Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Vonnis in incidenten ex art. 217 Rv in de zaak van de Staat tegen [gedaagde 9] en anderen over de zogenoemde mondkapjesdeal. Stiching Hulptroepen Alliantie (SHA c.s.) mag tussenkomen in de procedure. De oud Medewerkers van de stichting mogen zich niet voegen. Gelijktijdig is vonnis in incidenten gewezen in de ex art. 222 Rv gevoegde de zaak van SHA c.s. tegen ook [gedaagde 9] en anderen (met rolnummer 739105 / HA ZA 23-816.

Uitspraak



RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/741820 / HA ZA 23-998

Vonnis in incidenten van 28 februari 2024

in de zaak van

STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),

te Den Haag,

eisende partij in de hoofdzaak,

verweerder in de (voorwaardelijke) incidenten,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag,

tegen

1 RELIEF GOODS ALLIANCE B.V.,

te Amsterdam,

advocaat: mr. S.M. Bartman te Baambrugge,2. SPHINX HOLDING B.V.,

te Hilversum,

niet verschenen,3. [gedaagde 3] C.V.,

te [vestigingsplaats] ,

niet verschenen,4. STICHTING 'T NUT,

te Hilversum,

niet verschenen,5. LABORARE OMNIA VINCIT B.V.,

te Driebergen-Rijsenburg,

advocaat: mr. S.M. Bartman te Baambrugge,6. NOAH HOLDING B.V.,

te Workum,

advocaat: mr. E. Douma te Sneek,7. NOMI B.V.,

te Workum,

advocaat: mr. E. Douma te Sneek,8. STICHTING NOMI,

te Workum,

advocaat: mr. E. Douma te Sneek,9. [gedaagde 9],

te [woonplaats 1] ,

niet verschenen,10. [gedaagde 10],

te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. S.M. Bartman te Baambrugge,11. [gedaagde 11],

te [woonplaats 3] ,

advocaat: mr. E. Douma te Sneek,12. [gedaagde 12],

te [woonplaats 3] ,

advocaat: mr. E. Douma te Sneek,

gedaagde partijen in de hoofdzaak,

verweerders in de (voorwaardelijke) incidenten ex art. 217 Rv,

hierna samen te noemen: gedaagden,

advocaat: mr. E. Douma te Sneek,

en

1. de stichting

STICHTING HULPTROEPEN ALLIANTIE,

te Amsterdam,

hierna te noemen: SHA,

2. de besloten vennootschap

HULPTROEPEN ALLIANTIE B.V.,

te Amsterdam,

hierna te noemen: HABV,

eiseressen in het incident tot tussenkomst ex artikel 217 Rv ,

hierna samen te noemen: SHA c.s.,

advocaat: mr. I. Spinath te Amsterdam,

en

1 [eiser i.h. voorw.incident 1] ,

te [woonplaats 5] ,

2. [eiser i.h. voorw.incident 2],

te [woonplaats 4] ,

3. [eiser i.h. voorw.incident 3],

te [woonplaats 4] ,

4. [eiser i.h. voorw.incident 3],

te [woonplaats 6] ,

5. [eiser i.h. voorw.incident 4],

te [woonplaats 7] ,

6. [eiser i.h. voorw.incident 5],

te [woonplaats 8] ,

eisers in het voorwaardelijk incident tot voeging ex artikel 217 Rv ,

hierna samen te noemen: de Medewerkers,

advocaat: mr. M.W.E. Evers te Amsterdam.

Gedaagden worden hierna genoemd:

gedaagde 1: RGA

RGA samen met gedaagden 5 en 10: [gedaagde 10] c.s.

gedaagden 2, 3, 4 en 9 samen: [gedaagde 9] c.s.

gedaagden 6, 7, 8, 11 en 12 samen: [gedaagde 11] c.s.

gedaagden 9 t/ 12: bij hun achternaam.

DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 22 november 2023 in het incident tot voeging ex art. 222 Rv

- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, met producties, van [gedaagde 10] c.s.

- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, met producties, van [gedaagde 11] c.s.

- van SHA c.s.: de incidentele conclusie tot tussenkomst ex art. 217 Rv, met producties

- van de Medewerkers: de voorwaardelijke incidentele conclusie tot voeging ex art. 217 Rv - van de Staat: de conclusie van antwoord in de incidenten

- van [gedaagde 10] c.s. de conclusie van antwoord in de incidenten

- van [gedaagde 11] c.s.: de conclusie van antwoord in de incidenten.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

Tegelijkertijd wordt vandaag vonnis in incidenten ex art. 217 Rv gewezen in de zaak met zaaknummer C/13/739105 / HA ZA 23-816 (ook wel: de zaak van SHA c.s.), die ex art. 222 Rv gevoegd is met de onderhavige hoofdzaak (ook wel: de zaak van de Staat).

DE ZAAK IN HET KORT

Op 19 en 20 oktober 2023 is in de media bericht dat de Staat ‘het bedrijf van [gedaagde 9] ’ voor de rechter daagt in verband met wat wordt genoemd de mondkapjesdeal. Dat is deze hoofdzaak. De Staat heeft [gedaagde 9] en andere personen en juridische entiteiten gedagvaard die zouden hebben geprofiteerd van de forse winsten die zijn gemaakt met de mondkapjesdeal. Dit terwijl [gedaagde 9] en de anderen steeds hadden uitgedragen dat zij zelf geen enkel geldelijk belang hadden bij de mondkapjesdeal en dat daarop geen winst werd gemaakt. Volgens de Staat hebben de gedaagde partijen bij de mondkapjesdeal bedrog gepleegd en/of onrechtmatig gehandeld. De Staat vordert daarom dat zij die winst aan hem, de Staat, afstaan.

Naast de Staat heeft ook SHA c.s. deze partijen (behalve [gedaagde 12] ) voor deze rechtbank gedaagd. Volgens SHA c.s. hebben [gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] c.s. de mondkapjesdeal gesloten onder haar vlag en goede naam, maar hebben zij de hierbij gemaakte winst aan zichzelf doen toekomen. SHA c.s. meent zij daarmee onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij daarom de winst moeten betalen aan SHA c.s., zodat die besteed kan worden aan goede doelen.

Omdat beide vorderingen elkaar kunnen doorkruisen, wil SHA c.s. tussenkomen in de zaak van de Staat. De Medewerkers willen SHA c.s. daarbij steunen en vorderen daarom dat zij zich in deze procedure bij SHA c.s. mogen voegen.

In dit vonnis worden deze incidentele vorderingen van SHA c.s. en de Medewerkers beoordeeld.

1 DE FEITEN, voor zover van belang in de incidenten

1.1.

In maart 2020 heeft de World Health Organization de wereldwijde uitbraak van het coronavirus tot een pandemie verklaard en heeft de Nederlandse overheid diverse maatregelen genomen ter bestrijding van het virus. Al snel bleek dat er een groot tekort was aan persoonlijke beschermingsmiddelen, in het bijzonder mondkapjes, waardoor zelfs de medewerkers in de zorg niet voldoende konden worden beschermd.

1.2.

Rond 22 maart 2020 is in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (hierna: het LCH) opgericht, als tijdelijke publiek/private samenwerking zonder winstoogmerk. Op 24 maart 2020 heeft de overheid daarover onder meer het volgende bericht:

“(…) Dit consortium heeft als doel om verschillende medische hulpmiddelen waaraan een tekort dreigt, gezamenlijk in te kopen, zonder winstoogmerk, in het landsbelang. We doen dit in deze uitzonderlijke situatie bewust samen omdat we snel resultaten willen boeken. (…)

Alle bedrijven die hulpmiddelen willen aanbieden worden verzocht om aanbiedingen uit het binnen- en buitenland te melden bij het Consortium (…). Het gaat specifiek om grote volume aanbiedingen. Het Consortium wil voorkomen dat producten worden aangeboden tegen woekerprijzen, en niet aan de juiste kwaliteitseisen voldoen. (…)”

1.3.

Vanaf 23 maart 2020 hebben [gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] bijeenkomsten van het LCH bijgewoond en daar, kortgezegd, geschetst dat zij zonder enig winstoogmerk grote volumes mondkapjes zouden kunnen leveren.

1.4.

[gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] hebben op 25 maart 2020 SHA opgericht.

Vervolgens, eveneens op 25 maart 2020, heeft SHA een werkmaatschappij opgericht, HABV. Enig aandeelhouder en bestuurder van HABV is SHA.

1.5.

De statuten van SHA luiden, voor zover van belang, als volgt:

“ Artikel 3. Doel

3.1

De Stichting heeft ten doel het bevorderen van het beschikbaar komen van medische hulpmiddelen en aanverwante producten voor de zorg in tijden van nood, door (a) het ondersteunen van projecten en organisaties met eenzelfde doelstelling als die van de Stichting; (b) (…) 3.2 De Stichting beoogt niet het maken van winst.”

1.6.

De Medewerkers, de eisende partij in het voorwaardelijke incident tot voeging, hebben zich intensief ingezet voor het bereiken van de doelen van SHA c.s.

1.7.

Op 9 april 2020 hebben [gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] besloten tot oprichting van RGA.

1.8.

Op 12 april 2020 heeft [gedaagde 9] namens ‘de Hulptroepen Alliantie’ een door hem samen met [gedaagde 10] en [gedaagde 11] opgesteld voorstel voor een samenwerking doen toekomen aan het LCH. In de begeleidende e-mail heeft [gedaagde 9] onder meer geschreven:

“(…) Met een samenwerking tussen overheid en vertrouwde Nederlandse kampioenen uit het bedrijfsleven kunnen we dit snel opschalen. Dit doen we met hart voor mensen in de zorg, zonder winstoogmerk, vrij van belangen en zonder direct geld te vragen aan de Rijksoverheid.(…)”

1.9.

Het voorstel van 12 april 2020 is door of namens [gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] uitgewerkt in een presentatie met het logo van ‘Hulptroepen.nu’ en ‘copyright Stichting Hulptroepen Alliantie 2020’. De presentatie sluit af met de Kamer van Koophandel gegevens van HABV en SHA. De presentatie vermeldt verder onder meer:

“(…) Wij hebben daarom in maart 2020 Hulptroepen.nl opgericht. Dit initiatief zonder winstoogmerk wil een betrouwbare markt voor beschermingsmiddelen creëren. (…) We hebben een supply chain opgezet van fabriekdeur in China tot de voordeur van elke zorginstelling in NL. (…) Deze presentatie zet uiteen hoe we middels onze reeds geteste supply chain voor de Rijksoverheid binnen 4-5 weken ± 100 miljoen stuks hoge kwaliteit mondkapjes kunnen leveren en e.v. andere PBM’s. (…) Ons kernteam bestaat uit: • [gedaagde 9] (initiatiefnemer (…)

• [gedaagde 10] (initiatiefnemer (…)

• [gedaagde 11] (…)

• (…) Daarnaast bestaan de Hulptroepen uit een klein leger van vrijwilligers voor de bouw van de site, customer service, het managen van samples zendingen, inplannen en screenen van SGS inspectie rapporten en overige hand- en spandiensten.(…)”

1.10.

Op 13 april 2020 heeft [gedaagde 9] een aangepast voorstel tot samenwerking aan het LCH doen toekomen. De desbetreffende presentatie, met hetzelfde logo en copyright als die van de dag ervoor, houdt onder meer als ‘sleutelvoorwaarde operatie’ in:

“• Inkoop voor LCH vindt plaats via nieuw op te richten entiteit: Relief Goods Alliance B.V. welke separaat gefinancierd zal worden;

• Bestaande Stichting Hulptroepen Alliantie en Hulptroepen Alliantie B.V. blijven zich op non profit basis richten op leverin van PBM’s aan zorgverleners die geen spullen kunnen verkrijgen via het reguliere kanaal;”

1.11.

Op 14 april 2020 is RGA daadwerkelijk opgericht door de houdstermaatschappijen van [gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] . Dat zijn de gedaagde partijen Sphinx Holding B.V., Laborare Omnia Vincit B.V. en Noah Holding B.V., die samen de aandeelhouders zijn van RGA. Via deze vennootschappen is geld doorgezet naar de andere gedaagde partijen. Medegedaagde [gedaagde 12] is de echtgenote van [gedaagde 11] .

1.12.

Op 16 april 2020 is de (eerste) website van SHA, www.coolblue.nl/hulptroepen, publiekelijk gelanceerd met een door [gedaagde 9] gepresenteerd YouTube-filmpje waarin [gedaagde 9] onder meer vertelt dat de website een initiatief zonder winstoogmerk is.

1.13.

Op 22 april 2020 heeft de Staat, althans heeft een partner van het LCH, met RGA de twee overeenkomsten gesloten die bekend zijn geworden als de mondkapjesdeal (hierna: de Overeenkomsten). De Overeenkomsten zien op de levering door RGA van 40 miljoen mondkapjes tegen betaling van ruim € 100.000.000,-. RGA blijkt daar miljoenen winst mee te hebben gemaakt.

1.14.

Op de gelijksoortige verzoeken van het Openbaar Ministerie en van onder meer de Medewerkers zijn [gedaagde 9] en [gedaagde 10] bij beschikking van deze rechtbank van 22 juli 2022 ontslagen als bestuurders van SHA. Het gerechtshof heeft de beslissing van de rechtbank bekrachtigd.

1.15.

Op 8 augustus 2023 heeft SHA c.s. de later ook door de Staat gedaagde partijen 1 tot en met 11 gedagvaard. SHA c.s. heeft haar zaak bij deze rechtbank aanhangig gemaakt op 13 september 2023.

1.16.

SHA c.s. heeft RGS, [gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] ook nog apart gedagvaard. Dit tot terugbetaling van door SHA c.s. betaalde kosten van rechtsbijstand voor deze vier gedaagden in hun strafrechtelijke en civielrechtelijke geschillen. Die zaak heeft als zaaknummer C/13/739059 / HA ZA 23-803 en is eveneens op 13 september 2023 bij deze rechtbank aanhangig gemaakt.

1.17.

Daarna, op 19 oktober 2023, heeft de Staat de gedaagde partijen in de hoofdzaak gedagvaard en zijn zaak bij deze rechtbank aanhangig gemaakt.

1.18.

Bij het vonnis in incident tot voeging ex artikel 222 Rv , gewezen op 22 november 2023, is bepaald dat de beide zaken van SHA c.s. en die van de Staat verder gelijktijdig zullen worden behandeld. Dit om te bevorderen dat in alle drie de zaken tegelijk vonnis kan worden gewezen en te voorkomen dat tegenstrijdige beslissingen worden genomen. Ook is beslist dat de comparitie na antwoord in de drie zaken tegelijk zal plaatsvinden, te weten op 22 april 2024.

2 DE VORDERINGEN

in de hoofdzaak

2.1.

Samengevat weergegeven vordert de Staat dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht verklaart dat de Overeenkomsten vernietigbaar zijn;

b. de Overeenkomsten vernietigt;

c. voor recht verklaart dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Staat;

d. gedaagden veroordeelt tot betaling aan de Staat van € 29.380.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW;

e. gedaagden veroordeelt tot betaling aan de Staat van € 6.775,- aan buitengerechtelijk incassokosten;

f. gedaagden veroordeelt in de kosten van deze procedure.

2.2.

[gedaagde 9] c.s. is in de procedure niet verschenen. [gedaagde 10] c.s. en [gedaagde 11] c.s. zijn dat wel. Zij hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de Staat.

in het incident tot tussenkomst ex art. 217 Rv

2.3.

SHA c.s. vordert dat het haar wordt toegestaan tussen te komen in de zaak van de Staat.

2.4.

De Staat refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, [gedaagde 10] c.s. en [gedaagde 11] c.s. doen dat eveneens.

in het (voorwaardelijke) incident tot voeging ex art. 217 Rv

2.5.

Onder de voorwaarde dat het SHA c.s. wordt toegestaan om tussen te komen in de hoofdzaak van de Staat tegen gedaagde, vorderen de Medewerkers dat het hen wordt toegestaan zich te voegen aan de zijde van SHA c.s.

2.6.

De Staat refereert zich ook in dit incident aan het oordeel van de rechtbank. [gedaagde 11] c.s. en [gedaagde 10] c.s. voeren wel verweer en concluderen tot veroordeling van de Medewerkers in de kosten van het incident.

3 DE BEOORDELING

in het incident tot tussenkomst

3.1.

SHA c.s. legt aan haar eis tot tussenkomst ten grondslag dat de Staat haar eigen, eerder ingestelde, vordering tegen gedaagden doorkruist. De vordering in haar eigen zaak strekt ertoe de door gedaagden weggesluisde opbrengsten van de Overeenkomsten terug te halen naar SHA c.s. De Staat vordert nu dat diezelfde Overeenkomsten worden vernietigd en dat de gevolgen ervan in die zin ongedaan worden gemaakt, dat de door gedaagden weggesluisde winst terugbetaald wordt aan de Staat. Als de Staat gelijk krijgt, is dat dus nadelig voor SHA c.s. SHA c.s. wil daarom in deze zaak een eigen eis indienen tegen gedaagden.

3.2.

De in de hoofdzaak betrokken partijen hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Dat oordeel luidt dat SHA c.s. voldoende heeft onderbouwd dat zij belang heeft bij de gevorderde tussenkomst in de zin van art. 217 Rv om te voorkomen dat zij kan worden benadeeld in haar rechten jegens gedaagden. Het zal SHA c.s. worden toegestaan om tussen te komen.

3.3.

In het gegeven dat geen van de partijen die verweer hadden kunnen voeren tegen de vordering tot tussenkomst dat heeft gedaan, ziet de rechtbank aanleiding de kosten van dit incident te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen proceskosten draagt.

in het voorwaardelijk incident tot voeging

3.4.

Aan de voorwaarde voor de vordering van de Medewerkers, dat het SHA c.s. wordt toegestaan in de hoofdzaak tussen te komen, is voldaan. Zij eisen zich in de hoofdzaak te mogen voegen aan de zijde van SHA c.s.

3.5.

Ter onderbouwing voeren de Medewerkers aan dat zij al betrokken waren bij het initiatief tot de opbouw van SHA c.s. Net als de vele andere vrijwilligers en samenwerkingspartners van SHA c.s. verkeerden zij in de veronderstelling dat zij bijdroegen aan een initiatief zonder winstoogmerk en met de bedoeling de zorgmedewerkers in Nederland te beschermen en de verdere verspreiding van het coronavirus te beteugelen. In werkelijkheid hebben [gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] ervoor gezorgd dat zij met de Overeenkomsten aanzienlijke winst hebben gemaakt die zij bovendien aan zichzelf hebben laten toekomen in plaats van aan het goede doel van SHA. SHA c.s. en de Medewerkers zijn misleid door [gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] . Zij hebben geweigerd de Medewerkers alsnog openheid van zaken te geven. Het drietal heeft de Medewerkers bovendien nog een trap na gegeven door hun handelen publiekelijk te ontkennen en goed te praten en zelfs te dreigen met procedures als medewerkers geheimen zouden onthullen.

3.5.1.

Zonder enige vergoeding en belangeloos hebben de Medewerkers een enorme bijdrage geleverd om ervoor te zorgen dat de misstanden van [gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] werden geadresseerd. Zo hebben zij onder meer hun ontslag als bestuurders van SHA bewerkstelligd. Anders dan van hem zou mogen worden verwacht, heeft de Staat helemaal niets gedaan om de misstanden recht te zetten. Aan de opstelling van de Staat ontlenen zij niet het vertrouwen dat de Staat intrinsiek gemotiveerd is om de onderste steen boven te krijgen en te zorgen voor een goede afloop van de zaak. Dat vertrouwen hebben de Medewerkers wel in de huidige bestuurders van SHA c.s. De producties bij de dagvaarding van SHA c.s. zijn grotendeels door de Medewerkers bijeengebracht.

3.5.2.

De Medewerkers hebben er dus een eigen belang bij om ervoor te zorgen dat de weggehouden winst alsnog terecht komt bij SHA c.s. Die winst is immers het resultaat van de grotendeels onbezoldigde inspanningen van de vele vrijwilligers van SHA, waaronder de Medewerkers. Aan die inzet was de voorwaarde verbonden dat [gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] het ‘om niet’ zouden doen. Als zij het geld aan SHA c.s. betalen, kan het geld alsnog overeenkomstig de statuten van SHA charitatief worden besteed. Als de vorderingen van SHA c.s. als tussenkomende partij echter worden afgewezen, zullen de Medewerkers daarvan dus ook nadelige gevolgen ondervinden.

3.6.

Volgens [gedaagde 10] c.s. en [gedaagde 11] c.s. is het door de Medewerkers gestelde belang niet voldoende om hun voeging toe te staan. Dat verweer slaagt om de volgende redenen.

3.7.

De partij die voeging vordert op de voet van art. 217 Rv moet belang hebben bij de uitkomst van de procedure, in die zin dat die voegende partij nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst in de hoofdzaak die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt.Onder nadelige gevolgen worden verstaan zowel de feitelijke als de juridische gevolgen van de toe- of afwijzing van de vordering of van het gezag van gewijsde dat de in die procedure gegeven eindbeslissingen kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.

3.7.1.

De Medewerkers stellen wel dat zij van een voor SHA c.s. ongunstige uitspraak nadelige gevolgen kunnen ondervinden maar, zo begrijpt de rechtbank, dat nadeel is volgens hen dat er geen genoegdoening zal zijn voor de daden van gedaagden en voor hun eigen enorme inspanningen als de met de mondkapjesdeal behaalde winst niet alsnog kan worden gebruikt voor goede doelen. Dat nadeel kan niet worden gekwalificeerd als belang bij voeging in de zin van artikel 217 Rv . Een gebrek aan genoegdoening of een niet vervulde behoefte om een opvatting kenbaar te maken, is geen feitelijk of juridisch gevolg zoals hiervoor bedoeld.

Dat de Medewerkers een belang hadden bij het door hen verzochte ontslag en op grond van artikel 2:298 BW ontvan kelijk waren in hun verzoek, betekent niet dat zij een belang hebben om zich bij SHA c.s. te voegen in de hoofdzaak.

3.8.

Het oordeel is dus dat het de Medewerkers niet is toegestaan om zich in de hoofdzaak te voegen.

Omdat zij in het ongelijk worden gesteld, zullen de Medewerkers overeenkomstig de conclusies van [gedaagde 10] c.s. en [gedaagde 11] c.s. worden veroordeeld in de proceskosten. Zij worden conform het uitgangspunt hoofdelijk veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 614,- (1 punt, tarief II) voor salaris advocaat, te vermeerderen met de nakosten zoals bepaald in het dictum van dit vonnis.

in de hoofdzaak

3.9.

In de hoofdzaak is al voor antwoord geconcludeerd door [gedaagde 10] c.s. en [gedaagde 11] c.s. Omdat het SHA c.s. wordt toegestaan tussen te komen, kan zij desgewenst een conclusie van eis nemen. In haar incidentele conclusie heeft zij daarop al een voorschot genomen.

3.10.

Per e-mail van 19 februari 2024 heeft de rechtbank aan alle (mogelijk) betrokken partijen laten weten welke termijnen zullen gelden als een van de incidentele eisen zou worden toegewezen. Overeenkomstig dat bericht, waartegen geen protesten zijn ontvangen, zal SHA c.s. nu een termijn van vier weken worden gegeven voor conclusie van eis. De andere partijen kunnen uiterlijk op de dag van de mondelinge behandeling, 22 april 2024, daarop van antwoord dienen, zij het dat hen is verzocht dat zo veel mogelijk dagen voordien te doen.

4 DE BESLISSING

De rechtbank:

in het incident tot tussenkomst

4.1.

staat toe dat SHA c.s. in de hoofdzaak tussenkomt,

4.2.

compenseert de kosten van dit incident, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt,

in het incident tot voeging

4.3.

wijst het gevorderde af,

4.4.

veroordeelt de Medewerkers hoofdelijk jegens [gedaagde 10] c.s. in de kosten in dit incident, aan de zijde van [gedaagde 10] c.s. begroot op € 614,-,

4.5.

veroordeelt de Medewerkers hoofdelijk jegens [gedaagde 10] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 178,- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen met € 92,- aan salaris advocaat en met de explootkosten als de Medewerkers niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden,

4.6.

veroordeelt de Medewerkers hoofdelijk jegens [gedaagde 11] c.s. in de kosten in dit incident, aan de zijde van [gedaagde 11] c.s. begroot op € 614,-,

4.7.

veroordeelt de Medewerkers hoofdelijk jegens [gedaagde 11] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 173,- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen met € 90,- aan salaris advocaat en met de explootkosten als de Medewerkers niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden,

4.8.

verklaart de kostenveroordelingen in 4.4 tot en met 4.7 van dit dictum uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.9.

verwijst de zaak naar de rol van 27 maart 2024 voor het nemen van een conclusie van eis door SHA c.s.

Dit vonnis is gewezen door mr. Q.R.M. Falger, mr. M.R. Jöbsis en mr. R.P.F. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2024.

Rv staat steeds voor: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, art. staat voor artikel

ECLI:NL:RBAMS:2022:4160

ECLI:NL:GHAMS:2023:1395

ECLI:NL:HR:2014:768

ECLI:NL:HR:2013:BY5241


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature