat de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen, dat:

(a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

(b) hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

(c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

7.1.1 Artikel 29, eerste lid, Vw bepaalt dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1° doodstraf of executie;

2° folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3° ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict; (…).

Artikel 31, eerste lid, Vw bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7.1.2 Volgens paragraaf C2/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) worden onder vluchtelingen vreemdelingen verstaan die voldoen aan de omschrijving van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag. Het betreft vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land, waarin zij gegronde vrees hebben voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Een vreemdeling moet als vluchteling worden aangemerkt, zodra hij voldoet aan de hierboven genoemde criteria. De vluchteling is derhalve niet pas vluchteling op het moment van de uitspraak van de beoordelende Staat. De beslissing om een vreemdeling als vluchteling te erkennen is declaratoir.

De status van vluchteling waarborgt de bescherming voortvloeiende uit het Vluchtelingenverdrag. Dat is met name de bescherming op grond van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag: de vluchteling zal niet – op welke wijze dan ook – worden teruggezonden naar een land waar zijn leven of vrijheid zou worden bedreigd wegens de in artikel 1(A) Vluchtelingenverdrag genoemde gronden (het gebod van non-refoulement). Uit het Vluchtelingenverdrag vloeit niet de verplichting voort om een vluchteling een verblijfsvergunning te verlenen. Deze verplichting is echter wel geregeld in artikel 3.105b Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ingevolge artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag kan slechts in geval van hoge uitzondering geen aanspraak worden gemaakt op de voordelen van deze bepaling. In artikel 3.105b Vb (zie ook C4/3.11.1.2) is neergelegd op welke grond een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet kan worden geweigerd.

In paragraaf C4/2.1 Vc is opgenomen dat een asielaanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, Vw wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf of in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Uit deze bepaling volgt dat een asielaanvraag moet worden afgewezen als de weging van artikel 29 Vw, eventueel in combinatie met artikel 31, tweede lid, Vw, leidt tot de conclusie dat er geen rechtsgrond voor verlening is. In artikel 31, eerste lid, Vw komt tevens tot uitdrukking dat de bewijslast in de asielprocedure in beginsel ligt bij de asielzoeker. Ook komt tot uitdrukking dat de asielzoeker niet behoeft aan te tonen dat zijn aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt; hij behoeft dit slechts aannemelijk te maken (zie paragraaf C14/2.2).

7.1.3 In de doctrine en de jurisprudentie wordt aanvaard dat van gegronde vrees sprake is als voldoende aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst het slachtoffer zal worden van vervolging (zie in dit verband onder meer het Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees, pagina 151 Fernhout, 1990 en de uitspraken van de Afdeling van 23 augustus 1984, RV 1984, 4 en van 21 januari 1986, 1).

7.2 Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande dat een vreemdeling op grond van het bepaalde in artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag (de zogenoemde ‘inclusion clause’) een vluchteling is indien hij zich buiten het land van herkomst bevindt en niet kan terugkeren vanwege gegronde vrees voor vervolging wegens één van de in dat artikel genoemde vervolgingsgronden, tenzij het Vluchtelingenverdrag op grond van één van de in artikel 1(C) tot en met 1(F) van het Vluchtelingenverdrag opgenomen uitsluitingsgronden (de zogeheten ‘cessation- en exclusion clauses’) niet meer of niet op hem van toepassing is. Tussen partijen is niet in geschil dat geen van de cessation- of exclusion clauses op eiser van toepassing is.

7.3 Dat een vreemdeling, behoudens de in de ‘cessation- en exclusion clauses’ geformuleerde gevallen, eerst als vluchteling kan worden aangemerkt indien terugkeer naar het land van herkomst aan de orde is, dan wel indien hem geen bescherming kan worden geboden in een ander derde land, blijkt niet uit artikel 1(A) Vluchtelingenverdrag, noch uit een van de andere bepalingen van het Vluchtelingenverdrag. Anders dan door verweerder is betoogd, volgt uit het Vluchtelingenverdrag derhalve niet dat in een geval als het onderhavige, waarin het ICC heeft toegezegd eiser te zullen bijstaan, zodat hij niet hoeft terug te keren naar zijn land van herkomst en eiser te zullen hervestigen in een veilig derde land, geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging en dat eiser daarom niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangemerkt.

7.3.1 De stelling van verweerders gemachtigde ter zitting, dat in de definitie van vluchteling in artikel 1(A) Vluchtelingenverdrag moet worden ingelezen dat eerst van vluchtelingschap sprake is indien terugkeer naar het land van herkomst aan de orde is, dan wel indien de vreemdeling geen bescherming kan worden geboden in een ander derde land, kan zonder nadere onderbouwing niet worden gevolgd. De rechtbank ziet ook overigens geen aanknopingspunten voor dit standpunt van verweerder. Uit het hiervoor opgenomen van toepassing zijnde beleid van verweerder, neergelegd in de paragrafen C2/2.1 en C4/2 Vc, de jurisprudentie en de doctrine kan immers evenmin worden opgemaakt dat deze voorwaarden dienen te worden ingelezen en dat daarom in een geval als het onderhavige geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging en van vluchtelingenschap. De rechtbank merkt voorts op dat, indien verweerder in zijn standpunt zou worden gevolgd, dit betekent dat in artikel 1(A) Vluchtelingenverdrag de facto een grond voor uitsluiting van vluchtelingschap zou zijn neergelegd. Dit verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de systematiek van het Vluchtelingenverdrag. Er is immers voor gekozen om de uitsluitingsgronden, die limitatief zijn, expliciet op te nemen na de in artikel 1(A) opgenomen definitiebepaling van vluchteling cq het toepassingsbereik van het Verdrag.

7.4 Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich ten onrechte op grond van de omstandigheid dat het ICC eiser thans bescherming biedt tegen terugkeer naar [land] en op zoek is naar een veilig land voor relocatie op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Verweerder heeft zich derhalve op onjuiste gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat op grond daarvan geen rechtsgrond voor het verlenen van een verblijfsvergunning bestaat. Nu verweerder het relaas van eiser, zoals ter zitting door verweerders gemachtigde is bevestigd, niet inhoudelijk heeft beoordeeld, noch een subsidiair standpunt heeft ingenomen ter zake van de vraag of eiser op basis van zijn relaas kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag, bestaat voor de rechtbank geen aanleiding te bezien of het geschil finaal kan worden beslecht.

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

9. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

10. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, voorzitter en mrs. B.M.A. Bataille en S. Kleij, rechters, in aanwezigheid van mr. L.I. Siers, griffier. De beslissing is achter gesloten deuren uitgesproken op 8 maart 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Let wel:

Gegrondverklaring van het beroep betekent niet dat eiser op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. In de uitspraak heeft de rechtbank ook uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beroepsgronden verworpen. Als eiser het daarmee niet eens is en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank komt vast te staan, zal hij tegen deze uitspraak hoger beroep moeten instellen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature