E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBDHA:2013:19761
Rechtbank Den Haag, AWB 12 / 32884

Inhoudsindicatie:

Toepassing glijdende schaal en uitleg van het begrip verblijfsduur in artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000. Eiser heeft van af 2000 rechtmatig in Nederland verbleven. Vanwege het niet-tijdig indienen van een verlengingsaanvraag is de periode van rechtmatig verblijf gedurende enkele maanden onderbroken. Verweerder is bij de bepaling van de verblijfsduur mogen uitgaan van uitsluitend de laatste periode van rechtmatig verblijf en heeft daar niet de eerdere periode bij op hoeven tellen. Uit de tekst van artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000 volgt niet dat de duur van diverse periodes van rechtmatig verblijf bij elkaar worden opgeteld. Ook is dit niet af te leiden uit (de wetsgeschiedenis van) artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000 nu dit artikellid het (aanvullend) toetsingskader bevat voor gevallen van te laat ingediende verlengingsaanvragen, terwijl verweerder met het bestreden besluit de verblijfsvergunning heeft ingetrokken op een van de gronden als opgenomen in artikel 3.86 van het Vb 2000 (oud). De rechtbank is van oordeel dat artikel 3.82 Vb 2000 niet (naar analogie) doorwerkt in artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000 (oud) bij de bepaling van de verblijfsduur zodanig dat diverse periodes van rechtmatig verblijf bij elkaar moeten worden opgeteld. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk niet bedoeld om in geval van inwilliging van een te laat ingediende verlengingsaanvraag de onderbreking van de periode van rechtmatig verblijf buiten beschouwing te laten. Dit blijkt uit de Nota van Toelichting bij artikel 3.82 van het Vb 2000 (Staatsblad 2000, 497) waarin is vermeld dat in gevallen van te laat ingediende verlengingsaanvragen de ingangsdatum van verblijfsvergunning niet zal aansluiten op de expiratiedatum van de oorspronkelijke vergunning, tenzij het de vreemdeling niet is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend. Eiser heeft het besluit van 12 november 2008 waarmee aan eiser een verblijfsvergunning werd verleend met ingang van 15 oktober 2008 niet aangevochten zodat dit onherroepelijk is geworden. De daaruit volgende onderbreking van de periode van rechtmatig verblijf is dan ook in rechte vast komen te staan.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie