< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Gevangenisstraf van 9 jaar wegens poging doodslag en verboden wapenbezit. De rechtbank heeft het noodweerverweer verworpen en heeft daartoe ondermeer aangevoerd dat verdachte door het bij een handgemeen trekken van een vuurwapen in de gegeven situatie de grenzen van proportionaliteit en subsidiairiteit heeft overschreden. Het is niet aannemelijk geworden dat verdachte zich voorafgaand aan het handgemeen in een noodweersituatie bevond. Het beroep op noodweerdexces is ook verworpen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis

Parketnummer : 05/517060-08

Datum zitting : 14 december 2009

Datum uitspraak : 28 december 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in : PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord,

Wilhelminastraat 16 te Arnhem.

Raadsman : mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 november 2008 te Arnhem, in elk geval in de gemeente

Arnhem,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen met verdachtes mededader(s),

althans alleen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een

(kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen die [slachtoffer] in de nek

en/of de keel heeft geschoten en/of met dat vuurwapen meermalen, althans

eenmaal een aantal kogels/projectielen heeft afgevuurd op/naar en/of in de

richting van die [slachtoffer] en/of (met een hard voorwerp) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd heeft geslagen

en/of met een hard voorwerp tegen diens hoofd heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 09 november 2008 te Arnhem, in elk geval in de gemeente

Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan

een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een

schotwond in de hals/nek/keel en/of een hoofdwond), heeft toegebracht, door

deze opzettelijk met een vuurwapen die [slachtoffer] in de nek en/of keel te

schieten en/of (met een hard voorwerp) die [slachtoffer] meermalen, althans

eenmaal (met kracht) tegen het hoofd te slaan en/of met een hard voorwerp

tegen diens hoofd te gooien;

2.

hij op of omstreeks 09 november 2008 te Arnhem, in elk geval in de gemeente

Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (Walther P99), en/of

munitie van categorie III, te weten een aantal patronen en/of een

patroonhouder, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 14 december 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

• [slachtoffer], vertegenwoordigd door mr. L.Th.B. Grob, advocaat te Doetinchem.

De officier van justitie, mr. H.J. Timmer, heeft geëist dat verdachte voor het medeplegen van poging doodslag (feit 1) en verboden wapenbezit (feit 2) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] tot een bedrag van € 30.000,-- wordt toegewezen en heeft

gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis,

met dien verstande dat de verdachte niet meer tot vergoeding zal zijn gehouden indien en

voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

Tenslotte heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij voor het resterende gedeelte van zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard omdat deze niet eenvoudig van aard is.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

Op de avond van 09 november 2008 is in een woning aan de [adres]te Arnhem [slachtoffer] meermalen met een vuurwapen beschoten. Bewoonster van de woning was medeverdachte. In de woning zijn zes hulzen en vijf kogels aangetroffen. Het vuurwapen is na de schietpartij bij de buren op [nummer] afgeleverd en daar door de politie opgehaald. [slachtoffer] is bij de schietpartij door één kogel in de keel geraakt. Daarnaast heeft [slachtoffer] fors hoofdletsel opgelopen. [slachtoffer] is door het letsel zwaar gehandicapt geraakt. Verdachte heeft die avond een schotwond aan zijn linkerhand opgelopen.

Verdachte en zijn medeverdachte, waren in voornoemde woning aanwezig op het moment dat [slachtoffer] door een kogel in de keel werd geraakt.

3.1 Ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van het medeplegen van poging moord.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade en zal hem daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van het medeplegen van poging doodslag.

3.1.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot doodslag. De officier voert daartoe het volgende aan.

De partner en medeverdachte van verdachte ([[medeverdachte]]) wist dat verdachte een vuurwapen had, want zij had dit wapen op het nachtkastje naast haar bed zien liggen, zoals zij in haar eerste verhoor heeft verklaard. Ook verdachte zelf heeft verklaard dat [[medeverdachte]] wist dat hij een wapen had. [[medeverdachte]] heeft voorts verklaard dat zij van verdachte had gehoord dat hij twee keer eerder iemand om het leven had gebracht.

[[medeverdachte]] had een prostitutie afspraak gemaakt met [slachtoffer]. Volgens haar was verdachte voor [slachtoffer] arriveerde al in haar woning aanwezig en wist deze dat zij een klant zou ontvangen. Verdachte was daar voor haar veiligheid. Door prostitutie te bedrijven onder de bescherming van een direct bruikbaar vuurwapen hebben verdachte en [[medeverdachte]] geaccepteerd dat (vuurwapen)geweld zou worden gebruikt indien dat nodig zou blijken.

Toen verdachte en [slachtoffer] een conflict kregen heeft zich het risico dat het vuurwapen zou worden gebruikt dan ook gerealiseerd.

Verdachte heeft bekend dat hij twee keer op het slachtoffer heeft geschoten. Verdachte heeft daarbij gesteld dat hij niet bewust gericht heeft op de hals van [slachtoffer]. Echter, ook door op korte afstand ongericht, vanuit de heup, op [slachtoffer] te schieten heeft verdachte het opzet, in ieder geval in voorwaardelijke zin, gehad om die [slachtoffer] om het leven te brengen.

Ten aanzien van het ontbreken van zogenaamde schiethanden merkt de officier van justitie op dat het feit dat verdachte geen schiethanden had hem niet ontlast en dat dat niets aan zijn bekennende verklaring afdoet, gezien de deskundigenrapporten en de verklaring van de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Ten aanzien van de stelling dat mogelijk een derde aanwezig zou zijn geweest merkt de officier van justitie op dat hij dat onaannemelijk acht. De informatie van de Criminele Inlichting Eenheid dat ene ‘[betrokkene]’, mogelijk de broer van [[medeverdachte]], de schutter is geweest is na onderzoek niet bevestigd.

3.1.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft tot vrijspraak van het tenlastegelegde geconcludeerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het, hoewel verdachte zelf verklaart dat hij heeft geschoten, niet onaannemelijk is dat een derde, niet zijnde verdachte of [[medeverdachte]], heeft geschoten. Dat wordt ondersteund door het feit dat er nauwelijks schotresten op de rechterhand en rechtermouw van de jas die verdachte aan had, zijn aangetroffen, terwijl hij wel met rechts zou hebben geschoten. Van de aangetroffen schotresten is slechts een zeer gering aantal zogenaamde B-deeltjes aangetroffen. Aan deze deeltjes kan, volgens de deskundigenrapportage, slechts een geringe bewijswaarde worden toegekend en met het aantreffen van alleen die deeltjes kan geen relatie met een schietproces worden aangetoond.

Voorts bevat het dossier CIE-informatie waaruit kan blijken dat een derde en dus niet verdachte, zou hebben geschoten.

Nu er twijfel is aan de vraag of verdachte wel heeft geschoten dient verdachte van het hem onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Te meer omdat er van enige vorm van medeplegen, indien een ander dan verdachte heeft geschoten, niets is gebleken.

3.1.3 Beoordeling en conclusie

De rechtbank is van oordeel dat het verdachte is geweest die op [slachtoffer] heeft geschoten en dat hij daarbij alleen heeft gehandeld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van de verweren van de raadsman

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman. Ter terechtzitting van 14 december is dr. [getuige], werkzaam bij het NFI, als getuige-deskundige gehoord. Het NFI heeft onderzoek verricht naar de schotresten. Daarbij is gebruikt gemaakt van het op 9 november 2008 gebruikte wapen en van daarbij behorende munitie. Uit de door haar afgelegde verklaring blijkt dat het gebruikte wapen nieuw was en dat het in combinatie met de gebruikte munitie zeer weinig schotresten oplevert. Er kan dan ook geen belastende, maar ook geen ontlastende, conclusie worden verbonden aan het ontbreken van A-deeltjes en het aantreffen van het geringe aantal B-deeltjes. De rechtbank is van dan ook van oordeel dat het niet aantreffen van schotresten bij verdachte op de hand waarmee hij zegt te hebben geschoten, niets af doet aan de verklaring van verdachte dat hij tenminste twee keer geschoten heeft.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijswaarde kan worden gehecht aan de in het dossier aanwezige CIE-informatie, inhoudende dat een ander dan verdachte, namelijk ene ‘[betrokkene]’, die mogelijk de broer zou zijn van [[medeverdachte]], zou hebben geschoten. Deze informatie is niet bevestigd door enig wettig bewijsmiddel. Nergens blijkt voorts uit dat er in de woning naast verdachte, [[medeverdachte]] en [slachtoffer] een vierde persoon aanwezig is geweest.

Nu de door de raadsman opgeworpen alternatieve verklaring niet wordt ondersteund door enig wettig bewijsmiddel, wordt deze alternatieve gang van zaken door de rechtbank terzijde geschoven.

Ten aanzien van het medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het medeplegen. Om van medeplegen te kunnen spreken moet er sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten. Zowel verdachte als [[medeverdachte]] hebben verklaard dat laatstgenoemde naar de kamer van haar zoon is gegaan op het moment dat verdachte en [slachtoffer] in een vechtpartij raakten. Hoewel zij mogelijk op de hoogte was van het feit dat verdachte een wapen had en dat hij dat wellicht die dag ook bij zich zou hebben, kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat zij had moeten verwachten dat hij het wapen daadwerkelijk zou gebruiken. Het enkele feit dat zij beiden in de woning aanwezig waren is niet voldoende om het medeplegen aan te nemen. Hoewel om medeplegen te kunnen aannemen niet vereist is dat verdachten van te voren duidelijke afspraken hadden gemaakt is het uitsluitend samenwerken ná het gepleegde delict onvoldoende om medeplegen aan te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het feit dat verdachte en medeverdachte hebben samengewerkt door het gezamenlijk wegbrengen van het wapen naar de buren onvoldoende is om ook een bewuste en nauwe samenwerking aan te nemen bij de poging doodslag zelf.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte degene is geweest die tenminste twee keer op [slachtoffer] heeft geschoten. Zij overweegt daartoe dat verdachte heeft bekend dat hij tenminste twee keer in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten. Voorts heeft [[medeverdachte]] verklaard dat zij meerdere schoten heeft gehoord op het moment dat [slachtoffer] en verdachte in de woonkamer waren.

Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand dodelijk wordt geraakt indien hij van dichtbij wordt beschoten aanmerkelijk. Door op korte afstand tenminste twee schoten richting het slachtoffer te lossen heeft verdachte die kans op de koop toe genomen. Door aldus te handelen had verdachte tenminste voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer].

Dat [slachtoffer] niet is komen te overlijden aan zijn verwondingen is blijkens de zich in het dossier bevindende medische informatie een wonder.

3.2 Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [verdachte] opgemaakt door verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] van de politieregio Gelderland – Midden, Arnhem Veluwezoom, unit Noord, proces-verbaalnummer PL078C/08-156534, gesloten op 09 november 2008, proces-verbaal pagina 2.

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal ‘Omschrijving wapens en munitie’ opgemaakt door verbalisant [verbalisant3] van de politieregio Gelderland – Midden, regionaal bureau wapens en munitie, dossiernr. 08-007543, gesloten op 24 maart 2009.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op of omstreeks 09 november 2008 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen meermalen kogels heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 09 november 2008 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander een

wapen van categorie III, te weten een pistool (Walther P99), en munitie van categorie III, te weten een aantal patronen en een patroonhouder, voorhanden heeft gehad;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

‘poging doodslag’

Ten aanzien van feit 2:

A

‘medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet en wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III’

en

B

‘medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet en wapens en munitie, meermalen gepleegd ’

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Ter terechtzitting is een beroep gedaan op noodweer en noodweer-exces.

5.1 Standpunt van de verdediging

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat verdachte toen hij de woning binnenkwam onverwachts geconfronteerd werd met een voor hem onbekende man die [[medeverdachte]] in de woonkamer bedreigde. Verdachte heeft deze man, [slachtoffer], aangemaand de woning te verlaten waarop deze hem aanviel met een asbak, waarna verdachte met hem in gevecht raakte. [slachtoffer] bleef staan na een klap op zijn hoofd, wilde zijn aanval niet staken en de woning niet verlaten. Verdachte heeft daarop zijn vuurwapen gepakt teneinde [slachtoffer] te bewegen alsnog de woning te verlaten. Verdachte werd opnieuw aangevallen, [slachtoffer] pakte verdachte bij het vuurwapen en drukte af, ten gevolge waarvan verdachte in zijn pols werd geschoten. Hierdoor kwam verdachte in een zodanige bedreigende situatie dat hij nog maar één mogelijkheid zag: het beschieten van de man. Verdachte handelde daarmee in noodweer. Aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is in de voornoemde omstandigheden voldaan. Verdachte ging er van uit dat hij het slachtoffer moest uitschakelen, omdat anders [[medeverdachte]] en/of hijzelf het niet zouden overleven. Daarbij is van belang dat verdachte niet kon vluchten gelet op de risico’s voor de nog in de woning aanwezige [[medeverdachte]]. In de gegeven omstandigheden was het niet mogelijk om [slachtoffer] op minder vitale plekken te raken.

Voor zover het beroep op noodweer wordt afgewezen was er, aldus de raadsman van verdachte, in ieder geval sprake van noodweer-exces. Verdachte verkeerde door de wederrechtelijke aanval van [slachtoffer] en het in zijn pols schieten in een hevige gemoedsbeweging ten gevolge waarvan hij op [slachtoffer] heeft geschoten.

In beide gevallen moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging

5.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de voornoemde verweren moeten worden verworpen. Door zich met een wapen in een conflict te begeven is sprake geweest van culpa in causa.

5.3 Beoordeling en conclusie

5.3.1. Noodweer

De aanleiding tot het gevecht

De rechtbank stelt allereerst vast dat niet aannemelijk is dat verdachte pas binnenkwam toen [slachtoffer] al binnen was, en wel op een moment dat [slachtoffer] [[medeverdachte]] bedreigde. [[medeverdachte]] verklaart dat [slachtoffer] die avond bij haar was gekomen omdat zij met hem had afgesproken om bij hem tegen betaling seksuele handelingen te verrichten, dat verdachte al vóór de binnenkomst van [slachtoffer] in de woning aanwezig was, in de slaapkamer van haar zoon, en dat hij ook steeds binnen is gebleven. Zij volhardt in deze verklaring (vanaf haar vijfde verhoor van 3 december 2008) bij de politie, bij de reconstructie en ten overstaan van de rechter-commissaris. Zij verklaart dat ze tijdens het bezoek van [slachtoffer] meerdere keren contact heeft gehad met verdachte en dat ze bijvoorbeeld het geld dat ze van [slachtoffer] als betaling had gekregen aan verdachte heeft afgegeven. De rechtbank acht de verklaringen van [[medeverdachte]] op dit punt geloofwaardig, temeer nu er geen reden naar voren is gekomen, laat staan aannemelijk is geworden, waarom zij op dit punt - zeer volhardend - zou liegen. Daarbij is van belang dat verdachte en [[medeverdachte]] een relatie hebben en niet valt in te zien waarom zij de verklaring van haar partner met een valse verklaring zou willen ondergraven.

Daarbij komt dat verdachte niet heeft willen of kunnen verklaren waar hij vandaan kwam op het moment dat hij naar eigen zeggen via de voordeur de woning binnen kwam en [[medeverdachte]] met [slachtoffer] in de woonkamer in een dreigende situatie zou hebben aangetroffen. Zijn verhaal is daarom niet geverifieerd kunnen worden en wordt voorts door geen enkele andere verklaring bevestigd dan wel ondersteund.

De enkele omstandigheid dat er een kogelgat in de leren jas van verdachte is aangetroffen, waaruit kan worden afgeleid dat hij ten tijde van het gebruik van het vuurwapen die jas aan had, betekent niet dat de verklaring van [[medeverdachte]] dat verdachte al langere tijd binnen was ongeloofwaardig is.

De rechtbank acht voorts niet aannemelijk dat, op het moment dat verdachte oog in oog kwam te staan met [slachtoffer], [[medeverdachte]] zich bevond in een situatie waarin haar lijf, eerbaarheid of goederen daadwerkelijk in gevaar waren. [[medeverdachte]] heeft weliswaar verklaard dat [slachtoffer] dingen met haar zou willen doen die zij niet wilde, dat hij zou hebben gezegd dat hij haar dan zou pakken en verkrachten en dat zij heel erg bang voor hem was en dacht dat het met haar gebeurd zou zijn, maar zij verklaart ook dat hij zijn geld terug wilde en dat zij zei dat hij het niet terug zou krijgen. Een dergelijke reactie is moeilijk te rijmen met de door haar gestelde bedreigingen en doodsangsten. Uit de woordelijke weergave van het vijfde verhoor van [[medeverdachte]] van 3 december 2008 (pagina 35) volgt dat zij heeft verklaard dat ook verdachte zich nog gemengd heeft in de discussie over het al dan niet terugbetalen van het geld. [[medeverdachte]] verklaart dat verdachte in eerste instantie heeft gezegd “wil je het geld terug, wil je de helft dan terug”, waarop [slachtoffer] zou hebben gezegd dat hij alles terug zou willen waarop verdachte zou hebben gezegd: “nee dat kan niet want je bent nou bijna een uur lang bij die meid binnen, dat kan niet hè”. Ook deze woorden passen niet bij een situatie waarin sprake is van gevaar voor lijf of goed.

Ook ten aanzien van deze verklaring geldt dat niet valt in te zien waarom [[medeverdachte]] zou hebben verklaard dat een dergelijk gesprek zou hebben plaatsgevonden als dat niet daadwerkelijk het geval was. De rechtbank vindt het dan ook aannemelijk dat dit gesprek heeft plaatsgevonden.

Uit het vorenstaande volgt dat van de verklaring van verdachte dat hij, toen hij de avond van zondag 9 november 2008 de woning van [[medeverdachte]] binnenkwam, in de woonkamer onverwacht geconfronteerd werd met een voor hem onbekende man die zijn partner ([medeverdachte]) bedreigde niet aannemelijk is. Aannemelijker is dat verdachte wist dat zijn partner die avond een klant had die haar betaalde voor seksuele diensten, dat hij, toen die klant -[slachtoffer] - binnen was, steeds in de woning aanwezig is geweest, dat de diensten die [[medeverdachte]] wilde leveren niet voldeden aan de verwachtingen of wensen van [slachtoffer] en dat er daarop een conflict is ontstaan over de terugbetaling van het door [slachtoffer] betaalde geld, in eerste instantie met [[medeverdachte]] en vervolgens met verdachte.

Het verloop van het gevecht en het trekken van het vuurwapen

Nu de door verdachte weergegeven gang van zaken rond de aanvang van het conflict onaannemelijk is, kan ook niet zonder meer worden uitgegaan van zijn verklaring dat hij vervolgens uit het niets door [slachtoffer] tegen zijn hoofd werd geslagen met een asbak. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat [slachtoffer] en verdachte met elkaar in gevecht zijn geraakt. Dat volgt uit het feit dat zowel bij verdachte als bij [slachtoffer] (naast de schotwonden) verwondingen aan het hoofd zijn vastgesteld.

Voorts is aannemelijk dat verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, op enig moment tijdens dit gevecht zijn vuurwapen uit zijn broeksband heeft gepakt en dat hij dit wapen heeft doorgeladen.

De rechtbank is van oordeel dat het tijdens een man tegen man gevecht het pakken én doorladen van een vuurwapen een vergaande vorm van agressie is. Het in een dergelijk gevecht pakken en doorladen van een vuurwapen brengt immers, wat als feit van algemene bekendheid mag worden verondersteld, het aanmerkelijke risico met zich dat het wapen ook afgaat, met alle daaraan gepaarde gevaren. Het kan voorts gezien worden als een zeer acute dreiging voor de opponent, in dit geval [slachtoffer], dat het wapen tegen hem wordt gebruikt, met mogelijk fatale gevolgen.

Zelfs indien verdachte zich in het gevecht verdedigde tegen een door [slachtoffer] ingezette aanval heeft hij de grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit overschreden door zijn vuurwapen te trekken. Dat verdachte tijdens het gevecht het onderspit dreigde te delven of anderszins in een zodanig gevaarlijke situatie terecht dreigde te komen dat er geen andere keus was dan het trekken en doorladen van een vuurwapen is niet aannemelijk geworden.

Integendeel, uit de verklaringen van verdachte zelf, in combinatie met de medische verklaringen van hem en van [slachtoffer], volgt dat aannemelijk is dat verdachte ook vóór het trekken van het vuurwapen al degene was die het grofste geweld heeft toegepast.

Verdachte verklaart dat hij door [slachtoffer] met een asbak op zijn hoofd werd geslagen, wat de bij hem (blijkens de medische verklaring van 16 november 2008 van de forensisch geneeskundige Heutz) geconstateerde snijwond van 3 centimeter op zijn voorhoofd, zou hebben veroorzaakt. Deze wond heeft tot geen andere medische ingreep geleid dan dat deze met een histo-acryllijm is geplakt.

Ten aanzien van het geweld dat hij zelf heeft toegepast verklaart verdachte dat hij “met alle kracht die hij op dat moment in zich had” een vuistslag heeft gegeven tegen het hoofd van [slachtoffer], terwijl hij aan de middelvinger van de hand waarmee hij die vuistslag gaf een massieve ring van 3 cm breed en 2 cm hoog droeg, met een gewicht van 78 gram. De klap is volgens de verklaring van verdachte met zoveel kracht gegeven dat die man neer had moeten gaan . De klap heeft bij [slachtoffer] geleid tot een (door forensisch arts Vernooij in zijn rapport van 2 april 2009 omschreven) verbrijzelingfractuur in de schedel en een daarbij geconstateerde hersenkneuzing.

Verdachte voert als rechtvaardiging voor het trekken van zijn vuurwapen aan dat [slachtoffer], ondanks deze door verdachte met alle kracht gegeven klap, in de woorden van verdachte, “niet is gaan zitten”. Anders dan verdachte stelt, levert die enkele omstandigheid dat [slachtoffer] ondanks het door verdachte uitgeoefende forse geweld niet is neergegaan, maar terug bleef vechten, geen noodzaak of rechtvaardiging op om een vuurwapen te trekken.

Dat het trekken en doorladen van het vuurwapen noodzakelijk was ter verdediging van [[medeverdachte]] is evenmin aannemelijk geworden. [[medeverdachte]] bevond zich volgens haar eigen verklaringen op dat moment in een andere kamer, terwijl ook verdachte heeft verklaard dat zij bij de eerste klap de kamer waar de vechtpartij plaatsvond is uitgelopen.

Het vastpakken van het vuurwapen en het schieten in de pols

Zoals overwogen heeft verdachte door zijn vuurwapen te trekken, de grenzen van zijn verdediging overschreden. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] dit in redelijkheid kon beschouwen als een tegen hem gerichte acute levensbedreiging waartegen afweer, door het zich in de handen van verdachte bevindende vuurwapen vast te pakken, geboden en proportioneel was. Dit kan dus niet gezien worden als een wederrechterlijke aanval op verdachte. De omstandigheid dat het vuurwapen door dit vastpakken is afgegaan, al dan niet doordat [slachtoffer] de vinger van verdachte heeft bewogen, en dat verdachte daardoor in zijn pols is geraakt, komt voor risico van verdachte zelf. Dit is immers een voorzienbaar gevolg van het door verdachte zelf tijdens het gevecht trekken en doorladen van dat wapen.

Het vorenstaande betekent dat het vervolgens door verdachte, nadat [slachtoffer] het wapen weer had losgelaten, op korte afstand meermalen vanuit de heup gericht schieten op [slachtoffer] - er van uitgaande dat de door verdachte weergegeven gang van zaken op dit punt klopt - niet gerechtvaardigd wordt door dit vastpakken door [slachtoffer], noch door het daarop afgegane schot waarbij verdachte in zijn pols werd geraakt.

Zoals overwogen was het door [slachtoffer] vastpakken van het vuurwapen in de hand van verdachte noch het afgaan van het schot een wederrechterlijke aanval, zodat dit geen noodweer situatie oplevert. Verder is niet gemotiveerd of aannemelijk geworden dat op het moment van schieten door verdachte door [slachtoffer] een wederrechtelijke aanval werd ingezet of dreigde van een zodanige aard dat dit tot het gericht en in potentie dodelijk schieten noopte.

Gelet op het vorenstaande wordt het noodweerverweer verworpen.

5.3.2. Noodweer-exces

Nu het vastpakken van het wapen en het schieten in de pols niet als een wederrechterlijke aanval van [slachtoffer] gezien kan worden levert het gericht vanuit de heup schieten door verdachte, indien dit het gevolg is van een hevige gemoedsbeweging ten gevolge van het schot in de pols, geen noodweer-exces op. Daarvoor is immers - onder andere - vereist dat de gemoedsbeweging het gevolg is van een wederrechtelijke aanval.

Voor zover de verdediging stelt dat het slaan door [slachtoffer] met de asbak bij verdachte heeft geleid tot een dusdanige gemoedsbeweging dat dit heeft geleid tot hetzij het trekken en doorladen van het vuurwapen, hetzij tot het nadien daarmee schieten, acht de rechtbank dit niet aannemelijk, daarbij in het midden latend of het slaan met de asbak een wederrechtelijke aanval was. De rechtbank overweegt daarbij dat noch uit de verhoren van verdachte noch uit de reconstructie blijkt dat er bij verdachte sprake was van een zodanige hevige gemoedsbeweging dat dit als verklaring voor het trekken van zijn vuurwapen en het schieten gezien kan worden.

Het noodweer-exces verweer wordt daarom ook verworpen.

Derhalve is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 20 juni 2009

• een voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland betreffende verdachte, gedateerd 06 februari 2009

• een psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende verdachte, opgemaakt door drs. J.A.M. Gresnigt (klinisch psycholoog), gedateerd 30 januari 2009

• een psychiatrisch onderzoek Pro Justitia betreffende verdachte, opgemaakt door J.R. Douglas Broers (psychiater), gedateerd 8 februari 2009

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren geëist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het feit dat [slachtoffer] nog in leven is een mirakel is. Verdachte heeft zich direct na de schietpartij niet bekommerd om het slachtoffer en pas na ongeveer 20 minuten 112 gebeld. Het is niet in te schatten in hoeverre het nalaten om snel hulp in te roepen de medische situatie van [slachtoffer] heeft verslechterd. [slachtoffer] kan niet meer zelfstandig functioneren en is afhankelijk van anderen. Hij heeft 24-uur per dag lichamelijke verzorging nodig en heeft een longstay-indicatie. Daarmee is er sprake van de zwaarste vorm van lichamelijk letsel.

Voorts is verdachte eerder, in 1999, veroordeeld voor doodslag en een poging daartoe tot 7 jaren gevangenisstraf. Tevens is hij eerder, in 1998, veroordeeld voor verboden wapenbezit.

6.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair tot vrijspraak en subsidiair tot ontslag van alle rechtsvervolging geconcludeerd. Bij een bewezenverklaring heeft de raadsman ten aanzien van de strafmaat aangevoerd dat er rekening moet worden gehouden met de situatie waarin verdachte en zijn medeverdachte zich bevonden. Een substantieel lagere straf dan gebruikelijk op te leggen voor dit soort feiten is passend en geboden. De raadsman bepleit een straf gelijk aan het voorarrest met een fors voorwaardelijke gedeelte.

6.3 Beoordeling en conclusie

Verdachte heeft bij een conflict met het slachtoffer ([slachtoffer]) op een gegeven moment zijn vuurwapen getrokken, omdat het slachtoffer na een klap op diens hoofd niet uitgeschakeld was. Nadat verdachte, toen hij in het gevecht zijn wapen had getrokken en had doorgeladen, zelf in de pols is geraakt, dacht hij naar eigen zeggen: ‘dit gaat niet goed’ en besluit hij – zo verklaart hij – om vanuit de heup twee keer op het slachtoffer te schieten. Het slachtoffer wordt daarbij in zijn keel geraakt waarbij bloedvaten zijn verscheurd tengevolge waarvan stolsels zijn ontstaan die de infarcten in het gebied van de hersenslagaders hebben veroorzaakt. Door de forensisch geneeskundige W.M.J.M. Heutz is geconcludeerd dat er bij het slachtoffer sprake is van forse lichamelijke en geestelijke beperkingen waarin nog weinig herstel meer te zien is. Hij zal voor algemene dagelijkse levensverrichtingen afhankelijk van anderen blijven en moet langdurig worden opgenomen in een verpleeghuis. Hij is niet in staat een gesprek te voeren, omdat hij niet in staat is duidelijk en eenduidig te communiceren. Dit moet voor hem en zijn nabije omgeving onpeilbaar leed hebben veroorzaakt en veroorzaken.

Dergelijke ernstige feiten schokken de rechtsorde in ernstige mate en een langdurige gevangenisstraf is derhalve passend en geboden.

De rechtbank verwerpt het strafmaatverweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. Als eerder gesteld acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte uit noodweer handelde. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat indien het slachtoffer nadat hij hem had gezegd de woning te verlaten weg zou zijn gegaan dit alles niet zou zijn gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen enkel inzicht in zijn daden of enige vorm van spijt heeft getoond. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om de op te leggen straf te matigen.

Uit zijn strafblad blijkt dat verdachte al eerder is veroordeeld wegens doodslag en een poging daartoe. Met betrekking tot het dragen en mogelijk gebruik van een vuurwapen heeft verdachte ter terechtzitting van 14 december verklaard dat hij niet uitsluit dat hij in de toekomst weer een vuurwapen zal dragen, omdat hij vijanden zou hebben. Uit de reclasseringsrapportage en het psychiatrisch rapport blijkt dat sprake is van recidiverisico, zeker wanneer verdachte een wapen zal blijven dragen. Uit zijn handelen, strafblad en houding en ideeën over het dragen en gebruik van een vuurwapen concludeert de rechtbank dat verdachte in de toekomst, ondanks wellicht goede voornemens, mogelijk weer een vuurwapen zal gaan gebruiken als hij in een ruzie terechtkomt of denkt met ‘vijanden’ van doen te hebben. Als signaal naar hem en de samenleving is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden is.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert als voorschot op de immateriële schadevergoeding een bedrag van € 90.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 9 november 2008 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

6a.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot € 30.000,-- . Hij heeft daartoe aangevoerd dat het de vordering tot dat bedrag eenvoudig en voldoende onderbouwd is.

6a.2 Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de vordering, bij een bewezenverklaring, niet eenvoudig van aard is en dat de benadeelde partij derhalve niet ontvankelijk verklaard moet worden.

6a.3 Beoordeling en conclusie

Aan de benadeelde partij is door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet alleen in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek , is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de immateriële schade niet eenvoudig vast te stellen is. Echter, naar maatstaven van billijkheid kan deze in ieder geval worden begroot op een bedrag van € 50.000,-- . De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat de benadeelde partij niet meer normaal kan communiceren, deels verlamd is, 24 uur per dag afhankelijk is van zorg en waarschijnlijk voortaan in een verpleeghuis moet verblijven, omdat er geen progressie in zijn herstel meer zit. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering verklaring omdat deze voor het overige niet eenvoudig van aard is en een civiele procedure daartoe beter is toegerust.

De rechtbank zal daarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht opleggen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

• 10, 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 91 en 289 van het Wetboek van Strafrecht

• 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer ¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], domicilie kiezende te Doetinchem.

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], domicilie kiezende te Grootjans Advocaten, [adres], te betalen € 50.000,-- (zegge vijftigduizend euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 09 november 2008.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding ad € 50.000,-- , subsidiair 285 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], domicilie kiezende te Grootjans Advocaten, [adres], te betalen € 50.000,--, (zegge vijftigduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 285 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mrs. I.D. Jacobs (voorzitter), T.P.E.E. van Groeningen en A.T.M. Vrijhoeven,

in tegenwoordigheid van S.P. Visser (griffier).

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 december 2009.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature