< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte heeft gedeald in cocaïne en dat hij een hoeveelheid cocaïne in zijn bezit heeft gehad op het moment dat hij door de politie werd aangehouden. De verkoop van de cocaïne was voornamelijk gericht op het genereren van gelden en goederen.

Uitspraak



RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.810456-10

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 29 april 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te Batman op [geboorte datum] 1989,

wonende [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 15 april 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.C.N. Brens-Cats, advocaat te Emmen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1. hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 16 februari 2011 in de gemeente Coevorden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2. hij op of omstreeks 16 februari 2011 in de gemeente Coevorden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 42,55 gram, in ieder geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 0,38 gram, in ieder geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Kromdijk acht hetgeen onder 1 en 2 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* 183 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarde toezicht van de Reclassering Nederland;

* 200 uren werkstraf subsidiair 100 dagen hechtenis;

* beslissingen ten aanzien van het beslag.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsvrouw vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen die het volgende inhouden:

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal in de zaak "Kokmeeuw", dossiernummer 2011010374 inhoudende:

- een in de wettelijke vorm opgemaakt zaaksproces-verbaal van de regiopolitie Drenthe d.d. 16 maart 2011, voor zover inhoudende hetgeen is vermeld op pagina 8 en 9;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 februari 2011 (pag. 193 ev) inhoudende de verklaring van [getuige];

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 februari 2011 (pag. 240 ev) inhoudende de verklaring van [getuige];

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de openbare terechtzitting van 15 april 2011.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 november 2010 tot en met 16 februari 2011 in de gemeente Coevorden telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. hij op 16 februari 2011 in de gemeente Coevorden opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 en 2 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet ;

onder 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet .

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte heeft gedeald in cocaïne en dat hij een hoeveelheid cocaïne in zijn bezit heeft gehad op het moment dat hij door de politie werd aangehouden. De verkoop van de cocaïne was voornamelijk gericht op het genereren van gelden en goederen.

Door het ingrijpen van de politie kon worden voorkomen dat de dealperiode een grotere omvang kon aannemen dan de periode die de rechtbank bewezen heeft verklaard.

Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen een gevaar voor de volksgezondheid vormen en verdachte heeft er mede toe bijgedragen het drugscircuit in stand te houden door zijn dealactiviteiten. De verkoop van verdovende middelen moet als ernstig strafbaar en verwerpelijk worden beschouwd.

Met betrekking tot de op te leggen straf heeft de raadsvrouw zich aangesloten bij de door de officier van justitie geformuleerde eis. De raadsvrouw heeft daarbij bepleit dat de geëiste werkstraf gematigd zou moeten worden omdat verdachte zijn leven weer op de rails lijkt te hebben.

Aangaande de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan en met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte. Voorst met de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 24 februari 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor Opiumwetdelicten is veroordeeld.

Gelet op de oriëntatiepunten voor de bewezen verklaarde feiten is in beginsel een gevangenisstraf van 6 maanden op zijn plaats.

In het voordeel van verdachte spreekt dat hij niet eerder voor een Opiumwetdelict is veroordeeld en dat hij zich wil laten begeleiden door de reclassering.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de handel van verdachte zich in omvang lijkt te hebben beperkt.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een straf geboden is zoals de officier van justitie die heeft gevorderd.

De rechtbank zal de werkstraf niet matigen omdat dan onvoldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.

Motivering van de verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna vermelde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en deels door middel van het onder 1 vermelde strafbare feiten zijn verkregen dan wel met betrekking tot of met behulp van de strafbare zijn begaan.

Verdachte gebruikte zijn auto om de drugs op te halen en vervolgens te verkopen aan zijn afnemers. In dat opzicht heeft verdachte zijn auto gebruikt voor de drugshandel en dan past het niet om die auto terug te geven aan verdachte zoals door de raadsvrouw is verzocht.

Motivering van de maatregel onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de hierna vermelde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien deze voorwerpen tot het begaan van het onder 1 bewezen verklaarde feit zijn bestemd en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

* gevangenisstraf voor de duur 183 DAGEN waarvan een gedeelte groot 150 DAGEN voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, met opdracht aan die instelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

* een taakstraf bestaande uit 200 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast;

De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

De rechtbank verklaart verbeurd de navolgende in beslag genomen voorwerpen:

- een personenauto BMW , kenteken 90-DF-JF;

- een geldbedrag van 200 euro;

- een videocamera van het merk Philips;

- een gsm van het merk Samsung, kleur zwart;

- een gsm van het merk Nokia;

- een geheugenkaart van het merk Sandisk.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende in beslag genomen voorwerpen:

- 2 stuks verdovende middelen, zijnde cocaïne;

- 2 stuks verdovende middelen, zijnde hashish;

- 1 vergruizer kleur rood.

De rechtbank gelast de teruggave aan de rechthebbende van het navolgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

- een identiteitsbewijs ten name van [naam].

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter en mr. B.I. Klaassens en mr. J.M.M. van Woensel, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 29 april 2011.

Parketnummer: 19.810456-10

Uitspraak d.d.: 29 april 2011 2

vonnis


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature