< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing van een verzoek van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob)

Ten aanzien van het niet openbaar maken van de in de verstrekte documenten opgenomen namen overweegt de rechtbank dat namen persoonsgegevens zijn. Dit betekent dat de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob zich voordoet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betreffende personen zwaarder dient te wegen dan het belang van openbaarheid. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de ambtenaren niet op eigen naam en titel optraden. Verder merkt de rechtbank op dat niet gebleken is dat de vader van eiser zelf tegenover verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen volledige openbaarmaking. Dit is slechts door eiser gesteld. Voorts vloeit uit artikel 10, derde lid, van de Wob naar het oordeel van de rechtbank geen verplichting voort voor een bestuursorgaan om derden uit eigen beweging te vragen of zij instemmen met openbaarmaking van hun persoonsgegevens.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/1633

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats] vertegenwoordigd door mr. D.S. Muller,

tegen

het Dagelijks bestuur Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

I Besluit van verweerder van 22 maart 2011;

II Besluit van verweerder van 26 september 2011 (kenmerk: 11.0915-0015)

2. Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2010 heeft verweerder een verzoek van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 24 augustus 2011. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. Muller. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Diependaal en P. van Leeuwen.

De rechtbank heeft op 31 augustus 2011 een tussenuitspraak (registratienummer: AWB 10/4062 en AWB 11/1633) gewezen.

Verweerder heeft op 26 september 2011 een nieuw besluit genomen strekkende tot verstrekking van de gevraagde informatie in niet tot personen herleidbare vorm. Eiser heeft naar aanleiding van dit nieuwe besluit een zienswijze ingebracht.

De rechtbank heeft het onderzoek op 8 november 2011 gesloten.

3. Overwegingen

Ten aanzien van besluit I

De rechtbank stelt allereerst vast dat het ervoor moet worden gehouden dat verweerder besluit I bij besluit II heeft ingetrokken. Gelet hierop en nu overigens gesteld noch gebleken is van een resterend belang, is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van besluit I. De rechtbank zal daarom het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep, welke zijn begroot op € 1311 aan kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het beroepsschrift en 1 punt voor de zitting). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Ten aanzien van besluit II

De rechtbank stelt voorts vast dat besluit II binnen de grondslag en reikwijdte van besluit I valt, zodat besluit II dient te worden aangemerkt als een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb . Aangezien verweerder met dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres, wordt het beroep ingevolge artikel 6:19 van de Awb daarom geacht mede te zijn gericht tegen voormeld besluit.

In zijn tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de verklaring van verweerder dat er verder geen documenten (meer) aanwezig zijn onder verweerder niet ongeloofwaardig wordt geacht en dat eiser zijn stelling dat er meer documenten zouden moeten zijn niet aannemelijk heeft gemaakt. In zijn zienswijze stelt eiser opnieuw dat er meer documenten onder verweerder berusten en hij brengt ter onderbouwing van deze stelling nieuwe stukken in. Deze stelling van eiser ziet echter niet op het door de rechtbank in zijn tussenuitspraak geconstateerde gebrek, zodat deze thans niet aan de orde kan komen. Eiser kan tegelijk met beroep tegen deze uitspraak beroep instellen tegen de tussenuitspraak van de rechtbank (artikel 47 Wet op de Raad van State ).

Eiser heeft in zijn zienswijze verder aangevoerd dat verweerder te ver is gegaan met anonimiseren. Ten eerste is het eiser onduidelijk welke inbreuk openbaarmaking heeft op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren en mediator . Ten tweede is volgens eiser ten onrechte ook de naam van zijn vader onleesbaar gemaakt, aangezien zijn vader heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen volledige openbaarmaking van de documenten. Verweerder heeft daarbij ook verzuimd bij de vader van eiser te verifiëren of dit bezwaar er daadwerkelijk niet was.

Ten aanzien van het niet openbaar maken van de in de verstrekte documenten opgenomen namen overweegt de rechtbank dat namen persoonsgegevens zijn. Dit betekent dat de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob zich voordoet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betreffende personen zwaarder dient te wegen dan het belang van openbaarheid. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de ambtenaren niet op eigen naam en titel optraden. Verder merkt de rechtbank op dat niet gebleken is dat de vader van eiser zelf tegenover verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen volledige openbaarmaking. Dit is slechts door eiser gesteld. Voorts vloeit uit artikel 10, derde lid, van de Wob naar het oordeel van de rechtbank geen verplichting voort voor een bestuursorgaan om derden uit eigen beweging te vragen of zij instemmen met openbaarmaking van hun persoonsgegevens.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eiser tegen besluit II geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep tegen besluit I niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen besluit II ongegrond;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten van € 1311;

bepaalt voorts dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 152 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Kjellevold - Hoegee, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb , binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature