< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Toepassing glijdende schaal en uitleg van het begrip verblijfsduur in artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000. Eiser heeft van af 2000 rechtmatig in Nederland verbleven. Vanwege het niet-tijdig indienen van een verlengingsaanvraag is de periode van rechtmatig verblijf gedurende enkele maanden onderbroken. Verweerder is bij de bepaling van de verblijfsduur mogen uitgaan van uitsluitend de laatste periode van rechtmatig verblijf en heeft daar niet de eerdere periode bij op hoeven tellen. Uit de tekst van artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000 volgt niet dat de duur van diverse periodes van rechtmatig verblijf bij elkaar worden opgeteld. Ook is dit niet af te leiden uit (de wetsgeschiedenis van) artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000 nu dit artikellid het (aanvullend) toetsingskader bevat voor gevallen van te laat ingediende verlengingsaanvragen, terwijl verweerder met het bestreden besluit de verblijfsvergunning heeft ingetrokken op een van de gronden als opgenomen in artikel 3.86 van het Vb 2000 (oud). De rechtbank is van oordeel dat artikel 3.82 Vb 2000 niet (naar analogie) doorwerkt in artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000 (oud) bij de bepaling van de verblijfsduur zodanig dat diverse periodes van rechtmatig verblijf bij elkaar moeten worden opgeteld. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk niet bedoeld om in geval van inwilliging van een te laat ingediende verlengingsaanvraag de onderbreking van de periode van rechtmatig verblijf buiten beschouwing te laten. Dit blijkt uit de Nota van Toelichting bij artikel 3.82 van het Vb 2000 (Staatsblad 2000, 497) waarin is vermeld dat in gevallen van te laat ingediende verlengingsaanvragen de ingangsdatum van verblijfsvergunning niet zal aansluiten op de expiratiedatum van de oorspronkelijke vergunning, tenzij het de vreemdeling niet is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend. Eiser heeft het besluit van 12 november 2008 waarmee aan eiser een verblijfsvergunning werd verleend met ingang van 15 oktober 2008 niet aangevochten zodat dit onherroepelijk is geworden. De daaruit volgende onderbreking van de periode van rechtmatig verblijf is dan ook in rechte vast komen te staan.

Uitspraak



Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12 / 32884

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2013 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

(gemachtigde: mr. H.F.J. van Pelt),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

(gemachtigde: mr. J. Post)

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf” met terugwerkende kracht met ingang van 4 april 2011 ingetrokken. Verweerder heeft het besluit tevens als terugkeerbesluit aangemerkt en aan eiser een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) voor de duur van 10 jaar.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt en tevens aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om uitzetting van eiser te verbieden. Bij uitspraak van 14 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittinghoudende in Arnhem, in zaaknummer AWB 12/12552 de uitzetting verboden totdat op bezwaar is beslist.

Vervolgens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om het inreisverbod op te schorten tot vier weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar. Deze procedure is in behandeling genomen onder zaaknummer AWB 12 / 24071. Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 12 oktober 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld zodat het verzoek geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Het beroep is in behandeling genomen onder zaaknummer AW 12 / 32884.

Verzoeker heeft de rechtbank bij separaat verzoekschrift verzocht om de uitzetting hagende beroep te verbieden. Dit verzoek is in behandeling genomen onder zaaknummer

AWB 12 / 32886.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2013. Eiser is ter zitting verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend om inlichtingen van verweerder te verkrijgen.

Verweerder heeft bij brief van 26 april 2013 inlichtingen verstrekt waarop namens eiser bij brief van 8 mei 2013 is gereageerd. Partijen hebben de rechtbank nadien toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting.

Overwegingen

1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] en in het bezit van de Angolese nationaliteit. Van 23 oktober 2000 tot 26 april 2003 is eiser in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier met de beperking “alleenstaande minderjarige vreemdeling”. Eiser is aansluitend in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier met de beperking “voortgezet verblijf” die geldig was tot 27 april 2008. De op 14 april 2008 door eiser gevraagde verlenging van de verblijfsvergunning is bij besluit van 19 juni 2008 buiten behandeling gesteld omdat de verschuldigde leges niet waren voldaan. Op 15 oktober 2008 heeft eiseres nogmaals een verlenging van de verblijfsvergunning aangevraagd. Verweerder heeft bij besluit van 12 november 2008 die verlenging verleend met ingang van 15 oktober 2008 tot 15 oktober 2013.

2.

Aan de intrekking van de verblijfsvergunning heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. In dit verband heeft verweerder eiser tegengeworpen dat eiser vijf maal bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld wegens het plegen van misdrijven waartegen volgens het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevangenisstraffen van zes jaar of meer zijn bedreigd. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser bij onherroepelijk geworden vonnis van 26 februari 2012 van de rechtbank Arnhem werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk, wegens een overtreding op 4 april 2011 van artikel 317, eerste lid, van het Sr (diefstal met geweld).

3.

In beroep heeft eiser op hoofdlijnen aangevoerd dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een verblijfsduur van minder dan drie jaar in plaats van ruim tien jaar. Volgens eiser dient de verblijfsduur te worden berekend vanaf de ingangsdatum van de eerste verblijfsvergunning. Volgens artikel 3.82 Vb 2000 wordt een te laat ingediende verlengingsaanvraag getoetst alsof deze tijdig is ingediend indien sprake is van een geringe termijnoverschrijding, hetgeen ook geldt voor de toepassing van de glijdende schaal. Uit de Nota van Toelichting (Staatsblad 2000, 497) op artikel 3.82, eerste lid van het Vb 2000 blijkt immers dat dergelijke verlengingsaanvragen worden beoordeeld aan de hand van de glijdende schaal waarbij ook de duur van het eerder verblijf op grond van een verblijfsvergunning wordt betrokken. Nu in de Vw 2000 de gronden van intrekking zijn gerelateerd aan de gronden voor verlenging, en in geval van eiser ook sprake was van een geringe termijnoverschrijding, had verweerder het verblijfsgat buiten beschouwing moeten laten bij de toepassing van de glijdende schaal. Subsidiair is eiser van mening dat verweerder artikel 3.86 van het Vb 2000 buiten toepassing had moeten laten op grond van het bepaalde in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu er sprake is van bijzondere omstandigheden. Meer subsidiair is eiser van mening dat verweerder de glijdende schaal onjuist heeft toegepast en dat hij binnen die norm valt. Eiser doet in dit verband een beroep op de bescherming van het privé-leven zoals opgenomen in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.

Met de brief van 26 april 2013 heeft verweerder een aantal overwegingen uit het besluit op bezwaar laten vervallen. Volgens verweerder heeft hij de verblijfsvergunning van eiser, wiens rechtmatig verblijf op het moment van het plegen van het misdrijf meer dan twee jaar maar minder dan drie jaar bedroeg, mogen intrekken aangezien eiser is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden voor een misdrijf waarop de Sr een gevangenisstraf van meer dan zes jaar stelt. De duur van de opgelegde gevangenisstraf telt op grond van het bepaalde in artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000 dubbel mee bij de toepassing van de glijdende schaal. Gelet op de duur van het rechtmatig verblijf van eiser (tussen de twee en drie jaar) heeft verweerder de verblijfsvergunning ingetrokken nu de norm in artikel 3.86, tweede lid, van het Vb 2000 van zes maanden ruimschoots is overschreden. In dit verband heeft verweerder overwogen dat eiser zich niet kan beroepen op het overgangsrecht zoals opgenomen in artikel XIII van het wijzigingsbesluit van 24 juli 2010 (Staatsblad 2010, 307) nu eiser na de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit per 1 juli 2010 een misdrijf heeft gepleegd.

5.

Op grond van artikel 19 van de Vw 2000 , in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 , kan een verblijfsvergunning worden ingetrokken indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De toepassing van deze intrekkingsgrond, is nader uitgewerkt in artikel 3.86 van het Vb 2000 , de zogenaamde glijdende schaal.

6.

De kern van het geschil dat partijen verdeeld houdt betreft de vraag welke de verblijfsduur van eiser is bij de toepassing van de glijdende schaal.

7.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de toepassing van de glijdende schaal is mogen uitgaan van een verblijfsduur vanaf 15 oktober 2008 en niet vanaf de ingangsdatum van de eerste verblijfsvergunning. In het zesde lid van artikel 3.86 van het Vb 2000 , zoals dit artikellid luidde ten tijde van geding, wordt verblijfsduur immers gedefinieerd als de duur van het rechtmatige verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, direct voorafgaande aan het moment waarop het misdrijf is gepleegd of aangevangen. Uit de tekst van dit artikellid volgt niet dat de duur van diverse periodes van rechtmatig verblijf bij elkaar worden opgeteld bij de bepaling van de verblijfsduur. Ook is dit niet af te leiden uit (de wetsgeschiedenis van) artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000 nu dit artikellid het (aanvullend) toetsingskader bevat voor gevallen van te laat ingediende verlengingsaanvragen, terwijl verweerder met het bestreden besluit de verblijfsvergunning heeft ingetrokken op een van de gronden als opgenomen in artikel 3.86 van het Vb 2000 (oud). De rechtbank is van oordeel dat artikel 3.82 Vb 2000 niet (naar analogie) doorwerkt in artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000 (oud) bij de bepaling van de verblijfsduur zodanig dat diverse periodes van rechtmatig verblijf bij elkaar moeten worden opgeteld. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk niet bedoeld om in geval van inwilliging van een te laat ingediende verlengingsaanvraag de onderbreking van de periode van rechtmatig verblijf buiten beschouwing te laten. Dit blijkt uit de Nota van Toelichting bij artikel 3.82 van het Vb 2000 (Staatsblad 2000, 497) waarin is vermeld dat in gevallen van te laat ingediende verlengingsaanvragen de ingangsdatum van verblijfsvergunning niet zal aansluiten op de expiratiedatum van de oorspronkelijke vergunning, tenzij het de vreemdeling niet is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend. Eiser heeft het besluit van 12 november 2008 waarmee aan eiser een verblijfsvergunning werd verleend met ingang van 15 oktober 2008 niet aangevochten zodat dit onherroepelijk is geworden. De daaruit volgende onderbreking van de periode van rechtmatig verblijf is dan ook in rechte vast komen te staan. De beroepsgrond faalt.

8.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder artikel 3.86 van het Vb 2000 niet buiten toepassing had moeten laten op grond van het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb omdat de eerste verlengingsaanvraag vanwege het niet-tijdig betalen van leges buiten behandeling is gesteld en eiser vanwege detentie niet aan het verzoek tot legesbetaling heeft kunnen voldoen. Verweerder heeft hierin geen bijzondere omstandigheden hoeven aannemen. Immers had eiser met een beroep op deze omstandigheden het besluit van 12 november 2008 op het punt van de ingangsdatum kunnen aanvechten, hetgeen hij heeft nagelaten. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is de onderbreking van de periode van rechtmatig verblijf daarmee in rechte vast komen te staan. De beroepsgrond faalt.

9.

Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank dat eiser zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele stelling dat eiser vanaf jonge leeftijd langdurig rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland is onvoldoende. De beroepsgrond faalt.

10.

De rechtbank laat de overige beroepsgronden tegen het intrekkingsbesluit buiten bespreking omdat deze uitgaan van een verblijfsduur van langer dan 10 jaren en – zoals hiervoor is overwogen – verweerder hiervan niet heeft hoeven uitgaan bij de toepassing van de glijdende schaal.

11.

De rechtbank overweegt vervolgens over de beroepsgronden gericht tegen het inreisverbod als volgt.

12.

Verweerder heeft een inreisverbod uitgevaardigd op grond van de overweging dat eiser een ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Van humanitaire of andere redenen om van het uitvaardigen van een inreisverbod af te zien is verweerder niet gebleken. Overeenkomstig 6.5a van het Vb 2000 heeft verweerder de duur van het inreisverbod bepaald op 10 jaar vanaf het moment dat eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Eiser betoogt in beroep dat er geen grond bestaat voor het opleggen van een inreisverbod. Eiser wijst er subsidiair op dat hij sinds zijn laatste veroordeling geen gevaar de openbare orde meer vormt, eiser heeft zijn leven immers gebeterd en is bezig om een baan te krijgen. Eiser doet een beroep op artikel 8 van het EVRM . Verweerder had in het kader van de belangenafweging af moeten zien van het inreisverbod dan wel de duur van het inreisverbod dienen te verkorten.

13.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bevoegd was tot oplegging van een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 , nu verweerder het intrekkingsbesluit tevens heeft aangemerkt als terugkeerbesluit op grond van artikel 62, tweede lid, onder c, van de Vw 2000 en daarbij heeft overwogen dat eiser vanwege zijn criminele antecedenten een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde.

14.

Voor wat betreft de duur van het inreisverbod heeft verweerder deze op tien jaren mogen stellen. Uit artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 in samenhang met het bepaalde in artikel 6. 5, vijfde lid, van het Vb 2000 volgt immers dat de duur van het inreisverbod op 10 jaren kan worden gesteld indien de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, waarbij de ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd. Verweerder heeft gelet op voornoemde bepalingen mogen concluderen dat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde gelet op het aantal van vijf strafrechtelijke veroordelen voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan zes jaar is gesteld en de totale duur van de opgelegde gevangenisstraffen (18 maanden). In het aangevoerde ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiser geen ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde nu de aard van de misdrijven en duur van opgelegde straffen vaststaat en de ernst van de bedreiging is gegeven in artikel 6.5, vijfde lid, van het Vb 2000 . De beroepsgrond faalt.

15.

Verweerder heeft in dit verband voorts mogen overwegen dat niet gebleken is van omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen om af te zien van oplegging van een inreisverbod dan wel tot een verkorting daarvan. Zoals hiervoor is overwogen heeft eiser het beroep op artikel 8 van het EVRM niet onderbouwd zodat de rechtbank niet toekomt aan een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM waar de door eiser aangevoerde omstandigheden aan de orde kunnen komen. Aan het feit dat eiser in Angola niemand heeft en dat hij inmiddels volwassen is geworden en binnenkort aan het werk zal gaan heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om de duur van het inreisverbod te verkorten. De beroepsgrond faalt.

16.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2013.

w.g. mr. C.H.M. Bartholomeus,

griffier

w.g. B.J. Zippelius

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 1 juli 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature