< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aanscherping van artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 is niet in strijd met het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/33340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2013 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. W.H.M. Ummels),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Streef).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1983 en de Guinese nationaliteit te hebben.

Op 27 augustus 2000 is aan eiser een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel

14 van de Vreemdelingenwet ( Vw ) 2000 met als doel “alleenstaande minderjarige vreemdeling” verleend. Aansluitend is aan hem een vergunning voortgezet verblijf verleend, laatstelijk verlengd tot juli 2016. Bij beschikking van 5 april 2012 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken en is aan hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 24 september 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 19 oktober 2012 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 31 januari 2013. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Eiser stelt dat verweerder ten onrechte zijn verblijfsvergunning heeft ingetrokken. Hij heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat artikel 3.86, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 in strijd is met het proportionaliteitsvereiste en eisers rechtszekerheid. Vóór de inwerkingtreding van voornoemd artikel op 24 juli 2010 gold dat bij verblijf langer dan tien jaar in Nederland een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 60 maanden voldoende grond was voor intrekking van de verblijfsvergunning, terwijl thans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van slechts in totaal 12 maanden reeds voldoende is. Voorts doet eiser een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser woont reeds 12 jaar in Nederland en is alhier geworteld en kan derhalve niet terugkeren naar Guinee.

2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verblijfsvergunning van eiser terecht is ingetrokken en hem terecht een inreisverbod van tien jaar is opgelegd, nu eiser voldoet aan de in artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb gestelde voorwaarden.

3 Ingevolge artikel 19 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden als bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Ingevolge artikel 3.86, vierde lid, van het Vb 2000, voor zover van belang, kan de aanvraag voorts worden afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder e, van de Wet, indien de vreemdeling wegens ten minste vijf misdrijven, dan wel bij een verblijfsduur korter dan twee jaar wegens ten minste drie misdrijven, bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of jeugddetentie is opgelegd en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het vijfde lid bedoelde norm.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, voor zover van belang, bedraagt de in het vierde lid bedoelde norm bij een verblijfsduur van:

- (-);

- ten minste 10 jaar, maar minder dan 15 jaar: 12 maanden.

Ingevolge artikel XIII van het Besluit modern migratiebeleid van 24 juli 2010, waarbij artikel 3. 86 van het Vb 2000 is gewijzigd, blijft het gewijzigde artikel 3.86 van de Vb 2000 buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd, tenzij die vreemdeling wegens een na inwerkingtreding van die onderdelen van dit besluit gepleegd misdrijf waartegen een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld, dan wel hem terzake van een zodanig misdrijf bij onherroepelijke beschikking een taakstraf is opgelegd.

4 De rechtbank overweegt het volgende.

4.1 De rechtbank is van oordeel dat artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb 2000 niet in strijd is met het rechtszekerheidbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat de aanscherping van het openbare orde beleid een bewuste keuze is geweest van de regelgever en dat hiermee mede uitvoering is gegeven aan de op 18 februari 2010 aangenomen motie Van Haersma Buma en Spekman (Kamerstukken II 2009- 2010, 19 637, nr. 1324), waarin de regering werd verzocht de glijdende schaal voor veelplegers aan te passen. Zoals uit de Nota van Toelichting bij voornoemde wijziging blijkt (Stb. 2010, 307 pagina 65 t/m 72) is het wegnemen van de overlast door veelplegers een kabinetsprioriteit. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat de noodzaak om vreemdelingrechtelijk effectiever en doelgerichter op te kunnen treden tegen veelplegers maatschappelijk en politiek breed wordt gedragen. De keuze om de strafmaat die is vereist om het verblijf van veelplegers te kunnen beëindigen aanmerkelijk te verlagen is een bewuste keuze geweest. Hiemee wordt tegemoetgekomen aan het probleem dat het totaal van de aan de veelpleger opgelegde straffen voorheen veelal niet de voor verblijfsbeëindiging vereiste strafmaat haalde (Nota van Toelichting, p 71). Voorts is er bewust voor gekozen om ook na vijf jaar verblijf in Nederland bij de beoordeling van de vraag of de betrokken vreemdeling een gevaar voor de Nederlandse samenleving vormt rekening te houden met eerder wegens misdrijven opgelegde onvoorwaardelijke straffen en maatregelen (Nota van Toelichting, pp. 71 en 72).

Uit artikel XIII van het Besluit modern migratiebeleid van 24 juli 2010, waarbij artikel 3. 86 van het Vb 2000 is gewijzigd, blijkt dat het rechtszekerheidsapect onder ogen is gezien. Deze overgangsbepaling voorziet er namelijk in dat artikel 3:86 van het Vb 2000 niet van toepassing op vreemdelingen van wie het verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit gewijzigde artikel niet kon worden be ëindigd, tenzij die vreemdeling wegens een na inwerkingtreding van die onderdelen van dit besluit gepleegd misdrijf waartegen een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld, dan wel hem terzake van een zodanig misdrijf bij onherroepelijke beschikking een taakstraf is opgelegd.

In de toelichting op dit artikel is het volgende neergelegd (Nota van Toelichting p. 206 ):

“Het eerste lid van artikel XIII ziet op de eerbiediging van de verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen van wie het verblijf op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd. Zonder nadere voorziening zou in voorkomende gevallen het verblijf van de vreemdeling die zich na inwerkingtreding van dit besluit niet meer schuldig heeft gemaakt aan misdrijven, kunnen worden beëindigd om de enkele reden dat het onderhavige besluit in werking is getreden. De rechtszekerheid verzet zich hiertegen. Artikel XIII bepaalt dat het nieuwe openbare orde beleid in dergelijke gevallen buiten toepassing blijft, tenzij de vreemdeling zich na de inwerkingtreding van dit besluit wederom schuldig maakt aan misdrijven. In dat laatste geval wordt uitgegaan van de nieuwe normen, waarbij uiteraard ook de voor de inwerkingtreding van dit besluit wegens misdrijf opgelegde straffen en maatregelen worden betrokken.”

De rechtbank stelt vast dat bij de totstandkoming van de aangescherpte regeling zowel de rechtszekerheid als de verblijfsduur van de vreemdeling zijn meegewogen. De rechtbank acht de uitkomst van deze afweging niet disproportioneel, noch in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

De rechtbank stelt vast dat eiser na de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 3.86 van het Vb 2000 bij uitspraak van 30 maart 2012 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van

8 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk wegens overtreding van artikel 310 Sr juncto artikel 312, eerste lid Sr juncto artikel 45, eerste lid Sr . Uit artikel 310 Sr blijkt dat voor dit feit een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vierde categorie geldt. Nu verweerder het misdrijf na de implementatiedatum van het gewijzigde artikel 3.86 van het Vb heeft gepleegd en op het gepleegde misdrijf een strafmaat staat van meer dan twee jaar is op eiser, volgens artikel XIII bij het besluit van 24 juli 2010 tot wijziging van artikel 3.86 van het Vb 2000 (Stb.2010,307), het gewijzigde artikel 3.86 van het Vb 2000 van toepassing. Gelet op dit artikel heeft verweerder de veroordelingen van eiser voor misdrijven van v óór de implementatie van het nieuwe artikel 3.86, vijfde lid, van de Vb 2000 kunnen meenemen. Nu gebleken is dat de totale duur van de onvoorwaardelijke ten uitvoer gelegde straffen ten minste gelijk is aan 12 maanden, heeft verweerder in redelijkheid kunnen beslissen de verblijfsvergunning van eiser in te trekken en hem een inreisverbod van tien jaren op te leggen.

4.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen beslissen dat de intrekking van de verblijfsvergunning geen strijd oplevert met artikel 3 en artikel 8 van het EVRM . De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van privéleven, nu er geen sprake is van een substantieel gewicht van aangegane sociale banden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij aan Nederland is gebonden. Dat eiser reeds 12 jaar in Nederland heeft verbleven maakt dit niet anders. Hij heeft het grootste gedeelte van zijn leven in Guinee gewoond, hij spreekt de taal en is bekend met de cultuur. Gelet op zijn leeftijd en gezondheid mag verwacht worden dat hij zich aldaar staande kan houden. De rechtbank oordeelt voorts dat uit de jurisprudentie van het EHRM - bijvoorbeeld het arrest van 9 oktober 2003 in de zaak van Slivenko tegen Letland (LJN AN8189) - volgt dat voor het aannemen van een schending van het privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM sprake dient te zijn van een zeer langdurig verblijf (circa 30 jaar). Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

4.3 Ten aanzien van het inreisverbod constateert de rechtbank dat zowel in bezwaar als in beroep geen gronden tegen het inreisverbod zijn gericht.

5 Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning.

6 Het beroep is derhalve ongegrond.

7 Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Janssens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie www.raadvanstate.nl)


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature