< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

geen samenvatting

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5591

Uitspraakdatum: 15 november 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], België, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 26 oktober 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.208.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2007 te [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, zijn echtgenote alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende, geboren op 27 november 1937, is sinds eind 1994 woonachtig in België. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Belanghebbende genoot in het onderhavige jaar een pensioen van het ABP tot een bedrag van € 6.267 en een AOW-uitkering tot een bedrag van € 7.687. Daarnaast genoot belanghebbende uit een in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking bij de in Nederland gevestigde werkgever, [firma], loon uit tegenwoordige dienstbetrekking tot een bedrag van € 9.208. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte niet gekozen voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplich¬tigen als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet IB 2001 .

2.2. Aan belanghebbende is met dagtekening 4 oktober 2006 een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.475, bestaande uit het loon en het ABP-pensioen. Het premie-inkomen is vastgesteld op € 23.162, bestaande uit het loon, het ABP-pensioen en de AOW-uitkering. De aanslag bestaat uit € 263 aan inkomstenbelasting en € 3.138 aan premies volksverzekeringen. De aanslag premie volksverzekeringen betreft het onderhavige jaar alleen de premies AWBZ en ANW.

2.3. Belanghebbende heeft bij brief, ingekomen bij de inspecteur op 10 oktober 2006, bezwaar aangetekend tegen bovengenoemde aanslag, omdat hij naar zijn mening belasting- en premieplichtig is in België. Bij uitspraak op bezwaar, met dagtekening 26 oktober 2006, is de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.208 en betreft enkel het loon. Het premie-inkomen is daarbij niet verlaagd.

2.4. In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag op het juiste bedrag is vastgesteld. De rechtbank leidt uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting af dat het geschil zich toespitst op het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht en tot een juist bedrag in de premieheffing voor de volksverzekeringen is aangeslagen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend. Subsidiair stelt belanghebbende tijdens de zitting dat uitlatingen van de boekhouder en medewerkers van de Belastingdienst bij hem het vertrouwen hebben gewekt dat geen dan wel niet meer dan de ingehouden premie verschuldigd zou zijn.

2.5. Nu belanghebbende woont in België en werkzaamheden verricht in Nederland brengt het bepaalde in artikel 2 van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de EG van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: de Verordening) mee dat hij binnen de personele werksfeer van de Verordening valt en derhalve de Verordening op zijn situatie van toepassing is.

2.6. Artikel 13 van de Verordening luidt voor zover te dezen van belang als volgt:

“1. Onder voorbehoud van artikel 14 quater zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.

2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:

a. is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat;

b. is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont;

(…)”

2.7. Nu de uitzonderingen genoemd in de artikelen 14 tot en met 17 van de Verordening in dit geval niet van toepassing zijn is op grond van het feit dat belanghebbende uitsluitend in Nederland werkzaamheden in loondienst verricht, ingevolge het bepaalde in artikel 13 voornoemd enkel de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van Nederland op hem van toepassing is.

2.8. Ingevolge artikel 5, eerste lid aanhef, en onderdeel b van de Algemene Wet Bijzondere ziektekosten (AWBZ) en de met deze wettelijke bepaling overeenkomende bepaling in de Algemene Nabestaandenwet (ANW), is de niet-ingezetene die in Nederland ter zake van in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen, verzekerd voor de AWBZ en de ANW. Op grond van artikel 1 in verbinding met artikel 3 en artikel 6 Wet Financiering Volksverzekeringen (WFV) is belanghebbende als verzekerde dan premieplichtig.

2.9. Op grond van het bepaalde in de artikelen 7 en 8 van de WFV wordt de premie geheven over het premie-inkomen en wordt dit premie-inkomen bepaald op het belastbaar inkomen uit werk en woning volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet IB 2001. Nu de aanslag premie volksverzekeringen is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van de som van de AOW-uitkering, het ABP-pensioen en het loon, is die aanslag naar het oordeel van de rechtbank naar het juiste premie-inkomen vastgesteld.

2.10. Voorzover belanghebbende een beroep doet op toepassing van de regelgeving zoals die bij de werknemersverzekeringen geldt, waarbij premie is verschuldigd naargelang er loon is genoten, wordt dit door de rechtbank verworpen. Deze regelgeving is immers niet van toepassing en een overeenkomstige toepassing is zonder wettelijke grondslag, welke ontbreekt, niet mogelijk .

2.11. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel merkt de rechtbank het volgende op. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden beoordeeld of belanghebbende aan uitlatingen van de inspecteur in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, op wie in dezen de last rust het bewijs bij te brengen, met de enkele stelling dat door de boekhouder en medewerkers van de Belastingdienst aan de werkgever van belanghebbende, dan wel aan de echtgenote van belanghebbende, zou zijn toegezegd dat belanghebbende door een aantal uren per week te blijven werken netto er niet op achteruit zou gaan, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een afspraak, toezegging of schending van in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen. Het enkel stellen daarvan zonder enig nader bewijs of een aanbod daartoe, is bij betwisting daarvan onvoldoende.

2.12. Gelet op het vorenoverwogene, alsmede gelet op het feit dat de aanslag eerder te laag, dan te hoog is vastgesteld doordat het ABP-pensioen bij uitspraak op het bezwaarschrift voor de verschuldigde inkomstenbelasting niet tot het belastbaar inkomen uit werk en woning is gerekend, is het beroep ongegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 15 november 2007 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature