< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vrijspraak voor het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten. Veroordeling voor het voorhanden hebben van nitraatklappers, een wapen en munitie tot een werkstraf voor de duur van 100 uren.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/986005-09

Datum zitting : 14 juli 2011 en 9 februari 2012

Datum uitspraak : 23 februari 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2008 tot en met 14 april 2008 te Huissen, gemeente Lingewaard, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), te weten een of meer hoeveelheden sigaretten, voorhanden heeft gehad, dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken;

2.

hij op of omstreeks 14 april 2008, te Huissen, gemeente Lingewaard, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 1020, althans een aantal nitraatklappers, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers:

was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";

b. de naam en/of de handelsnaam of het handelskenmerk en/of de naam en/of de plaats van vestiging van de fabrikant en/of de importeur of handelaar;

c. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan en/of bestond de lading van voornoemd vuurwerk niet uitsluitend uit zwart buskruit;

3.

hij op of omstreeks 14 april 2008 te Huissen, gemeente Lingewaard, een wapen van categorie III, te weten een enkelloops kogelgeweer, merk Remington, kaliber .22 LR voorzien van het serienummer A2215614, en/of munitie van categorie III, te weten 150, althans een aantal patronen, kaliber .22 LR (geschikt en bestemd voor voornoemd vuurwapen), voorhanden heeft gehad.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 9 februari 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis (met aftrek).

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de volgende goederen die onder verdachte in beslag zijn genomen worden onttrokken aan het verkeer:

- 10.689.160 sigaretten van de merken Carlton, Jin Ling, Mayfair, L&M;

- 58.000 sigaretten van de merken Carlton, Jin Ling, Mayfair, L&M (zijnde monsters);

- 66 houten kisten waarin de sigaretten zijn verpakt;

- Geweer Remington nylon66 kal. .22LR;

- 150 patronen kal. .22.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Vrijspraak met betrekking tot feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Hiertoe heeft de officier van justitie verwezen naar het proces-verbaal bevindingen doorzoeking [adres1] en [adres2] te Huissen van de FIOD-ECD, de verklaring van [naam], de verklaring van [getuige], de verklaring van verdachte en het opgemaakte proces-verbaal van ambtshandeling ‘Onderzoek monsters van sigaretten-verpakking’.

Zo blijkt uit het proces-verbaal van de FIOD-ECD dat op 14 april 2008 ruim 10 miljoen sigaretten in beslag zijn genomen. [naam] heeft verklaard dat deze sigaretten geladen zijn bij een loods waarover verdachte als directeur van [naam]. de beschikking had. Verdachte had een vordering op de Engelsman, nu hij de huur niet betaalde. Deze vordering maakt dat verdachte beschikkingsmacht had over de goederen.

Voorts is de verklaring van [getuige] van belang. [getuige] heeft twee verschillende verklaringen afgelegd. Eén verklaring bij de FIOD-ECD en één verklaring bij de rechter-commissaris. De officier van justitie acht de verklaring die [getuige] heeft afgelegd bij de FIOD-ECD betrouwbaarder. Hij acht het namelijk aannemelijk dat door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] druk is uitgeoefend op [getuige] waardoor [getuige] bij de rechter-commissaris anders heeft verklaard.

[getuige] heeft verklaard dat hij sigaretten heeft gezien bij het inladen in de loods waarover [naam] de beschikking had. Het inladen deed hij in opdracht van verdachte of [medeverdachte]. [getuige] heeft tegen de FIOD-ECD verklaard dat hij – iedere keer dat hij de goederen moest laden – wist dat het sigaretten betrof. Verdachte zou dit hem hebben verteld.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij vermoedde dat er sigaretten werden verpakt in de loods. Hij zou dit hebben besproken met medeverdachte [medeverdachte]. Deze verklaring heeft hij afgelegd nadat hij met een raadsman heeft gesproken.

Daarnaast heeft de officier van justitie nog verwezen naar het proces-verbaal van ambtshandeling ‘Onderzoek monsters van sigarettenverpakking’ waarin een aantal monsters van de sigaretten op echtheid zijn gecontroleerd. Tijdens de doorzoeking zijn een aantal pakjes en een ongeopende slof Mayfair sigaretten aangetroffen op het kantoor van verdachte. Deze goederen zijn vergeleken met de sigaretten die bij de transportonderneming in beslag zijn genomen. De Douane heeft geconcludeerd dat deze overeenkomen.

De officier van justitie is dan ook van mening dat verdachte nader onderzoek had moeten doen naar de aard van de goederen. Volgens de officier van justitie volgt dit uit de volgende bijzondere omstandigheden die het onaannemelijk maken dat sprake was van legale sigaretten:

- de sigaretten waren verpakt in kisten die ongeschikt waren voor het opgegeven doel,

- het een feit van algemene bekendheid is dat veraccijnsde sigaretten grote financiële waarde hebben en een beperkt volume,

- de loods niet was beveiligd en opslagruimte van [naam] is geen accijnsgoederenplaats is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Zijn cliënt heeft enkel – samen met medeverdachte [medeverdachte] – in opdracht van een Engelsman het laden, lossen en opslag van goederen gefaciliteerd. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

De raadsman heeft allereerst bepleit dat sprake moet zijn van beschikkingsmacht om tot een bewezenverklaring van het “opzettelijk voorhanden hebben” te kunnen komen. Nu de sigaretten verborgen zaten in afgesloten houten kratten konden zijn cliënt en diens medeverdachte niet zomaar beschikken over deze kratten of de inhoud ervan zodat zij geen beschikkingsmacht hadden over deze goederen. De omstandigheid dat zijn cliënt en medeverdachte vrij toegang hadden tot de loods waar de kratten stonden, is volgens de raadsman niet van belang omdat ook andere huurders toegang tot die loods hadden.

Ten tweede heeft de raadsman aangevoerd dat zij geen wetenschap hadden over de inhoud van de kratten. Zij hebben niet ingestemd met de aanwezigheid van de sigaretten. Cliënt en medeverdachte [medeverdachte] behoeften geen nader onderzoek te doen nu de Engelse huurder (van een deel) van de loods een VAT nummer had bij de Engelse belastingdienst, de huurprijs niet anders was dan normaal, de palletkisten waren afgesloten en een standaard maatvoering hadden en iedereen in de loods kon.

Ten derde heeft de verdediging aangevoerd dat de belastende verklaringen afgelegd door [getuige] en medeverdachte [medeverdachte] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. [getuige] is bij de rechter-commissaris op 13 oktober 2011 gehoord als getuige en hij is in dat verhoor uitdrukkelijk teruggekomen op zijn eerder afgelegde verklaring bij de FIOD-ECD op 10 februari 2009. [getuige] wist niet dat er sigaretten in de kisten zaten. Hij heeft dit verklaard, omdat hij onder druk stond en de FIOD-ECD hem mee zou nemen als hij niet zou meewerken. Daarbij heeft de verdediging aangevoerd dat de verstandelijke vermogens van [getuige] enigszins achterblijven en niet uit te sluiten is dat hij de inhoud van zijn verklaring van 10 februari 2009 niet goed of althans onvoldoende heeft begrepen.

De verklaring van zijn cliënt moeten worden uitgesloten van het eventuele bewijs vanwege ernstige vormverzuimen tijdens de periode van de inverzekeringstelling. Hij heeft pas op 10 februari 2009 om 14.35 uur gelegenheid gehad om met een raadsman te overleggen. Deze verklaringen moeten dan ook worden uitgesloten van het bewijs.

Als laatste heeft de raadsman bepleit dat zijn cliënt geen wetenschap had van het feit dat de lading uit sigaretten bestond die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken. Het dossier bevat volgens de raadsman geen enkel bewijs dat zijn cliënt wist met illegale sigaretten van doen te hebben.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de verdachte heeft erkend dat een loods gehuurd door het bedrijf [naam] BV, waarvan hij directeur is, was onderverhuurd aan een Engelsman. In die loods werden door de Engelsen goederen opgeslagen en hebben Engelsen die goederen omgepakt. Het laden en lossen van de (verpakte) goederen geschiedde in opdracht van verdachte of zijn medeverdachte door personeel van [naam] BV. Verdachte ontkent dat hij wist dat het om sigaretten ging en dat deze sigaretten onveraccijnsd waren.

Getuige [getuige] is op 10 januari 2009 gehoord door de FIOD-ECD. Hij heeft destijds verklaard dat [verdachte] hem heeft verteld dat de Engelsman de loods nodig zou hebben om sigaretten te verpakken. Eveneens zou getuige [getuige] bij het laatste transport hebben gezien dat in de kisten sigaretten waren verpakt.

De rechtbank merkt op dat de getuige/verdachte [getuige] door de FIOD-ECD alleen is ondervraagd over wetenschap bij verdachte en bij hem over de aanwezigheid van sigaretten. Niet over de vraag of deze sigaretten onveraccijnsd waren.

Op 13 oktober 2011 is [getuige] door de rechter-commissaris als getuige gehoord. In dit verhoor is hij teruggekomen op zijn verklaring afgelegd op 10 januari 2009. Nadat de rechter-commissaris de getuige duidelijk had aangezegd dat hij de waarheid diende te verklaren, heeft hij verklaard dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] niet wisten dat in de kisten sigaretten zaten. Zelf zou hij pas hebben geweten dat de kisten sigaretten bevatten op het moment dat de kist was gevallen en hij de sigaretten had gezien. Als reden voor zijn eerdere verklaring heeft [getuige] aangegeven dat hij onder druk stond tijdens het verhoor door de FIOD-ECD. Hij werd op de zaak gehoord, de baas was er niet, er stonden op dat moment veel klanten op hem te wachten en de FIOD-ECD had hem gezegd dat ze hem mee zouden nemen als hij niet zou meewerken.

Bij het beoordelen of het tenlastegelegde feit bewezen kan worden, dient de rechtbank zich over de vraag te buigen of de FIOD-ECD verklaring van [getuige] kan worden gebruikt als bewijsmiddel. Het hiervoor weergegeven deel van zijn verklaring waarop hij terug komt, raakt de kern van het verwijt aan verdachte, namelijk zijn wetenschap van de aanwezigheid van sigaretten in de loods van zijn bedrijf. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de beginselen van een behoorlijke procesorde onder meer meebrengen dat een getuige die bij de rechter-commissaris terug komt op zijn eerdere verklaring, ter terechtzitting moet worden gehoord, opdat de rechtbank zich een oordeel kan vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaring. De officier van justitie heeft deze getuige niet doen oproepen ter terechtzitting. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de FIOD-ECD verklaring van [getuige] niet kan worden gebruikt als bewijsmiddel.

Nu de rechtbank de FIOD-ECD verklaring van [getuige] niet kan gebruiken voor het bewijs, resteert omtrent de wetenschap over de aanwezigheid van sigaretten enkel de verklaring van verdachte. Nadat hij onder meer was geconfronteerd met de verklaring van [getuige], heeft verdachte verklaard, dat hij vermoedde dat in de kisten sigaretten verpakt zaten. Echter, noch uit het dossier en noch uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte de vereiste wetenschap had dat deze kisten onveraccijnsde sigaretten bevatten. Daarom kan het feit niet wettig en overtuigend bewezen worden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde.

De rechtbank had ambtshalve kunnen beslissen tot aanhouding van de zaak teneinde de getuige [getuige] ter terechtzitting te horen. De rechtbank heeft hiervan afgezien. Met de officier van justitie is zij van oordeel dat het weliswaar een ernstig feit betreft, maar dat verdachte slechts een beperkte faciliterende rol heeft vervuld. Voorts zijn de feiten inmiddels bijna 4 jaar geleden gepleegd.

Nu de rechtbank tot een vrijspraak komt van het onder 1 tenlastegelegde behoeven de overige verweren over dit feit geen bespreking.

Bewezenverklaring

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Met betrekking tot feit 2:

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

? De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 9 februari 2012.

? Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk van de regiopolitie Gelderland-Midden, Milieu Rechercheteam, met mutatienummer 08-052130 en dossiernummer 08-007899, gesloten op 7 januari 2009, opgemaakt door verbalisanten en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, onder meer inhoudende:

- het schriftelijke bescheid zijnde de deskundigenverklaring Knalvuurwerk met lont, opgemaakt op 24 oktober 2008.

? Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de regiopolitie Gelderland-Midden, district Rivierenland, unit Oost, met dossiernummer PL0796/08-007899, gesloten op 10 december 2008, opgemaakt door verbalisanten in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, onder meer inhoudende:

- het proces-verbaal, opgemaakt op 1 december 2008, pagina’s 3-1 en 3-2.

Met betrekking tot feit 3:

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

? De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 9 februari 2012.

? Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de regiopolitie Gelderland-Midden, district Rivierenland, unit Oost, met dossiernummer PL0796/08-007899, gesloten op 10 december 2008, opgemaakt door verbalisanten in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, onder meer inhoudende:

- het proces-verbaal Wet wapens en munitie, opgemaakt op 12 november 2008, pagina’s 8-1 en 8-2.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten 2 en 3

heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Feit 2:

hij op 14 april 2008, te Huissen, gemeente Lingewaard, opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 1020 nitraatklappers, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers:

was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:

a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";

b. de naam of de handelsnaam of het handelskenmerk en de naam en de plaats van vestiging van de fabrikant en de importeur of handelaar;

c. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan;

Feit 3:

hij op 14 april 2008 te Huissen, gemeente Lingewaard, een wapen van categorie III, te weten een enkelloops kogelgeweer, merk Remington, kaliber .22 LR voorzien van het serienummer A2215614, en munitie van categorie III, te weten 150, patronen, kaliber.22 LR (geschikt en bestemd voor voornoemd vuurwapen), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van het voorschrift, gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen , opzettelijk begaan.

Ten aanzien van feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie , en het feit begaan met een vuurwapen van de categorie III (geweer);

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie (munitie).

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. De motivering van de sanctie

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor alle tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis (met aftrek). De officier van justitie heeft zijn eis geformuleerd uitgaande van de bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie opgemerkt dat deze op het moment van inbeslagname nog niet waren gebruikt.

Het standpunt verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat in het voordeel van zijn cliënt bij het formuleren van de strafmaat rekening moet worden gehouden met het onzekere verloop van de procedure, het tijdsverloop, fysieke beperkingen (hartfalen en knieblessure) van zijn cliënt, onmisbaarheid van cliënt in de onderneming, het ontbreken van relevante documentatie en de richtlijn voorhanden hebben vuurwapen lijst III.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 21 november 2011.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken voor het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten. Verdachte zal wel worden veroordeeld voor het voorhanden hebben van 1020 nitraatklappers, een enkelloops kogelgeweer (merk Remington, kaliber .22 LR) en 150 patronen (kaliber .22 LR). Vanaf het begin heeft verdachte bekend deze verboden spullen voorhanden te hebben gehad. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij deze illegale spullen in zijn kantoor heeft bewaard zonder zich te realiseren hoe gevaarlijk het vuurwerk en wapen kunnen zijn.

Hiertoe overweegt de rechtbank dat op het voorhanden hebben van een vuurwapen en illegaal vuurwerk in beginsel zware straffen staan. Zowel het illegale vuurwerk als het wapen kunnen tot extreem gevaarlijke situaties leiden als deze op verkeerde wijze en door mensen met kwade bedoelingen worden gebruikt. In beginsel legt de rechtbank voor het voorhanden hebben van een vuurwapen, 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het vuurwerk en het wapen nooit zijn gebruikt en de ouderdom van de zaak. De rechtbank acht dan ook een werkstraf passend en geboden. Nu de rechtbank – anders dan de officier van justitie – het tenlastegelegde feit 1 niet bewezen verklaard, zal de rechtbank een lagere werkstraf opleggen dan geëist.

7. De beslissing inzake het beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen overweegt de rechtbank het volgende.

De aangetroffen sigaretten waren onveraccijnsd. De rechtbank stelt dan ook vast dat – niettegenstaande de vrijspraak van verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde – een strafbaar feit is gepleegd. De inbeslaggenomen sigaretten en kisten worden onttrokken aan het verkeer nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit is begaan en die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Het geweer, de munitie en het vuurwerk worden onttrokken aan het verkeer nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht , de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten , artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 1.2.2 en artikel 2. 1.3 van het Vuurwerkbesluit en de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie .

9. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit 1.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 100 (honderd) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 50 (vijftig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 4 (vier) uren, zijnde 2 (twee) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwer¬pen, te weten:

- 10.689.160 sigaretten van de merken Carlton, Jin Ling, Mayfair, L&M;

- 58.000 sigaretten van de merken Carlton, Jin Ling, Mayfair, L&M (zijnde monsters);

- 66 houten kisten waarin de sigaretten zijn verpakt;

- Geweer Remington nylon66 kal. .22LR;

- 150 patronen kal. .22.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.H. van Laethem (als voorzitter), mr. J.J. Catsburg en mr. L.C.P. Goossens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruessink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature