< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De oprichter van World Online (WOL) moet twee ex-directeuren openheid geven over een schikking met een investeringsbedrijf en anders een dwangsom van 10.000 euro per dag betalen.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/709813 / KG ZA 21-928 EAM/MAH

Vonnis in kort geding van 5 januari 2022

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers bij dagvaarding van 22 november 2021,

advocaten mr. J.O. Berlage en mr. O. de Wit te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. H.C.W. Geffroy te Ede.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] worden genoemd en afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] . Gedaagden zullen gezamenlijk aangeduid worden als [gedaagden] en afzonderlijk als [gedaagde 1] en de [gedaagde 2] .

1 De procedure

1.1.

Bij de zitting van 22 december 2021 waren aanwezig:

- [eiser 1] en [eiser 2] (per videoverbinding) met mr. Berlage en mr. De Wit,

- [gedaagden] , met mr. Geffroy.

Als toehoorders waren aanwezig mr. M. Moret, mr. C. Hellingman en mr. P. Lieffering (allen advocaten).

1.2.

Op de zitting heeft [eisers] de dagvaarding en twee aktes toegelicht. [gedaagden] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een tevoren ingediende schriftelijke toelichting op de producties. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] is voormalig CFO van de vennootschap World Online International N.V. (WOL) en [eiser 2] is voormalig Senior Vice-President van WOL.

2.2.

WOL is opgericht door [gedaagde 1] . De beursgang van WOL in 2000 is onregelmatig verlopen en heeft tot veel gedupeerden geleid.

2.3.

De [gedaagde 2] is de huidige echtgenoot van [gedaagde 1] .

2.4.

In april 2010 is de Stichting Ex Aequo et Bono (hierna: de Stichting) opgericht door [naam 1] als gevolmachtigde. In de akte van oprichting staat dat de Stichting tot doel heeft de behartiging van de belangen van de voormalig bestuurders en “key employees” van WOL, destijds statutair gevestigd te Rotterdam en haar groepsmaatschappijen, het zuiveren van de namen van de ex-leden van de raad van bestuur van de vennootschap, en het schadeloosstellen van die voormalige bestuurders en “key employees”, alsmede het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.

In de akte worden tot bestuursleden van de Stichting benoemd: de [gedaagde 2] (voorzitter) en [naam 1] (secretaris/penningmeester).

2.5.

Vervolgens hebben partijen gesproken over onder meer de onderlinge verdeling van de eventuele door de Stichting te behalen opbrengst. In dat kader zijn concepten van een schadeclaimsamenwerkingsovereenkomst over en weer gezonden.

2.6.

Bij akte van cessie van 9 oktober 2010 heeft [gedaagde 1] de door haar gestelde vorderingen op, onder andere, [naam 2] (hierna: [naam 2] ), destijds commissaris van WOL, en [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) gecedeerd aan de Stichting.

2.7.

[naam 3] is met ingang van juni 2016 benoemd tot bestuurder van de Stichting.

2.8.

De Stichting heeft [naam 2] en [bedrijf] gedagvaard voor de rechtbank Almelo en betaling gevorderd van een bedrag van € 182.681.479,00 als schadevergoeding in verband met de schadeclaim van [gedaagde 1] wegens niet nakoming door [bedrijf] / [naam 2] van een toezegging van 1,5% belang in WOL. De rechtbank Almelo heeft op 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RBALM:2012:BX6698) geoordeeld dat de vordering is verjaard. De Stichting is in hoger beroep gegaan en het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de Stichting toegelaten te bewijzen dat de verjaring is gestuit. [bedrijf] en [naam 2] hebben cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en de zaak terugverwezen naar het gerechtshof. Bij arrest van 4 februari 2020 heeft het gerechtshof de Stichting toegelaten tot het leveren van bewijs.

2.9.

In april 2020 verschenen er berichten in de media dat de zaak tussen de Stichting en [bedrijf] / [naam 2] was geschikt.

2.10.

Bij besluit van 16 juni 2020 is de Stichting met onmiddellijke ingang ontbonden zonder benoeming van vereffenaars wegens gebrek aan baten.

Mazu Ventures B.V. (hierna: Mazu) is bij dat besluit als de bewaarder van de boeken en bescheiden van de Stichting aangesteld en houdt deze onder zich. [naam 3] is bestuurder van Mazu.

2.11.

Op 14 augustus 2020 heeft [eisers] de (ontbonden) Stichting gedagvaard in kort geding voor deze rechtbank en op grond van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) afgifte gevorderd van bepaalde bescheiden met betrekking tot de schikking tussen de Stichting en [bedrijf] / [naam 2] . Bij verstekvonnis van 14 september 2020 heeft de voorzieningenrechter de vordering toegewezen.

2.12.

Bij verzoekschrift van 24 september 2020 heeft [eisers] bij deze rechtbank een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend. Bij beschikking van 29 april 2021 is het verzoek toegewezen. Op 22 september 2021 zijn J.A. [naam 4] , [naam 3] en [naam 5] , voormalig CLO bij [bedrijf] Group, als getuigen gehoord; van hun verklaringen is proces-verbaal opgemaakt.

2.13.

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 30 september 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:4894) Mazu, de bewaarder van de Stichting, op vordering van [eisers] op grond van artikel 843a Rv veroordeeld tot afgifte van de bescheiden waartoe de Stichting in het verstekvonnis van 14 september 2020 al was veroordeeld. Voor zover de vordering eveneens gericht was tegen [naam 3] , is deze afgewezen omdat zij onvoldoende feitelijk was onderbouwd (r.o. 3.19).

2.14.

Tegen de beschikking van 29 april 2021 heeft [gedaagden] op 1 december 2021 hoger beroep ingesteld en daarbij schorsing van de tenuitvoerlegging verzocht.

2.15.

In opdracht van [gedaagde 1] heeft Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V. (NFO) onderzoek gedaan naar de echtheid van de handtekening van [gedaagde 1] op een digitale kopie van de door [eisers] overgelegde schadeclaimsamenwerkingsovereenkomst van 8 oktober 2010. In een ongedateerde rapportage van NFO uit – vermoedelijk - december 2021 wordt geconcludeerd dat het “ongeveer even waarschijnlijk” is dat de handtekening vals is als dat deze authentiek is.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot afgifte van kopieën van:

( a) de naar aanleiding van de gesprekken tussen [gedaagde 1] en/of de [gedaagde 2] en de heer [naam 4] gesloten (vaststellings)overeenkomst;

( b) alle overeenkomst(en) tussen de Stichting enerzijds en [bedrijf] en/of [naam 2] anderzijds in verband met de beëindiging van de gerechtelijke procedure(s) van de Stichting tegen [bedrijf] en/of [naam 2] ;

( c) alle overeenkomst(en) tussen [gedaagde 1] en/of de [gedaagde 2] en/of enige (voormalige) bestuurder van de Stichting, enerzijds en [bedrijf] en/of [naam 2] anderzijds in verband met de beëindiging van de gerechtelijke procedure(s) van de Stichting tegen [bedrijf] en/of [naam 2] ;

( d) alle correspondentie tussen de Stichting enerzijds en [bedrijf] en/of [naam 2] anderzijds in verband met de beëindiging van de gerechtelijke procedure(s) van de Stichting tegen [bedrijf] en/of [naam 2] ;

( e) alle correspondentie tussen [gedaagde 1] en/of de [gedaagde 2] en/of enige (voormalige) bestuurder van de Stichting enerzijds en [bedrijf] en/of [naam 2] anderzijds in verband met de beëindiging van de gerechtelijke procedures van de Stichting tegen [bedrijf] en/of [naam 2] ;

( f) alle bankafschriften van bedragen die zijn betaald door [bedrijf] , [naam 2] of een aan (één van) hen gelieerde entiteit of persoon in verband met de beëindiging van de gerechtelijke procedures van de Stichting tegen [bedrijf] en/of [naam 2] , een en ander op straffe van dwangsommen van € 10.000,00 per dag en met veroordeling van [gedaagden] in de proces- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.

[eisers] stelt daartoe, samengevat, het volgende. Op 8 oktober 2010 hebben [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde 1] enerzijds en de Stichting anderzijds een schadeclaimsamenwerkingsovereenkomst gesloten (de Overeenkomst). Daarin is bepaald de inkomsten van de Stichting (lees: de van onder meer [naam 2] en [bedrijf] te ontvangen schadevergoeding) onderling als volgt te verdelen: [gedaagde 1] 40%, [eiser 1] 30%, [eiser 2] 7,5% en 17,5% om te reserveren voor andere gedupeerde WOL medewerkers. Bij akte van cessie van 9 oktober 2010 heeft [gedaagde 1] haar vorderingen op, onder andere, [naam 2] en [bedrijf] gecedeerd aan de Stichting. Daarna is de Stichting met succes gaan procederen tegen [bedrijf] / [naam 2] . In april 2020 werd [eisers] echter verrast door berichten in de media dat de zaak tussen de Stichting en [bedrijf] / [naam 2] was geschikt. [eisers] heeft geprobeerd duidelijkheid te krijgen over de status van de procedure en de schikking, maar de Stichting en haar toenmalige bestuurders, [naam 3] en [naam 6] (respectievelijk de ex-echtgenoot en de dochter van [gedaagde 1] ) hebben geweigerd die te geven. Zij hebben [eisers] ook niet laten meedelen in de opbrengst conform de Overeenkomst. Op 17 juni 2020 is de Stichting ontbonden en op 8 september 2020 is [bedrijf] ontbonden. [eisers] tracht duidelijkheid te krijgen over de schikking en maakt op grond van de Overeenkomst aanspraak op een deel van de opbrengst. Hoewel de eerdere vorderingen van [eisers] tot afgifte van bescheiden betreffende de schikking op grond van artikel 843a Rv zijn toegewezen in zowel het vonnis van 14 september 2020 als dat van 30 september 2021, heeft [eisers] de bescheiden nog altijd niet ontvangen. Mazu stelt er niet over te kunnen beschikken. Daarom en omdat uit het verhoor van [naam 4] en [naam 3] blijkt dat [gedaagden] de feitelijke leiding had over de Stichting, de procedure van de Stichting bekostigde en die procedure heeft beëindigd als deel van de schikking, richt [eisers] zijn 843a-vordering nu tot [gedaagden]

3.3.

[gedaagden] voert verweer, dat in de kern op het volgende neerkomt. [gedaagde 1] heeft de bewuste schadeclaimsamenwerkingsovereenkomst nooit getekend. De door [eisers] overgelegde schadeclaimsamenwerkingsovereenkomst en akte van cessie zijn vals; de handtekening is niet van [gedaagde 1] . Gelet op artikel 159 Rv moet [eisers] eerst bewijzen dat de handtekeningen echt zijn. De vordering moet daarom worden afgewezen omdat deze prematuur is.

Daarnaast betwist [gedaagden] dat is voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv . Zo is er niet voldaan aan het rechtsbetrekking-vereiste, met name omdat niet is gebleken van een tekortkoming of onrechtmatige daad van [gedaagden] jegens [eisers] weet dat er een schikking is getroffen en dat er € 11.300.000,00 is betaald; daarmee weet [eisers] voldoende. [eisers] beschikt inmiddels ook over een verklaring van [naam 4] , die de schikking zou hebben uitonderhandeld. [eisers] weet ook dat het bedrag van € 11.300.000,00 niet aan de Stichting is uitbetaald. [eisers] vermoedt alleen dat er mogelijk een schikking is getroffen waarin [eisers] bewust buiten spel is gezet, maar dat is door [eisers] onvoldoende onderbouwd. [eisers] stelt ook dat [gedaagden] weet dat zij [eisers] ernstig heeft benadeeld, maar dat is pertinent onjuist. En een enkel vermoeden is niet voldoende voor toewijzing van een vordering ex artikel 843a Rv .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

[gedaagden] wonen in [woonplaats] , maar hebben voor dit kort geding domicilie gekozen in Amsterdam. De voorzieningenrechter van deze rechtbank is daarom bevoegd van het geschil kennis te nemen. Omdat [eisers] afschrift van bescheiden vordert gaat het om een procesrechtelijk geschil, zodat op grond van artikel 10:3 Burgerlijk Wetboek Nederlands recht van toepassing is. Ook is in artikel 3 van de – door [gedaagden] niet betwiste – akte van cessie overeengekomen dat Nederlands recht van toepassing is en dat alle geschillen omtrent uitleg of uitvoering van de akte worden beslecht door de bevoegde rechter te Amsterdam.

Spoedeisend belang

4.2.

[gedaagden] betwist dat [eisers] een spoedeisend belang bij de vorderingen heeft. Dit verweer wordt verworpen. [eisers] heeft er belang bij om op korte termijn over een kopie van de gevraagde stukken te beschikken zodat kan worden afgewogen of een bodemprocedure voldoende kansrijk is en die procedure vervolgens ook meteen op goede gronden kan worden gevoerd.

Art 843a Rv

4.3.

Voor toewijzing van een op artikel 843a Rv gegronde vordering moet aan alle in lid 1 gestelde vereisten zijn voldaan, dat wil zeggen dat: (i) [eisers] een rechtmatig belang heeft bij afschrift, (ii) het gaat om bepaalde bescheiden, (iii) die bescheiden een rechtsbetrekking betreffen waarbij [eisers] partij is en (iv) [gedaagden] deze bescheiden te harer beschikking of onder haar berusting heeft. Voorts moet zich geen van de drie uitzonderingen, vervat in de leden 3 en 4 van het artikel, voordoe n.

4.4.

De kern van het debat tussen partijen is: bestaat de schadeclaimsamenwerkingsovereenkomst of niet? Onder het door [eisers] overgelegde document staan vier handtekeningen met daarbij de namen van [gedaagde 1] , [eiser 1] , [eiser 2] en - namens de Stichting, in de functie van directeur: - de [gedaagde 2] . [gedaagde 1] stelt nooit te hebben getekend. Het is gemakkelijk en kan, gelet op artikel 159 Rv , bewijsrechtelijk aantrekkelijk zijn om stellig te ontkennen een (inmiddels) onwelgevallige onderhandse akte te hebben ondertekend. In dit geval heeft [gedaagden] de stelling, dat de handtekening van [gedaagde 1] en daarmee de schadeclaimsamenwerkingsovereenkomst waarop [eisers] zich beroept vervalst is, in het geheel niet aannemelijk gemaakt.

4.5.

De conclusie van het als partijdeskundige aan te merken NFO dat het “ongeveer even waarschijnlijk” is dat de handtekening vals is als dat deze authentiek is, vormt onvoldoende onderbouwing voor deze ernstige aantijging. Bovendien wijst het hele gedrag van [gedaagden] vanaf ongeveer 2010 tot nu toe in een andere richting. [gedaagden] is pas na de berichten over de schikking gekomen met het verhaal over de vervalsing. Eerder is dat niet serieus kenbaar gemaakt. Weliswaar wijst [gedaagden] op diverse e-mails uit 2010 en met name op een e-mail van [gedaagde 1] van 10 oktober 2010 waarin staat dat zij “the cessie and schadeclaim” niet zal tekenen, maar deze e-mails zijn niet gericht aan [eiser 1] en/of [eiser 2] .

4.6.

Het is ook erg onwaarschijnlijk dat [gedaagden] de Stichting jarenlang in diverse instanties zou hebben laten procederen tegen [bedrijf] / [naam 2] als er niets was afgesproken over de opbrengst. Voldoende aannemelijk is geworden dat de [gedaagden] nauw betrokken was bij de Stichting (de [gedaagde 2] was directeur, dochter [naam 6] was bestuurder) en dat [gedaagden] op de hoogte was van de procedures. Een en ander blijkt bijvoorbeeld uit de e-mail van [gedaagde 1] aan [eiser 1] van 2 mei 2014 over het hoger beroep en uit de getuigenverklaringen van [naam 4] en [naam 3] van 22 september 2021. Overigens hebben partijen ieder een andere versie van de e-mail van 2 mei 2014 overgelegd en elkaar over en weer beticht van vervalsing; dat is betreurenswaardig, maar geen van beide versies leidt tot een ander oordeel over de vorderingen in dit kort geding.

4.7.

Bovendien erkent [gedaagden] dat [gedaagde 1] op 9 oktober 2010 een akte van cessie heeft getekend. Alleen zou dat niet de door [eisers] overgelegde akte van cessie zijn, maar de bij het beroepschrift van [gedaagden] van 1 december 2021 als productie 9 gevoegde akte, eveneens gedateerd op 9 oktober 2010 en eveneens geparafeerd en getekend door [gedaagde 1] en - namens de Stichting, in de functie van directeur: - de [gedaagde 2] . De voorzieningenrechter constateert dat de beide versies er inderdaad niet exact hetzelfde uitzien, met name waar het details van en de plaats op de pagina’s van de parafen en handtekeningen betreft. Dat is - zacht gezegd - opmerkelijk. Hoe dit ook zij, in beide versies staat in artikel 1 dat [gedaagde 1] als "cedent" aan de Stichting overdraagt "de Vorderingen, inclusief alle nevenrechten en inclusief alle ten tijde van de ondertekening van deze akte reeds opeisbare rente, onder de verplichting datgene dat als schadevergoeding aan de Stichting wordt toegekend uit te keren overeenkomstig de Schadeclaimsamenwerkingsovereenkomst voornoemd, welke overdracht de Stichting hierbij aanvaardt".In de preambule zijn de Vorderingen omschreven als de vorderingen voortvloeiend uit schade die cedent geleden heeft door het toerekenbaar tekort schieten van het niet nakomen van afspraken van en/of niet de nodige zorg betrachten door onder meer [bedrijf] / [naam 2] .Tevens is in de preambule vermeld dat de Stichting “is opgericht met als doel de behartiging van de belangen van de voormalige bestuurders van World Online. Een aantal partijen, waaronder Cedent en de Stichting, zijn bij de reeds eerder overeengekomen schadeclaimsamenwerkingsovereenkomst (…) overeengekomen hoe zij de Stichting zullen inrichten.”

Wat in dit verband het doel is geweest om valse parafen en handtekeningen op de akte van cessie te plaatsen is daarmee volstrekt onduidelijk. Kortom, het heeft er alle schijn van dat het argument van de vervalsing er met de haren is bijgesleept. De aanwijzingen dat [gedaagde 1] wel degelijk de Overeenkomst heeft getekend zijn sterker.

4.8.

[eisers] beroept zich op wanprestatie (of onrechtmatige daad) aan de zijde van [gedaagden] , die weigert [eisers] na de schikking met [bedrijf] / [naam 2] te betalen conform de Overeenkomst. Daarmee heeft [eisers] voldaan aan het rechtsbetrekking-vereiste.

4.9.

Ook heeft [eisers] een rechtmatig belang bij inzage in bescheiden met betrekking tot de schikking, zoals ook al bij herhaling door andere rechters is geoordeeld (in de vonnissen uit 2020 en 2021 met betrekking tot de eerdere 843a-vorderingen).

4.10.

Het gaat [eisers] in dit kort geding om bescheiden die betrekking hebben op de beëindiging van de procedure van de Stichting tegen [bedrijf] / [naam 2] . Ook de gevraagde correspondentie en bankafschriften beperken zich daartoe. Het verweer van [gedaagden] dat de bescheiden niet voldoende bepaald zouden zijn en/of dat er sprake zou zijn van een fishing expedition, gaat dus niet op. [gedaagden] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zij niet zou beschikken over de schikkingsovereenkomst (en bijbehorende overeenkomsten, correspondentie en bankafschriften) met [bedrijf] / [naam 2] . Zij heeft zelfs expliciet erkend dat er een schikking is getroffen, dat er €11.300.000,00 is betaald, niet aan de Stichting, en dat geheimhouding is overeen gekomen.

4.11.

Tenslotte doet zich geen van de uitzonderingen van lid 3 en 4 van artikel 843a Rv voor. De enkele mededeling van [gedaagden] dat met het prijsgeven van een overeenkomst met [bedrijf] / [naam 2] - waarbij [eisers] geen partij is - de vertrouwelijkheid zou worden geschonden, is niet voldoende.

4.12.

De conclusie is dat de vorderingen zullen worden toegewezen. Ook jegens de [gedaagde 2] . [gedaagden] heeft er weliswaar op gewezen dat hij sinds 2016 geen bestuurder meer is van de Stichting, maar, anders dan [gedaagden] meent, betekent dat niet dat hij buiten elke rechtsverhouding met [eisers] staat. Hij heeft de Overeenkomst (namens de Stichting) ondertekend en was – zo blijkt uit de eerder vermelde getuigenverklaringen – wel degelijk betrokken bij de schikking met [bedrijf] / [naam 2] . De [gedaagden] zullen daarom hoofdelijk worden veroordeeld tot afgifte van de bescheiden. De gevorderde drie dagen om daaraan te voldoen lijken onredelijk kort. [gedaagden] krijgt een termijn van twee weken na betekening van dit vonnis.

4.13.

De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd zoals vermeld in de beslissing.

4.14.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 119,21

- griffierecht 309,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.444,21.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eisers] kopieën af te geven van:

( a) de naar aanleiding van de gesprekken tussen [gedaagde 1] en/of de [gedaagde 2] enerzijds en de heer [naam 4] anderzijds gesloten (vaststellings)overeenkomst;

( b) alle overeenkomst(en) tussen de Stichting enerzijds en [bedrijf] en/of [naam 2] anderzijds in verband met de beëindiging van de gerechtelijke procedure(s) van de Stichting tegen [bedrijf] en/of [naam 2] ;

( c) alle overeenkomst(en) tussen [gedaagde 1] en/of de [gedaagde 2] en/of enige (voormalige) bestuurder van de Stichting enerzijds en [bedrijf] en/of [naam 2] anderzijds in verband met de beëindiging van de gerechtelijke procedure(s) van de Stichting tegen [bedrijf] en/of [naam 2] ;

( d) alle correspondentie tussen de Stichting enerzijds en [bedrijf] en/of [naam 2] anderzijds in verband met de beëindiging van de gerechtelijke procedure(s) van de Stichting tegen [bedrijf] en/of [naam 2] ;

( e) alle correspondentie tussen [gedaagde 1] en/of de [gedaagde 2] en/of enige (voormalige) bestuurder van de Stichting enerzijds en [bedrijf] en/of [naam 2] anderzijds in verband met de beëindiging van de gerechtelijke procedures van de Stichting tegen [bedrijf] en/of [naam 2] ;

( f) alle bankafschriften van bedragen die zijn betaald door [bedrijf] , [naam 2] of een aan (één van) hen gelieerde entiteit of persoon in verband met de beëindiging van de gerechtelijke procedures van de Stichting tegen [bedrijf] en/of [naam 2] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag dat [gedaagden] niet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 1.000.000,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.444,21, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van acht dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 85,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten met ingang van acht dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2022.

type: MAH

coll: MvG


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature