< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Steekincident in de Bethlehemsteeg in Amsterdam. Veroordeling voor gekwalificeerde poging tot doodslag en afpersing in vereniging met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Toepassing ASR . Jeugddetentie van 18 maanden met aftrek en PIJ-maatregel.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/093752-22

Datum uitspraak: 29 november 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,

ingeschreven in de Basisregistratie op het adres:

[adres] ,

nu gedetineerd in [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 5 juli 2022, 22 september 2022 (beide keren pro forma) en 15 november 2022 (inhoudelijke behandeling en sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.P. Staal en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.M.F.R. Ketwaru naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat door de benadeelde partij, die in het dossier wordt aangeduid als ‘ [aangever] ’, en zijn advocaat mr. N. Stolk naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 2 april 2022 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

feit 1: (primair) medeplegen van poging tot (gekwalificeerde) doodslag of (subsidiair) medeplegen van zware mishandeling van [aangever] ;

feit 2: afpersing in vereniging met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg en/of diefstal in vereniging met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg van [aangever] .

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I. Deze is aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir op het standpunt gesteld dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken. Feit 2 kan wel worden bewezen.

Op basis van de feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat verdachte opzet (in voorwaardelijke zin) had op het steken van aangever met het mes. Niet blijkt dat verdachte ook het voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit het dossier en uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij is geschrokken nadat [medeverdachte] aangever had gestoken. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte niet heeft gewild dat aangever in zijn oog en hals zou worden gestoken. Ook is er geen bewijs dat verdachte de kans dat dit zou gebeuren op de koop heeft toegenomen. Het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde kan daarom niet worden bewezen.

Verdachte heeft zich wel samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan diefstal en afpersing in vereniging met geweld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Wel moet partieel vrijspraak volgen van de plaats van het steken, namelijk in het gezicht en de hals. Aangever heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen ten gevolge van de beroving. Dit kan, nu dit een geobjectiveerd gevolg is, wel worden bewezen.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleidooi – bepleit dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken. Van feit 2 dient verdachte te worden vrijgesproken voor wat betreft het geweld.

Verdachte heeft geen opzet gehad (ook niet in voorwaardelijke zin) op een poging tot doodslag of zware mishandeling. Verdachte heeft geen aandeel of rol gehad bij het steken. Het was de bedoeling van verdachte om aangever samen met [medeverdachte] te beroven en niet om hem te steken. Aan het dubbel opzetvereiste is dus niet voldaan. Verdachte had geen wetenschap van het mes voordat deze werd gebruikt en het gebruik van dit mes was voor verdachte niet voorzienbaar. Het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde kan daarom niet worden bewezen.

De afpersing in vereniging kan worden bewezen. Wel dient vrijspraak te volgen van het daarbij toegepaste geweld omdat niet kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte (ook niet het voorwaardelijk opzet) daarop was gericht. Ook moet vrijspraak volgen van de diefstal in vereniging met geweld omdat geen sprake was van enige wegnemingshandeling(en).

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Feiten en omstandigheden

In de nacht van 2 april 2022 liep [aangever] (hierna: aangever) rond 04:15 uur alleen door het centrum van Amsterdam nadat hij die avond uit was geweest met vrienden. Hij was op zoek naar een horecagelegenheid en liep de Bethlehemsteeg in, een doodlopende steeg. Toen hij aan het einde van de steeg was, zag hij twee mannen op zich af komen rennen. Aangever beschrijft dat hij in een hele smalle steeg was, dat de mannen als twee roofdieren op hem kwamen afgerend en dat hij meteen zag dat het foute boel was. Deze mannen ‘flankten’ hem en zeiden dat hij zijn horloge moest afgeven. Een van hen had een flink mes bij zich en dreigde daarmee. Toen aangever het mes zag, besloot hij direct mee te werken en gaf hij zijn horloge, portemonnee en telefoon af. Daarna stak de man met het mes aangever in zijn oog en in zijn hals. Hierna renden de mannen weg. Aangever was enorm aan het bloeden en liep de steeg uit, waar hij werd opgevangen door omstanders. Al snel kwam ook de politie ter plaatse. Aangever bloedde uit zijn linkeroog, had een steekwond aan de linkerkant van zijn nek en is met de ambulance naar het AMC ziekenhuis vervoerd.

Een verbalisant op het politiebureau is direct de beelden van de Dienst Stadstoezicht van de plaats delict en de omgeving gaan terugkijken en gaf alle waarnemingen door aan de collega’s ter plaatse. Op die beelden was te zien dat omstreeks 04:15 uur twee personen de Sint Annendwarsstraat overstaken en de Bethlehemsteeg in renden. Vervolgens renden deze personen om 04:16:07 uur weer vanuit de Bethlehemsteeg de Sint Annendwarsstraat in en gingen zij vervolgens linksaf richting het Oudekerksplein. Het signalement van NN1 was: een negroïde man met een grijze/zilverkleurige jas, een zwartkleurige trainingsbroek met witte bies, witte schoenen en een zwart tasje. Het signalement van NN2 was: een licht getinte man met een zwarte jas, een zwarte broek met een witkleurig embleem en donkere schoenen.

Aanhouding van [medeverdachte] en het aantreffen van een mes

Rond 04:25 uur kregen verbalisanten NN1 in het vizier en hielden hem staande. Er zat een rode vlek gelijkend op bloed op de broekspijp ter hoogte van zijn broekzak en ook leek het of hij bloed op zijn rechterhand had. Daarop is NN1 aangehouden. Dit bleek medeverdachte [medeverdachte] te zijn. In zijn rechterbroekspijp werd een vleesmes van ongeveer 32 centimeter aangetroffen met bloed erop. Op de punt van het lemmet werd DNA afkomstig van aangever aangetroffen.

Aanhouding van verdachte en aantreffen goederen van aangever

NN2 heeft de bewuste nacht kunnen ontkomen. Uit het dossier blijkt dat in de dagen na het incident daarom een interne aandachtsvestiging is uitgezet bij de politie Amsterdam met beelden van NN2 van die nacht. NN2 werd door verschillende verbalisanten herkend als verdachte. Op 21 april 2022 is verdachte aangehouden in zijn woning en ook is de woning doorzocht. Daarbij werden het Longines horloge met gravure, de Apple iPhone 12 Pro Max en de pasjes van aangever aangetroffen.

Letsel aangever

Aangever is door het steken blijvend blind geraakt aan zijn linkeroog. Het linkeroog was onherstelbaar beschadigd en moest verwijderd worden. Ook is steekletsel aan de hals en oorlel van aangever geconstateerd. Dit heeft geleid tot een blijvend litteken. Het is nog onzeker of het rechteroog kan worden behouden.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft op de terechtzitting bekend dat hij aangever samen met [medeverdachte] van zijn spullen heeft beroofd, maar het was niet zijn bedoeling dat aangever zou worden gestoken. Verdachte stelt dat hij niet wist dat [medeverdachte] een mes bij zich had en werd hier pas mee geconfronteerd toen [medeverdachte] aangever stak.

3.3.2

Beoordeling van de feiten

Verdachte heeft bekend dat hij aangever op 2 april 2022 samen met [medeverdachte] heeft beroofd van zijn spullen en dat hij de spullen van aangever mee naar huis heeft genomen. De spullen die zijn buitgemaakt zijn ook in de woning van verdachte teruggevonden. De betrokkenheid van verdachte bij deze beroving staat daarom niet ter discussie.

Op basis van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat aangever tijdens die beroving is bedreigd met een mes, medeverdachte [medeverdachte] degene was die het mes hanteerde en aangever ook door [medeverdachte] meermaals is gestoken met dat mes. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte enige betrokkenheid had bij het steken met dit mes. Het steken met het mes is voor zowel 1 als feit 2 een wezenlijk onderdeel van de beschuldiging. Verdachte stelt dat hij pas toen [medeverdachte] aangever stak, geconfronteerd werd met het mes. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of verdachte wist dat [medeverdachte] een mes bij zich had.

Had verdachte wetenschap van het mes?

Verbalisanten hebben de camerabeelden van de Bethlehemsteeg van de bewuste nacht uitgekeken. Daarop is om 04:14:58 uur te zien dat aangever door het beeld loopt. [medeverdachte] komt de steeg in gerend en heeft op dat moment een lang voorwerp vast in zijn rechterhand. Vervolgens is te zien dat verdachte achter [medeverdachte] aan de steeg in rent. Op dat moment heeft [medeverdachte] het lange voorwerp nog steeds in zijn rechterhand. Zodra [medeverdachte] en verdachte bij aangever zijn aangekomen, zegt een van hen: ‘Doe die watcha af. We gaan je steken! Doe die watcha af!’. Aangever heeft verklaard dat hij het mes al zag toen [medeverdachte] en verdachte kwamen aanrennen. Het mes was onderdeel van het dreigen en het was een groot mes. Dit (vlees)mes is later ook bij [medeverdachte] aangetroffen.

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte] bij het inrennen van de steeg het grote mes van 32 centimeter lang in zijn hand had en dat dit mes op dat moment zichtbaar moet zijn geweest voor verdachte, die direct achter [medeverdachte] aan de steeg in rende. Vervolgens blijkt dat [medeverdachte] en/of verdachte tegen aangever hebben gezegd dat zij hem zouden steken en op dat moment vond ook de beroving plaats onder bedreiging van dit mes, dat in ieder geval zichtbaar was voor aangever en reden was zijn spullen direct af te geven. Verdachte stond daar met zijn neus bovenop. De aanwezigheid van het mes kan hem dan ook op dat moment niet zijn ontgaan. De rechtbank vindt de verklaring van verdachte dat hij het mes pas zag pas toen [medeverdachte] aangever stak gelet op het voorgaande niet aannemelijk en stelt vast dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het mes, in ieder geval vanaf het moment dat hij achter [medeverdachte] aan de steeg in rende.

Opzet op het steken met het mes

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachte opzet had op het steken van aangever. Dat verdachte hier vol opzet op had, kan de rechtbank niet vaststellen. Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het steken met het mes. In de manier waarop aangever van zijn spullen is beroofd ligt de mogelijkheid van het steken met het mes, al is het maar als de straatroof niet naar wens zou verlopen, zozeer besloten in het grotere plaatje dat het niet anders kan zijn dan dat de samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] die mogelijkheid heeft omvat.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben samen het plan opgevat om achter aangever aan te rennen en hem onder bedreiging van een mes van zijn spullen te beroven. Dit wordt ook ondersteund door de camerabeelden en de omstandigheid dat ze samen enige tijd hebben staan wachten in de nabijheid van de steeg totdat een slachtoffer verscheen. Daarbij was de rolverdeling tussen verdachte en zijn medeverdachte dat [medeverdachte] het mes hanteerde en verdachte de spullen van aangever aanpakte en bij zich heeft gestopt. Deze feiten en omstandigheden maken dat de rechtbank de verklaring van verdachte dat er vooraf niet is gesproken over de rolverdeling en over toepassing van eventueel geweld bij de beroving onaannemelijk vindt.

De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat tijdens de beroving onder andere is gezegd: ‘We gaan je steken’ en verdachte, wetende dat [medeverdachte] een mes vast had, dit in ieder geval ook heeft kunnen horen. Er bestond op dat moment een reële mogelijkheid dat aangever zich zou verzetten of [medeverdachte] aangever om een andere reden, bijvoorbeeld om de plaats delict te kunnen ontvluchten met de buitgemaakte spullen, zou steken. Verdachte heeft zich op dat moment niet teruggetrokken, welke mogelijkheid toen nog steeds voor hem openstond. Naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte kan het dus niet anders zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte] zou steken. Daar komt nog bij dat verdachte sinds zijn jonge jaren bekend is met het plegen van straatroven (met geweld) en hij op zitting heeft verklaard dat hij [medeverdachte] ten tijde van de beroving nog maar twee weken – en dus niet heel goed – kende. Hij kon er dus ook om die reden niet op vertrouwen dat [medeverdachte] zich tot het dreigen met het mes zou beperken.

Beoordeling van feit 1

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte wist dat [medeverdachte] een mes bij zich had en de rechtbank ook vindt dat verdachte opzet heeft gehad op het steken, dient de vraag te worden beantwoord of kan worden bewezen dat verdachte op 2 april 2022 ook heeft geprobeerd om aangever samen met een ander opzettelijk van het leven te beroven, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan aan een ander strafbaar feit (gekwalificeerde doodslag).

Om tot een bewezenverklaring van medeplegen van doodslag te komen, is noodzakelijk dat komt vast te staan dat de rol van de verdachte met betrekking tot de doodslag van voldoende gewicht is geweest. Dat is het geval als er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook als het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zij van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij moet de rechtbank ook vaststellen dat verdachte opzet had op de verwezenlijking van het grondfeit, in dit geval de poging tot gekwalificeerde doodslag.

Hiervoor heeft de rechtbank al overwogen dat verdachte opzet had op de onderlinge samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] en ook het steken. Vervolgens dient de rechtbank te boordelen of verdachte ook opzet heeft gehad op het grondfeit. De rechtbank kan niet bewijzen dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van aangever. Wel is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever. De beroving vond plaats in een smalle (doodlopende) steeg. Aangever is daarbij van dichtbij gestoken met een flink mes van 32 centimeter. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand een persoon dodelijk kan verwonden wanneer hij of zij diegene van dichtbij steekt met een mes van dat formaat. Aangever is daadwerkelijk geraakt met het mes en is in het gezicht en zijn hals gestoken. Daarmee is ingestoken op kwetsbare delen van het menselijk lichaam van aangever waar zich vitale organen en slagaders bevinden. Zoals ook blijkt uit de verklaring van de forensisch arts was het door verdachte en zijn medeverdachte aan aangever toegebrachte letsel in potentie levensbedreigend. Daarmee stelt de rechtbank vast dat de gedragingen die verdachte in samenwerking met zijn medeverdachte heeft verricht naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo waren gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de kans dat aangever zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard.

Omdat aangever niet is overleden is het bij een poging gebleven. Verder stelt de rechtbank vast dat de poging tot doodslag is gevolgd na het plegen van een ander strafbaar feit.

Conclusie

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde, het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag.

Beoordeling van feit 2

Gelet op de vaststellingen die de rechtbank hiervoor heeft gedaan, komt de rechtbank ook tot een bewezenverklaring van de onder 2 tenlastegelegde afpersing in vereniging. Zoals hiervoor is overwogen, had verdachte voorwaardelijk opzet op het toepassen van geweld, door welk geweld aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het zwaar lichamelijk letsel is een geobjectiveerd gevolg. Opzet op het toebrengen daarvan is dan ook niet vereist voor een bewezenverklaring van dit feit. De rechtbank kwalificeert dit feit als een afpersing in vereniging waarbij aan aangever zwaar lichamelijk letsel is toegebracht en niet als een diefstal in vereniging omdat aangever zijn spullen had afgegeven en uit het dossier niet blijkt dat verdachte en/of zijn medeverdachte wegnemingshandelingen hebben verricht. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte:

feit 1:

op 2 april 2022 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, met dit opzet achter die [aangever] is aangelopen, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader die [aangever] meermalen met een mes in een oog(kas) en de nek (vlak achter/onder het linkeroor) heeft/hebben gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten afpersing met geweldpleging van een portemonnee (inhoudende pasjes) en een telefoon en een horloge (merk Longines) toebehorende aan [aangever] en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

feit 2:

op 2 april 2022 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (inhoudende pasjes) en een telefoon en een horloge (merk Longines) die toebehoorden aan [aangever] , door achter die [aangever] aan te lopen, toen deze een doodlopende steeg inliep en in die doodlopende steeg voornoemde [aangever] te omsingelen en (tegen een muur) klem te zetten en voornoemde [aangever] een mes, te tonen en voor te houden en (vervolgens) tegen die [aangever] te zeggen: “Geef je watcha, geef je watcha” en tegen die [aangever] te zeggen dat hij zijn zakken leeg moest maken en zijn spullen aan hem/hen, verdachte(n), moest geven en voornoemde [aangever] met een mes, in een oog(kas) en de nek (vlak achter/onder het linkeroor) te steken, welk geweld en/of bedreiging met geweld zwaar lichamelijk letsel voor die [aangever] ten gevolge heeft gehad, te weten het kwijtraken van dat oog en een blijvend litteken achter/onder het linkeroor.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om toepassing te geven van aan het adolescentenstrafrecht. Hij vordert de oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest en daarnaast een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) als bedoeld in artikel 77s lid 1 Wetboek van Strafrecht voor het feit dat hij bewezen vindt. De officier van justitie baseert zich met name op de door de psycholoog en psychiater opgemaakte Pro Justitia rapportages. Zij adviseren beiden om verdachte het feit verminderd toe te rekenen gelet op de geconstateerde stoornissen bij verdachte.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht. Volstaan kan worden met de oplegging van een jeugddetentie voor de duur van het voorarrest. De oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is niet opportuun. De gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) die eerder aan verdachte is opgelegd loopt nog en het is te vroeg om te zeggen dat deze maatregel is mislukt. Verschillende voorwaarden waren nog niet opgestart voordat verdachte in verband met deze zaak gedetineerd raakte. Uit het rapport van de psychiater komt naar voren dat het advies om een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen wordt ingegeven door de omstandigheid dat een klinische opname niet mogelijk is in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel vanwege plaatsingsproblematiek. Dit kan niet aan verdachte worden tegengeworpen. Subsidiair dient een voorwaardelijke PIJ-maatregel worden opgelegd en geen onvoorwaardelijke.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot (gekwalificeerde) doodslag door aangever in zijn oog en hals te steken met een mes en afpersing waarbij zij aangever hebben beroofd van waardevolle spullen. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten waardoor aangever zwaar en onherstelbaar letsel is toegebracht. Als gevolg van het steken, is aangever blind geworden aan een oog en moest zijn oog uiteindelijk ook worden verwijderd. Het letsel dat is toegebracht is zo ernstig dat aangever tot op de dag van vandaag in onzekerheid zit of hij zijn andere oog mogelijk ook zal gaan verliezen. De messteek die in de hals van aangever is aangebracht, heeft op een haar na zijn halsslagader gemist. De gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte hadden aangever het leven kunnen kosten. Uit de slachtofferverklaring van aangever komt naar voren dat deze zeer ingrijpende gebeurtenis voor hem enorme lichamelijke, emotionele en financiële gevolgen heeft gehad. Door toedoen van verdachte is het leven van aangever volledig verwoest. Aangever voelt zich op dit moment een schim van de ondernemende en extraverte persoon de hij was. Zo kan hij nog steeds niet werken en ervaart hij fysieke ongemakken en angsten als gevolg van de feiten. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.

Gelet op de aard en ernst van de feiten en het leed dat het slachtoffer daarmee is aangedaan, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf kan worden volstaan. Bij de vaststelling van de duur daarvan weegt de rechtbank in het bijzonder nog het volgende mee.

Strafblad en rapportages

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 19 oktober 2022. Hieruit volgt dat verdachte ondanks zijn jonge leeftijd al meerdere keren is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Ook blijkt hieruit dat al verschillende keren is geprobeerd om verdachte op het rechte pad te houden of te krijgen, onder andere door het opleggen van een GBM en (deels) voorwaardelijke straffen met onder andere hulpverlening en behandeling als bijzondere voorwaarden. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden om opnieuw ernstig de fout in te gaan.

Door psycholoog Moonen (GZ-psycholoog) en psychiater Sprock zijn Pro Justitia rapportages over verdachte opgemaakt.

Psycholoog Moonen heeft in haar Pro Justitia rapportage van 31 augustus 2022 geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een licht verstandelijke beperking, een trauma/stressorgerelateerde stoornis en een stoornis in cannabisgebruik. Een verband tussen feit 1 en deze problematiek laat zich lastig beoordelen. De emotie- en gedragsregulatie van verdachte kent beperkingen en verdachte is eerder wel eens uit frustratie of boosheid tot agressief gedrag gekomen, maar het toegepaste geweld in deze zaak valt niet goed te verklaren omdat aangever zijn spullen al had afgestaan. Over in hoeverre feit 1 aan verdachte kan worden toegerekend, kan de psycholoog daarom geen uitspraak doen. De antisociale persoonlijkheidsstoornis en verstandelijke beperking hebben wel in enige mate een rol gespeeld in het denken en handelen van verdachte voorafgaand aan en ten tijde van feit 2. Het advies is om dit feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Ook is het advies om toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht. Verdachte is verstandelijk beperkt en het lukt hem onvoldoende om zijn gedrag te organiseren. Hij is impulsief en heeft moeite met plannen en het overzicht van oorzaak- en gevolgrelaties en om risico’s af te wegen. Ondanks de antisociale persoonlijkheidsstoornis lijken er nog mogelijkheden te zijn voor pedagogische beïnvloeding. De kans op herhaling van gewelddadig gedrag of ander grensoverschrijdend gedrag, wordt ingeschat als hoog. Dat in combinatie met de problematiek van verdachte, maakt dat behandeling noodzakelijk is. De eerder opgelegde GBM is onvoldoende effectief gebleken om verdachte ervan te doordringen om zich aan voorwaarden te houden. Omdat de psycholoog inschat dat verdachte zich wel aan de voorwaarden zou willen houden, maar hem dat buiten de structuur van een instelling niet lukt en hij daarmee wordt overvraagd, is het advies om een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen zodat de benodigde behandeling kan worden geborgd.

Psychiater Sprock heeft in haar Pro Justitia rapportage van 5 september 2022 gerapporteerd dat bij verdachte een licht verstandelijke beperking en een psychische stoornis in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, andere gespecificeerde psychotrauma of stressorgerelateerde stoornis en een stoornis in cannabisgebruik (tenminste licht van ernst) is vastgesteld. Met uitzondering van de andere gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis, waren deze stoornissen aanwezig op het moment waarop verdachte de feiten pleegde en deze zijn ook van invloed geweest op zijn gedragskeuzes en gedragingen op dat moment. De feiten lijken te passen in het delictpatroon dat bekend is bij verdachte. Het advies is om de feiten, met name de beroving, in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Voor het toegepaste geweld heeft de psychiater geen verklaring aangezien verdachte dit ontkend heeft. Een eventueel verband kan dan ook niet worden onderzocht. Het advies is om toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht.

Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Een pedagogische aanpak met structuur, begeleiding en toezicht is noodzakelijk om de ontwikkelingsmogelijkheden die er nog zijn zo optimaal mogelijk te benutten om het hoge recidiverisico substantieel en duurzaam te verlagen. Het advies is om verdachte in eerste instantie klinisch te plaatsen. Een aanpak in een ambulant kader is een gepasseerd station gelet op het verloop van de GBM. De inschatting is dus ook dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet haalbaar is. Verdachte is vanwege zijn problematiek niet in staat om zich aan voorwaarden te houden in een vrijere setting en ook blijkt in de praktijk een klinische opname niet mogelijk te zijn bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

De rechtbank volgt de psycholoog en psychiater in hun conclusies en neemt deze over.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op de adviesrapportage van de reclassering van 22 september 2022. De reclassering rapporteert dat er een hoog risico is op recidive. Verdachte is beïnvloedbaar en verhardt in criminaliteit. De reclassering adviseert om toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht. Verdachte functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. Hij handelt impulsief en overziet de gevolgen van zijn handelen niet. Verdachte lijkt goed te functioneren in de pedagogische omgeving van de Jeugdinrichting. Verder is het noodzakelijk dat interventies worden ingezet gericht op het functioneren van verdachte en zijn middelengebruik. Het advies is om een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Wanneer verdachte intramuraal wordt behandeld, zal hem dat mogelijk rust, stabiliteit, overzicht, structuur en veiligheid bieden. De reclassering schat in dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel onhaalbaar is.

Toepassing adolescentenstrafrecht

Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben gelet op de adviezen van de gedragsdeskundigen gevraagd om toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat een jongvolwassen verdachte die op het moment van het strafbare feit meerderjarig is volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan voor jongvolwassenen tot 23 jaar besluiten om het adolescentenstrafrecht toe te passen als daarvoor aanleiding is gelet op de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit of de feiten zijn begaan.

De rechtbank ziet, gelet op de adviezen van de gedragsdeskundigen en de reclassering, aanleiding om op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het adolescentenstrafrecht toe te passen. Hoewel verdachte zich aan ernstige feiten heeft schuldig gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende indicatoren zijn voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. Verdachte is nog relatief jong, heeft een laag IQ, en is beïnvloedbaar. Er lijken nog voldoende beïnvloedingsmogelijkheden te zijn en er wordt nog ontwikkelingsruimte gezien bij verdachte.

PIJ-maatregel

Zoals hiervoor is besproken, adviseren de gedragsdeskundigen om verdachte de PIJ-maatregel op te leggen. Net als de deskundigen vindt de rechtbank het van belang dat verdachte, vanwege de bij hem vastgestelde stoornissen en problematiek, een intensieve klinische behadeling zal krijgen. Oplegging van de PIJ-maatregel is mogelijk, omdat bij verdachte op het moment dat hij feit 2 beging sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De afpersing waarvoor verdachte wordt veroordeeld is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstaf van vier jaar of meer is gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat blijkens de rapportages van de gedragsdeskundigen de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de PIJ-maatregel eist. Ook blijkt uit het psychiatrisch en psychologisch rapport dat de oplegging van de PIJ-maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De deskundigen schatten in dat een minder verstrekkende maatregel, of een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet haalbaar is omdat eerdere interventies waaronder een GBM niet zijn geslaagd. Vanwege de problematiek van verdachte is hij in een vrijere setting niet in staat zich aan voorwaarden te houden. Een klinische opname is niet mogelijk bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel, terwijl die wel noodzakelijk is om de ontwikkeling van verdachte positief te beïnvloeden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de PIJ-maatregel nodig is ter beveiliging van de maatschappij en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. De rechtbank overweegt daarbij dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd vanwege misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Conclusie

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en het gegeven dat verdachte voor wat betreft feit 2 verminderd toerekeningsvatbaar is en de rechtbank het adolescentenstrafrecht zal toepassen, komt de rechtbank tot de volgende strafoplegging. De rechtbank zal verdachte een jeugddetentie opleggen voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Dit is een hogere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank ook het onder 1 tenlastegelegde bewezen heeft verklaard. Ook vindt de rechtbank de oplegging van een PIJ-maatregel nodig. De duur van de jeugddetentie is hoger dan door de officier van justitie is geëist, maar dat komt omdat de rechtbank meer feiten bewezen vindt dan de officier van justitie.

8 Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] vordert een totaalbedrag van € 1.246.883,43 aan materiële schade, bestaande uit een post van € 1.216.080,00 aan gederfde inkomsten, een bedrag van € 30.803,43 aan overige materiele schade en € 60.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de feiten zijn gepleegd.

De benadeelde partij en zijn advocaat mr. Stolk hebben de vordering en met name de gevorderde kosten die vallen onder de post overige materiële kosten op de terechtzitting nader toegelicht en (verder) onderbouwd met stukken.

8.1

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij kan worden ontvangen in zijn vordering en heeft zich voor wat betreft de beslissing over de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting vormt voor het strafproces en deze in zijn geheel dient te worden afgewezen of niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verdachte heeft geen aandeel gehad in het letsel wat aangever is toegebracht zodat hij ook niet daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld. De vordering tot schadevergoeding roept vragen op en bonnen ontbreken. Van een gedeelte van de vordering kan niet worden vastgesteld dat er een rechtstreeks verband is met de feiten. Ook de gevorderde immateriële schadevergoeding moet worden afgewezen ofwel niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.2

Beoordeling door de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank wijst de volgende posten toe omdat zij van oordeel is dat deze voldoende zijn onderbouwd en er sprake is van een direct verband tussen de schade en de bewezenverklaarde feiten. Overigens zijn deze posten niet betwist:

Gederfde inkomsten: € 1.216.080,00

Hotel overnachting in verband met operatie: € 190,50

Eigen risico zorgverzekering : € 885,00

Medicijnen en verzorgingsmaterialen et cetera: € 382,20

Speciaal patiëntenvervoer ambulance: € 950,00

Reiskosten Costa Rica: € 3.823,64

Partner onbetaald verlof: € 1.224,00

Steam Deck Handheld Computer: € 545,00

ONYX BOOX note Air e-ink tablet: € 499,99

Voor wat betreft de toewijzing van de kosten voor gederfde inkomsten overweegt de rechtbank dat dit een schatting betreft en deze gederfde inkomsten gelet op dat wat op de terechtzitting naar voren is gebracht aan de lage kant is gewaardeerd gelet op de prognoses. De kosten voor onbetaald verlof merkt de rechtbank aan als verplaatste schade. Omdat deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van de benadeelde partij worden deze volledig toegewezen.

Voor wat betreft de gevorderde reiskosten zal de rechtbank deze deels toewijzen omdat de benadeelde partij de reiskosten heeft gemaakt en deze in voldoende rechtstreeks verband staan met de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal voor de berekening uitgaan van het forfaitair tarief van € 0,28 per kilometer in plaats van het door de benadeelde partij gevorderde tarief van € 0,50 per kilometer:

Reiskosten familie 150 km x € 0,28 x 42: € 1.764,00

Reiskosten partner 138 km x € 0,28 x 28: € 1.081,92

Reiskosten naar advocaat 227 km x € 0,28 x 3: € 190,68

Reiskosten politiebureau 308 km x € 0,28 x 4: € 344,96

Reiskosten naar ocularist 296 km x € 0,28 x 6: € 497,28

Reiskosten naar GGZ 204 km x € 0,28 x 24: € 1.370,88

De kosten voor kleding, nu deze niet verder zijn onderbouwd, schat de rechtbank op een bedrag van € 500,00. De rechtbank zal de gevraagde kosten voor de aanschaf van een nieuwe iPhone matigen tot € 880,00 omdat dit de door de rechtbank geschatte restwaarde was van het toestel van de benadeelde partij die van hem is weggenomen. Dit was een iPhone 12 Pro max en niet het nieuwere model zoals is gevorderd. De gevorderde kosten voor het horloge van het merk Longines zal de rechtbank toewijzen tot een bedrag van € 1.120,00. Dit was de door de rechtbank geschatte restwaarde van het horloge.

Dit betekent dat de rechtbank de vordering tot vergoeding van materiële schade zal toewijzen tot een bedrag van in totaal € 1.232.330,05, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd op 2 april 2022.

De benadeelde partij zal voor het overige en voor wat betreft de gevraagde kosten voor een personal trainer € 1.440,00, psychotherapie voor zijn partner € 1.200,00, eigen risico van zijn moeder € 385,00 en haptonomie behandelingen van zijn moeder € 1.620,00, en de gevorderde kosten voor de hondenuitlaatservice € 2.979,60, niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering omdat de vordering op deze punten onvoldoende is onderbouwd, danwel door derden gevorderde kosten betreft die niet voor vergoeding in aanmerking komen en het toelaten van een verdere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering indien hij dat wenst nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien omdat de benadeelde partij als gevolg van deze strafbare feiten zwaar lichamelijk letsel en ook geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft voldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat ten gevolge van het strafbare feit een psychische beschadiging is ontstaan.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 60.000,00, zoals ook door de benadeelde partij is gevorderd. De rechtbank wijst ook de wettelijke rente toe vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd op 2 april 2022.

De rechtbank zal bepalen dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor het geheel en indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De gemaakte kosten worden tot op dit moment vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [aangever] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.292.330,05. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2022.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 77c, 77i, 77s, 7gg, 288, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

eendaadse samenloop van:

feit 1: medeplegen van poging tot doodslag voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren

en

feit 2: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die jeugddetentie in mindering gebracht zal worden.

Legt op aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] toe tot een bedrag van

€ 1.232.330,05 (éénmiljoentweehonderdtweeëndertigduizenddriehonderddertig euro en vijf eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 60.000,- (zestigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade vanaf 2 april 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat

€ 1.292.330,05 (éénmiljoentweehonderdtweeënnegentigduizenddriehonderddertig euro en vijf eurocent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (2 april 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,

mrs. P. van Kesteren en E. Biçer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Breukelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 november 2022.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature