< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verhuurder vordert in conventie onder meer de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Zij legt hieraan ten grondslag dat huurder zich niet als een goed huurder heeft gedragen wegens het veroorzaken van overlast én dat huurder zich heeft misdragen jegens verhuurder.

Huurder voert als verweer dat hij zich altijd als een goed huurder heeft gedragen en betoogt daarbij dat zijn gedragingen zijn uitgelokt door andere huurders en dat verhuurder escalatie had kunnen voorkomen.

In conventie is beoordeeld dat huurder overlast heeft veroorzaakt en zich dus niet als een goed huurder heeft gedragen. Voorts is vastgesteld dat de misdragingen jegens verhuurder een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst hebben opgeleverd. De eindconclusie in conventie is dan ook dat sprake is van een zodanige ernstige tekortkoming in de verplichtingen van huurder voortvloeiende uit de huurovereenkomst en de wet, dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. Daarbij is, gelet op het vorenstaande, alsmede op de verplichting van verhuurder om het huurgenot van andere huurders te waarborgen, tevens de ontruiming van het gehuurde toegewezen.

Het betreffende vonnis leent zich voor publicatie, nu in dit vonnis een invulling wordt gegeven aan een rechtsregel van de Hoge Raad, te weten dat een misdraging jegens een derde onder omstandigheden een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst kan opleveren, die tot ontbinding van de huurovereenkomst kan leiden (HR 25 JUNI 1999, NJ 2000, 33).

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr: 475959 CV EXPL 08-1009

vonnis d.d. 4 maart 2009

inzake

de stichting Wonen West Brabant,

gevestigd te Bergen op Zoom,

eiseres in conventie / verweerster in reconventie, hierna te noemen “WWB”,

gemachtigde: mr. R.S. Namjesky, advocaat te Breda,

tegen

[huurder],

wonende te [adres],

gedaagde in conventie / eiser in reconventie, hierna te noemen “[huurder]”,

gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal.

1.Het verdere verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het tussenvonnis d.d. 16 juli 2008 in het incident en de daarin genoemde stukken;

b. het tussenvonnis d.d. 8 oktober 2008 in het incident en de daarin genoemde stukken;

c. de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie, met producties;

d. de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte overlegging producties, met producties;

e. de akte uitlating producties, zijdens [huurder];

f. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de zitting van 2 februari 2009 waarop de gemachtigde van [huurder] pleidooi heeft gehouden, met bijbehorend audiëntieblad.

2. Het geschil

in conventie:

2.1 WBB vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst, de veroordeling van [huurder] tot ontruiming van het gehuurde, met machtiging aan haar om deze ontruiming eventueel zelf te bewerkstelligen alsmede de veroordeling van [huurder] in de kosten van dit geding.

2.2 [huurder] concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van WWB in de kosten van dit geding.

in reconventie:

2.3 [huurder] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, WWB te veroordelen tot het uitvoeren van een aantal bij eis in reconventie gestelde werkzaamheden, op verbeurte van een dwangsom alsmede de veroordeling van WWB in de kosten van dit geding.

2.4 WWB concludeert tot afwijzing van het gevorderde alsmede de veroordeling van [huurder] in de kosten van dit geding.

3. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie:

3.1 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken alsmede op grond van de niet bestreden inhoud van de producties het volgende vast:

a. tussen partijen bestaat sinds 1986 een huurovereenkomst met betrekking tot de woning c.a. staande en gelegen te [adres], zulks tegen een huurprijs van laatstelijk € 324,49 per maand;

b. mevrouw [Y] heeft aangifte gedaan van belediging, jegens haar geuit door [huurder] tussen 30 juli 2006 en 5 september 2006, waarvan proces-verbaal d.d. 17 november 2006 is opgemaakt;

c. [Z] heeft aangifte gedaan van bedreiging, jegens hem geuit door [huurder] op 27 juni 2007, waarvan proces-verbaal d.d. 28 juni 2007 is opgemaakt;

d. mevrouw [Y] heeft aangifte gedaan van bedreiging en belediging, jegens haar geuit door [huurder] op 16 september 2007, waarvan proces-verbaal d.d. 16 september 2007 is opgemaakt;

e. door een medebewoner van de [adres] is aangifte gedaan van bedreiging, jegens hem/haar geuit door [huurder] op 16 september 2007, waarvan procesverbaal d.d. 16 september 2007 is opgemaakt, welke is geanonimiseerd;

f. [D] heeft per brief d.d. 3 november 2007 een klacht ingediend bij WWB, welke klacht gaat over het zich bedreigd en geïntimideerd voelen door [huurder];

g. WWB heeft per brief d.d. 31 maart 2008 aan [huurder] laten weten dat hem de toegang tot het kantoor van WWB wordt ontzegd gedurende een jaar, wegens zijn misdragingen op 21 maart 2008 op het voornoemde kantoor en wegens het uiten van bedreigingen jegens familieleden van een medewerker van WWB;

h. [T] heeft middels een meldingsformulier d.d. 8 april 2008 een klacht ingediend bij WWB, welke klacht is gelegen in het jegens hem uiten van beledigingen en/of bedreigingen door [huurder] op 5 november 2007,

23 november 2007, 7 december 2007, 14 december 2007 en 7 april 2008;

i. [Z] heeft aangifte gedaan van mishandeling door [huurder] op 2 juni 2008, waarvan proces-verbaal d.d. 2 juni 2008 is opgemaakt;

j. [T] heeft aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging door [huurder] op 6 augustus 2008, waarvan proces-verbaal d.d. 6 augustus 2008 is opgemaakt, waarin de volgende opmerking van verbalisanten staat: “Wij hebben inderdaad gezien dat het kunstgebit doormidden is gebroken”;

k. [T] heeft aangifte gedaan van mishandeling door [huurder] op 18 oktober 2008, waarvan proces-verbaal d.d. 21 oktober 2008 is opgemaakt;

l. [R] heeft per brief d.d. 11 november 2008 een klacht ingediend bij WWB, welke klacht gaat over het jegens hem aannemen van een dreigende houding door [huurder];

m. [T] heeft tijdens een politieverhoor, waarvan proces-verbaal d.d.

24 november 2008 is opgemaakt, onder meer verklaard dat hij, zijn vriendin en andere medebewoners op 8 november 2008 door [huurder] zijn beledigd dan wel uitgescholden.

in conventie:

3.2 WWB stelt dat [huurder] zich al geruime tijd niet als een goed huurder heeft gedragen door overlast te veroorzaken in het complex aan de [adres] waar laatstgenoemde woonachtig is. Deze overlast is volgens WWB gelegen in het uiten van verbale agressie en het gebruiken van fysiek geweld tegen medebewoners van het betreffende complex. Daarbij stelt WWB dat ondanks haar vele pogingen, de situatie niet is verbeterd, waardoor er een onhoudbare situatie is ontstaan. Daarnaast betoogt WWB dat [huurder] zich niet alleen jegens medebewoners maar ook jegens WWB heeft misdragen. Voorts stelt WWB dat zij zorg moet dragen voor het woongenot van de medebewoners en dat zij niet aan deze verplichting kan voldoen zolang [huurder] de woning aan de [adres] bewoont.

3.3 [huurder] betoogt kort gezegd dat hij zich altijd als een goed huurder heeft gedragen en voert daarbij aan dat, als het al eens hoog opgelopen is tussen hem en andere huurders, dat dit dan is uitgelokt door deze huurders ofwel voorkomen althans in der minne opgelost had kunnen en moeten worden door WWB.

3.4 Kern van het onderhavige geschil is de beantwoording van de vraag of [huurder] tekort is geschoten in zijn verplichting om zich als een goed huurder te gedragen en zo ja, of een dergelijke tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.

3.5 Ten aanzien van de gedragingen als bedoeld onder 3.1 sub b en c, voert [huurder] bij antwoord weliswaar aan dat hij niet bekend is met de inhoud van de betreffende processen-verbaal, echter, de gedragingen worden - met uitzondering van het roepen van ‘godverdomme’ tegen mevrouw [Y] - niet, althans niet expliciet, door hem ontkend. [huurder] vergoelijkt slechts zijn gedrag door dit te relativeren. Deze relativering wordt door WWB bij repliek gemotiveerd weersproken. Zo stelt WWB, ten aanzien van de bedreiging als bedoeld onder 3.1 sub c, onder andere dat [huurder] het mesje rechtop in zijn hand hield en daarmee een zwaaiende beweging naar voren maakte. Gelet hierop had het op de weg van [huurder] gelegen om bij dupliek zijn verweer deugdelijk te onderbouwen. Echter, de betreffende gedragingen worden door [huurder] niet (langer) specifiek weersproken.

Met betrekking tot de gedragingen als bedoeld onder 3.1 sub d, voert [huurder] bij antwoord aan dat de processen-verbaal, als genoemd onder 3.1 sub d en e, hebben geleid tot een strafzaak, waarin hij is veroordeeld. Ter zitting heeft [huurder] te kennen gegeven dat in deze strafzaak een boete van € 100,00 aan hem is opgelegd.

Ten aanzien van de klacht van [T]l, als omschreven onder 3.1 sub h, voert [huurder] weliswaar aan dat juist hij degene is die is mishandeld in het bijzijn van [T]l, echter, dit rechtvaardigt niet het herhaaldelijk uiten van beledigingen en bedreigingen door hemzelf jegens [T]l.

Daarnaast heeft [huurder] zélf [T]l mishandeld, als bedoeld onder 3.1 sub j, welke mishandeling overigens niet specifiek door [huurder] wordt ontkend.

Met het vorenstaande is vast komen te staan dat [huurder] zich tegen diverse andere huurders (ernstig) heeft misdragen.

3.6 Gelet op hetgeen is overwogen onder 3.5, alsmede gelet op de ernst van de gedragingen en het aanhoudende karakter ervan, én nu zowel door WWB is gesteld als uit de door haar overgelegde producties is gebleken dat andere huurders zich bedreigd voelen door het gedrag van [huurder], wordt geconcludeerd dat [huurder] overlast veroorzaakt.

3.7 De gedragingen als bedoeld onder 3.1 sub i, k en m, worden door [huurder] ontkend. Of deze gedragingen al dan niet hebben plaatsgevonden kan in het midden worden gelaten, nu, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, reeds is geconcludeerd dat [huurder] overlast veroorzaakt.

3.8 Weliswaar voert [huurder] kort gezegd aan dat zijn gedragingen door andere huurders zijn uitgelokt en dat WWB escalatie had kunnen voorkomen, echter - er veronderstellender wijs vanuit gaande dat er uitlokking heeft plaats gevonden en dat WWB zich niet als een goed verhuurder heeft gedragen - dergelijke omstandigheden rechtvaardigen niet de gedragingen van [huurder]. In het onderhavige geval zijn de betreffende gedragingen als zodanig reeds voldoende om te concluderen dat [huurder] zich niet als een goed huurder heeft gedragen.

3.9 Een misdraging jegens een derde kan onder omstandigheden een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst opleveren, die tot ontbinding van de huurovereenkomst kan leiden (HR 25 juni 1999, NJ 2000, 33).

WWB heeft onweersproken gesteld dat [huurder] zich heeft misdragen op het kantoor van WWB, hetgeen door laatstgenoemde ten grondslag is gelegd aan de toegangontzegging van het voornoemde kantoor, als omschreven onder 3.1 sub g. [huurder] meende kennelijk aanspraak te kunnen maken op verplichtingen die WWB zou hebben uit hoofde van de huurovereenkomst. Echter, WWB gaf aan dat dit niet het geval was, waarop [huurder] grove beledigingen en bedreigingen heeft geuit jegens de heer [A], de manager van WWB. Daarnaast heeft [huurder] zich in een aantal brieven beklaagd over het functioneren van twee medewerkers van WWB, waarin hij gebruik heeft gemaakt van onnodig grievend en respectloos taalgebruik.

Gelet op het vorenstaande wordt geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van omstandigheden welke eveneens een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst opleveren.

3.10 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, wordt geoordeeld dat sprake is van een zodanige ernstige tekortkoming in de verplichtingen van [huurder] voortvloeiende uit de huurovereenkomst en de wet, dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. Gelet hierop, alsmede op de verplichting van WWB om het huurgenot van andere huurders te waarborgen, is tevens ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd. De gevorderde ontbinding en ontruiming zal dan ook worden toegewezen.

3.11 Er is geen grond om de gevorderde machtiging van WWB om de ontruiming zelf uit te (doen) voeren, desnoods met inroeping van de sterke arm, toe te wijzen. Deze wijze van ontruiming berust immers niet op de wet. Artikel 556 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) schrijft voor dat gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Onverenigbaar met die regel is dat WWB niettemin zou worden gemachtigd om zelf de ontruiming te bewerkstelligen; in zoverre derogeert artikel 556 lid 1 Rv bij ontruimingsbeslissingen aan artikel 3:299 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

in reconventie:

3.12 Nu, gelet op hetgeen in conventie is overwogen, de door WWB gevorderde ontbinding en ontruiming zal worden toegewezen, heeft [huurder] geen belang meer bij zijn vordering. Derhalve zal deze vordering worden afgewezen.

in conventie en in reconventie:

3.13 Als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij zal [huurder] worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

- ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende de woning c.a., staande en gelegen te [adres];

- veroordeelt [huurder] om voormelde woning binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met al de zijnen en het zijne te ontruimen en te verlaten, alsmede tot afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van WWB;

- veroordeelt [huurder] in de kosten van deze procedure, welke aan de zijde van eiseres zijn bepaald op € 959,80, waaronder begrepen € 600,00 voor salaris van de gemachtigde van WWB;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [huurder] in de kosten van deze procedure, welke aan de zijde van WWB zijn begroot op € 150,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Minnaar, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature